Turbulente tijden: kapitalisme op alle terreinen in crisis. Verzet richten op socialistische maatschappijverandering

Van 15 tot en met 17 november hield LSP een nationaal congres. De politieke discussie werd voorbereid met een perspectieventekst die wekenlang besproken werd in alle afdelingen. We publiceren hieronder deze tekst. 

Het afgelopen jaar was een turbulente periode voor het CWI en LSP. Acht maanden van intense discussie leidden uiteindelijk tot een afsplitsing door een deel van de historische leiding. Dit was op basis van de inschatting van de huidige periode en enkele cruciale aspecten van onze taken, programma, methode en benadering.

Het is niet toevallig dat deze crisis plaatsvond tegen de achtergrond van een nieuw belangrijk keerpunt in de objectieve situatie. Het kapitalisme staat aan de vooravond van een nieuwe recessie, met uitgeleefde politieke instrumenten die hun sociale steun en krediet in de samenleving grotendeels verloren zijn, en dit tegen de achtergrond van een steeds luider tikkende sociale- en klimaat-tijdbom.

Dergelijke keerpunten provoceerden reeds vele debatten en crises binnen de revolutionaire marxistische beweging in het verleden. Dat was zo in de naoorlogse periode en in het begin van de jaren ‘60 met discussies in de 4de Internationale en opnieuw begin jaren ‘90, binnen het CWI, na de val van het stalinisme.

Op het IEC van augustus 2019 werd gesteld dat dit de eerste economische crisis is sinds die van ’73-’75 die werd getriggerd door geopolitieke ontwikkelingen. Sinds ‘75 wisten de kapitalisten en hun politieke vertegenwoordigers dat de oude keynesiaanse politiek niet langer werkte. Ze hadden echter nog geen alternatieve politiek. Daarvoor was de burgerij te zwak en de arbeidersbeweging was wel sterk genoeg, maar beschikte niet over een leiding die een machtsovername door de arbeidersbeweging als een optie beschouwde. Het resultaat was een periode van grote politieke instabiliteit – destijds Italianisatie genoemd. Italië kende na Mussolini de ene regeringscrisis na de andere (41 regeringen tussen 1941 en 1979). Dat kwam vooral omdat de PCI in de naoorlogse periode altijd het grootst aantal stemmen behaalde, maar nooit genoeg voor een absolute meerderheid. Dat zorgde voor tegennatuurlijke regeringen die als enig bindmiddel het van de macht houden van de PCI hadden en chronisch instabiel waren. Met Italianisatie bedoelde onze internationale dat de politieke instabiliteit van Italië zich ook elders voordeed. Tussen ’77 en ’81 telde België liefst 7 regeringen. Het was het resultaat van de zwakte van de burgerij die de macht wou behouden en de sterkte van de arbeidersbeweging die wel sterk genoeg was om de macht te nemen, maar niet over een leiding beschikte die dat ook wou. Deze periode van politieke instabiliteit duurde tot uiteindelijk Thatcher in GB (1979) en Reagan in de VS (1981), aanvankelijk gezien als ‘halve gekken’, overnamen en de basis legden voor het neoliberalisme als nieuwe dominante economische politiek.

We denken dat we ook nu weer door een dergelijke beslissende periode gaan. Dat het neoliberalisme als dominante economische politiek niet langer werkt, is steeds duidelijker. Een alternatief is echter nog niet voorhanden en dat zorgt voor instabiliteit op alle vlakken. De ‘nieuwe wereldorde’, ontstaan na de val van het stalinisme, die het einde inluidde van een voorgaande periode en het begin van een nieuw historisch tijdperk, is nu letterlijk uiteen aan het vallen.

 

Nieuwe recessie maakt compromis tussen de klassen onmogelijk

Slechts met uitzonderlijk gigantische maatregelen werd na de crisis van 2008-9 een depressie vergelijkbaar met de jaren ‘30 vermeden. Al deze maatregelen hebben geen enkele van de tegenstellingen opgelost, integendeel. Nu een nieuwe recessie zich aandient, rijst de vraag of de centrale banken en overheden nog over voldoende middelen beschikken.

Niet alleen een nieuwe recessie en het gebrek aan voldoende fiscale en monetaire middelen om deze te lijf te gaan, baart de kapitalistische klasse grote zorgen. De crises waarmee het kapitalisme vandaag geconfronteerd wordt, zijn veelvuldig. Het belangrijkste gevolg van de crisis van het kapitalisme is misschien wel hoe het gebrek aan perspectief en bijna 40 jaar neoliberalisme haar sociale steun in de samenleving heeft uitgehold en hoe het de burgerlijke politieke instrumenten heeft gediscrediteerd.

De afgelopen jaren werd noodgedwongen geregeerd met minderheidsregeringen, verschillende vormen van technocratische en/of nood-regeringen, regeringen met rechts populistische en extreem rechtse partijen, … In sommige landen was de dreiging van politieke verlamming nooit ver weg.

Een voorbeeld daarvan zijn de recente ontwikkelingen in het VK. De ultra-neoliberale en kapitalistische krant Financial Times (FT) schreeuwde moord en brand toen Boris Johnson het parlement vijf weken buiten spel zette. Deze verontwaardiging had te maken met het feit dat de Britse kapitalistische klasse absoluut een no deal wil vermijden. Tegelijk vreesde ze ook de banalisering van de burgerlijke democratie en een meer verregaande radicalisering van het politieke landschap. Het was dezelfde FT die openlijk de parlementaire oppositie opriep om Boris Johnson ten val te brengen en, als dat moet, zelfs een Corbyn-regering te overwegen als minste kwaad. Twee van de grootste banken actief in de City of London, Citibank en Deutsche Bank, titanen van het financieel systeem, stellen zich de vraag: “Is Corbyn net zo erg als een no-deal? Misschien niet meer.” (The Telegraph 3 sept 2019).

Als Corbyn zich echter steeds verder laat duwen in de positie van leider van het kapitalistische (remain) kamp, maakt hij zichzelf onschadelijk en ongeloofwaardig als links alternatief en uitdager van datzelfde kapitalistische establishment.

Het model om het kapitalisme te beheren op basis van een klassencompromis is in crisis omdat het ontoepasbaar wordt. De polarisatie neemt toe, het midden verdwijnt, de klassen staan steeds scherper tegenover elkaar, maar ze missen aangepaste politieke instrumenten en een politiek beleid waarmee ze hun belangen kunnen verdedigen.

Het verklaart de huidige crisis en de turbulentie binnen de ooit zo sterke en dominante klassieke kapitalistische partijen, zoals de Tories in Groot-Brittannië, de CDU in Duitsland, UMP/LR in Frankrijk, …

In Frankrijk werden de klassieke partijen bijna van de kaart geveegd en ontstond het fenomeen LREM van Macron. Dit scenario werd met interesse gevolgd in andere landen waar men naarstig op zoek is naar een dergelijke figuur om op z’n minst tijdelijk een oplossing te vinden voor de crisis van leiderschap. Maar Frankrijk toont aan dat ook een figuur als Macron, die zich wat losmaakte van het klassieke politieke establishment en zo een meer directe vertegenwoordiger van het Franse kapitaal werd, op de limieten van de klassentegenstellingen stoot. Bewuste desorganisatie van de vakbondsleiders en het sektarisme en reformisme van de Franse linkerzijde, ondanks verschillende correcte voorstellen en initiatieven tot organisatie en eenmaking van de strijd door la France Insoumise van Mélenchon, zorgden ervoor dat de stakingsbeweging in de richting van een algemene staking tegen Macron faalde. Het leidde tot het type van protest van de Gilets Jaunes, waarbinnen een groot wantrouwen heerste tegenover zowel de vakbonden als politieke partijen. Het was vooral extreemrechts dat er electoraal garen bij spon, ook al werd extreemrechts in de beweging vele malen door de Gilets Jaunes afgestoten. In de Europese verkiezingen verloor Macron van het tot Rassemblement National herdoopte Front National van Le Pen. Macron is daarmee nog niet afgeschreven, toch niet zolang er geen alternatief is, maar het mirakel blijkt kwetsbaar terwijl er nieuwe confrontaties aankomen, o.a. over de pensioenen. Het toont dat ook een dergelijk politiek fenomeen niet aan de wetten van de klassenstrijd ontsnapt en dat elke nieuwe aanslag op de levensstandaard van de arbeidersbeweging het potentieel heeft om de sociale strijd te doen heropleven.

De Nederlandse economie staat er dan weer relatief beter voor dan de meeste andere Europese landen, met een begrotingsoverschot van 10 miljard euro, een verwachte economische groei voor dit jaar van 1,8% en een lage werkloosheid van 3,4%. Dit betekent echter geen sociale en politieke stabiliteit. Er heerst een breed ongenoegen onder de werkenden omdat zij niet geprofiteerd hebben van de economische groei van de afgelopen jaren, over de enorme problemen in zorg en onderwijs, precaire jobs en de grote woningnood. In 2017 en 2018 waren er al de meeste stakingsdagen geteld in 30 jaar, met name door de massale acties van leraren in het basisonderwijs. In 2019 volgden opnieuw sociale explosies, met tienduizenden (vooral scholieren) die op straat kwamen voor het klimaat en duizenden die betoogden voor vrouwenrechten en tegen racisme in het voorjaar. Daarop volgde een historische staking van het openbare vervoer tegen pensioenverslechteringen in mei. Inmiddels blijkt dat ook de grote pensioenfondsen in de problemen zitten en lagere pensioenen zullen uitkeren. Politiek is er geen sprake van stabiliteit. Bij de nationale verkiezingen van 2017 kreeg de ex- sociaaldemocratische PvdA de grootste dreun in haar geschiedenis vanwege haar deelname aan de voorgaande besparingsregering. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2019 werd het extreemrechtse Forum voor Democratie de grootste partij. De versplintering van het politiek landschap gaat verder: geen enkele partij kreeg meer dan 14% van de stemmen. De SP (enigszins vergelijkbaar met de PVDA, maar reeds veel verder afgegleden richting reformisme) miste een hele reeks kansen om een politiek instrument van de werkende klasse te worden, halveerde tijdens de Provinciale Statenverkiezingen en verloor haar beide zetels in het Europees parlement. Voor de werkenden en de jongeren is er geen duidelijk links alternatief. De regeringspartijen worden steeds meer gezien als de partijen van de multinationals. Zij beseffen dit maar al te goed en proberen dit beeld nu te veranderen. Premier Rutte van de neoliberale VVD riep zelfs de ceo’s op om niet alleen aan zichzelf te denken maar ook de lonen van hun werknemers fors te doen stijgen. In de in september gepresenteerde begroting voor 2020 zijn maatregelen om de koopkracht te doen stijgen en investeringen in woningbouw opgenomen, naast een investeringsfonds van tientallen miljarden geleend geld om de economie een impuls te geven. Dit is echter volstrekt onvoldoende om de noden van de bevolking op te lossen, noch om Nederland te behoeden voor een recessie.

Het gebrek aan arbeiderspartijen of het falen van de nieuw linkse partijen om een afdoend antwoord te bieden op de crisis en om richting te geven aan het verzet van de arbeidersbeweging tegen de massale post-crisis besparingsprogramma’s van 2008-9, maakte in een aantal landen de weg vrij voor rechts populistische en extreemrechtse partijen. Met een combinatie van een sterke anti-establishment retoriek en een anti-immigranten discours zijn ze deels in staat de woede, onzekerheid en wanhoop te kanaliseren. Vooral daar waar links in de voorgaande periode onvoldoende of niet in staat was het verschil te maken, ging de pendule van links terug naar rechts.

Maar de situatie is zeer volatiel. Ook dit rechts krijgt geen vrij spel, en valt al snel door de mand wat betreft haar beloftes op sociaal vlak. Van de sociale beloftes van de Italiaanse regering onder leiding van Salvini bleef er (onder druk van de EU) niet veel over. Desondanks liet het establishment de poging van Salvini om zijn populariteit in de peilingen te verzilveren en zijn coalitiepartner verder te verzwakken, niet onbenut. Met een andere parlementaire meerderheid werden onmiddellijke verkiezingen vermeden en kreeg men de regie terug zelf in handen. De nieuwe regering, met de gediscrediteerde PD en de veel van haar pluimen verloren Vijfsterrenbeweging, moet nu een meer aanvaardbaar compromis maken met de EU en Italië door een nieuwe crisis loodsen. De EU zal weliswaar wat soepeler zijn met een regime dat ze meer onder controle heeft, maar zware besparingen en nieuwe aanvallen op de Italiaanse arbeidersklasse zullen nodig zijn om de overheidsschuld en het begrotingstekort te saneren. De burgerij heeft zichzelf extra tijd gekocht, maar het gevaar van een rechts populistische oppositie tegen de opgelegde normen van Europa door een in de peilingen versterkte Lega is niet verdwenen. In realiteit geeft het anti-democratische, pro-EU en pro-besparingskarakter van deze regering nieuwe argumenten aan Salvini en extreemrechts om hun basis te mobiliseren en uit te breiden. Onze kameraden in Italië wijzen erop dat de vorming van deze regering ook een rem zette op de ontwikkeling van anti-Salvini protesten, die een zekere dynamiek begonnen te krijgen afgelopen zomer. Nu is het opnieuw de Lega en extreemrechts die op straat komen met Salvini en Meloni (leider van de Fratelli d’Italia, dat nu op 8,5% staat in de peilingen) die samenkomsten en betogingen organiseren over heel het land tegen de “geel-rode” regering.

Ook in Spanje raakt maar geen stabiele regering gevormd. Er wordt nu voor de vierde keer op vier jaar tijd naar verkiezingen gegaan omdat men er niet in geslaagd is een nieuwe regering te vormen op basis van de uitslagen van de laatste.

Dit zijn slechts de meest extreme voorbeelden. Deze crisis is niet beperkt tot Zuid-Europa. Ook in Duitsland, Nederland en Frankrijk vonden politieke aardbevingen plaats die, onder druk van de economische en sociale crisis, een stabiele positie voor de traditionele politieke partijen van de burgerij in de nabije toekomst uitsluiten.

We zijn een uitzonderlijk volatiele periode binnengetreden. Het kapitalisme kan niet meer gewoon terug naar de orde van de dag. Haar voornaamste troef tot op vandaag  blijft nog  altijd dat ook de arbeidersklasse (nog) niet in staat is geweest zich ideologisch en organisatorisch te herstellen van de nederlagen van het verleden (die van na de val van het stalinisme) waardoor zowat elke referentie naar socialisme uit het collectieve geheugen (vooral van de nieuwe generaties) is verdwenen.

Dit heeft belangrijke gevolgen gehad voor de organisatie en de sterkte van het verzet, de organisatiegraad en het bewustzijn van de werkende bevolking. Het staat overal nog voor de taak om het type syndicale en politieke organisaties uit te bouwen die, zowel wat betreft organisatiekracht als qua programma, tegemoet komen aan de noden die de klassenstrijd vandaag heeft. Dit betekent niet dat er helemaal geen ontwikkeling is in die richting.

Opgang van strijd en zoektocht naar een alternatief

In de VS was er een trendbreuk in 2018 met een record aantal stakingen (US bureau of labor statistics). Het begon met stakingen van de leerkrachten in West-Virginia, en ging door met onder meer de Marriot-arbeiders die piketten opzetten in 4 verschillende staten. Een totaal van 485.000 werknemers legde het werk neer – het hoogste aantal sinds ‘86 – waaronder cabinepersoneel, vuilnisophalers en staalarbeiders. Dit jaar waren er het personeel van “Stop & Shop” (Delhaize), de Amazon- en McDonalds-arbeiders, … Daarbij viel op dat de werknemers die het eerst ageerden veelal degenen waren met de meest precaire arbeids- en loonvoorwaarden en uit sectoren die niet de meest sterke syndicalisering kennen. In de geschiedenis van de arbeidersbeweging is dat niet uitzonderlijk, het is eerder de regel. Eigenlijk was de naoorlogse periode van economische bloei en het enorme vertrouwen van de arbeidersbeweging dat daarmee gepaard ging een uitzondering daarop. Het neemt doorgaans tijd vooraleer de meer georganiseerde lagen van de arbeidersbeweging in actie komen, maar als ze dat doen zijn ze doorgaans beslissend. De recente stakingen bij General Motors (met 49.000 deelnemers, piketten, en steun van de Teamsters die weigerden om GM auto’s te vervoeren uit solidariteit met de staking) lijken aan te tonen dat de strijd van de minder georganiseerden nu begint over te slaan naar de meer georganiseerde industriële sectoren. Zo kan een dynamiek van strijd, voor lonen en arbeidsvoorwaarden, maar ook tegen discriminatie en seksisme, die in eerste instantie tot uiting kwam buiten de structuren van de vakbondsorganisaties, het effect hebben de strijd van de sterkere bataljons aan te steken.

Deze opgang van strijd gaat hand in hand met de groei van socialistische organisaties in de VS (vooral de DSA) en de groeiende populariteit van linkse en reformistische kandidaten zoals AOC. De verkiezing van Kshama Sawant in de gemeenteraad van Seattle in 2013 toonde aan wat er electoraal mogelijk was. Al vijf maanden later slaagde de beweging in een perfecte één-twee door een $15 minimumloon af te dwingen in een eerste grote stad in de VS. Seattle toonde het potentieel en hielp mee de weg voor te bereiden. Maar het was vooral Sanders’ kandidatuur bij de vorige primaries van de Democraten die een grote impact had op het bewustzijn en enkele socialistische eisen kon populariseren. Sanders’ campagne kreeg kenmerken van een beweging, stimuleerde een klassenbewustzijn en opende een discussie over socialisme.

Alle ervaringen en ontwikkelingen uit de voorbije 11 crisisjaren hebben het bewustzijn in positieve zin doen evolueren. Het zorgt ervoor dat de arbeidersklasse, geconfronteerd met een nieuwe recessie, beter voorbereid zal zijn dan in 2008-9 om de strijd aan te gaan. Ook de discussies over een politiek alternatief zullen op een ander en hoger niveau worden gevoerd door de ervaringen met Syriza in Griekenland, Chavez in Venezuela, … de campagnes van Sanders, Corbyn en Mélenchon.

Impact van een nieuwe wereldwijde recessie

Tot voor kort voedde het relatieve economische herstel van de afgelopen jaren bij een groot deel nog de hoop dat we langzaam uit het dal aan het kruipen waren. Het stimuleerde de strijd voor een groter deel van de koek. Een nieuwe recessie zal het perspectief om zelfs maar terug aan te knopen bij de situatie van voor 2008-9, weer helemaal teniet doen. Het kan bij een deel opnieuw een No Future gevoel creëren en mogelijks de onmiddellijke anti-politieke reflex versterken. Tegelijk zal het ook de zoektocht naar een alternatief versterken.

Bepalend voor de perspectieven, het effect op het bewustzijn en de strijd, is hoe snel een recessie zich zal of kan realiseren, hoe diep die zal snijden en hoe lang ze zal duren. Het is niet uitgesloten dat een scherpe en diepe inzinking, gepaard met een snelle ontwikkeling van de werkloosheid, opnieuw verlamming teweegbrengt en het vertrouwen in strijd voor een bepaalde tijd beperkt en zo tijdelijk een einde maakt aan de opgang van strijd van de afgelopen jaren.

De wereldwijde economische vertraging is reeds een feit en maakt haar eerste slachtoffers in de vorm van economische werkloosheid en een nieuwe golf van afdankingen. De Standaard rapporteerde op 10 september op haar voorpagina: “Het feest op de jobmarkt is voorbij”. Eind augustus was er reeds de bekendmaking dat het auto-toeleveringsbedrijf Punch Powertrain in Sint Truiden enkele honderden arbeiders zou ontslaan door problemen die direct te maken hebben met de inzinking van de Chinese automarkt. Een groot deel van de arbeiders waren vorig jaar reeds regelmatig economisch werkloos. Sinds deze zomer regent het ontslagen in verschillende bedrijven. In enkele bedrijven in het Brusselse anticiperen patroons door enkele van hun meest strijdbare delegees te ontslaan. Het kunnen de kanaries in de mijn zijn!

Hoe snel de vertraging van de wereldeconomie, vooral in China, maar ook in de VS en Europa, zal leiden tot een spiraal van jobverlies is moeilijk te voorzien, maar de eerste tekenen zijn aanwezig. In België waren in juli reeds 7% minder uitzendkrachten aan het werk dan vorig jaar. Steeds meer bedrijven maken gebruik van het systeem van tijdelijke werkloosheid. Uit cijfers van de RVA blijkt dat er in het tweede trimester 93.000 werknemers tijdelijk werkloos waren. Dat zijn er 8,6% meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Vooral de industrie zou in eerste instantie getroffen worden. Het aantal faillissementen zit terug dichtbij het record van 2013 (ruim 12.000 bedrijven), met in de eerste drie kwartalen van 2019 8741 faillissementen, wat 15,2% meer is dan vorig jaar. Daarbij gingen 15.871 jobs verloren, een stijging van 19,3% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar.

Belangrijk voor de Belgische economie zijn de economische vooruitzichten voor de naburige landen: vooral van Duitsland, Frankrijk en Nederland, maar ook de Brexit kan zware gevolgen hebben. Na Ierland zou België het zwaarst getroffen worden in de handel met het VK. De wereldwijde groeivertraging en de handelsoorlog lijken in eerste instantie Duitsland, dat in het derde kwartaal in recessie ging, hard te treffen. Als daar een slechte Brexit, een no-deal Brexit of een nieuwe olieschok bij komt, kan dit heel de wereldeconomie in recessie dompelen. Deze zal direct de realiteit blootleggen in de financiële sector, waar de winsthonger heeft geleid tot gelijkaardige speculatie en risico’s die 12 jaar geleden het hele financiële systeem deden wankelen.

Wanneer de werkende bevolking om nieuwe opofferingen wordt gevraagd, is het niet onbelangrijk hoe de vorige periode werd ervaren. De natuur van het herstel sinds 2008-9 is niet vergeten. Vooral hoe de kapitalistische klasse in de eerste plaats in staat is geweest haar eigenbelang te verdedigen en haar winsten te herstellen met een hard besparingsbeleid op de rug van de massa’s en de werkende bevolking wereldwijd, staat met kop vooraan in het bewustzijn.

Rapporten zoals die van Oxfam over de verder toenemende kloof tussen arm en rijk in dezelfde crisisperiode, voeden het antikapitalistische sentiment. 82% van de gecreëerde rijkdom in 2018 ging naar de rijkste 1% van de globale wereldbevolking, terwijl de armste helft geen enkele vooruitgang kende. De Financial Times (19/9/’19) met als titel “Capitalism, time for a reset” gaf interessante cijfers die de trend naar grotere ongelijkheid bevestigen. Tussen 1949 en 1973 ging het mediaan inkomen per gezin in de VS jaarlijks omhoog met 3%. Aan dit tempo was er 96% kans dat een kind een hoger inkomen zou hebben dan zijn of haar ouders. Sinds 1973 bedroeg de jaarlijkse toename slechts 0,4%. Het resultaat is dat 28% van de kinderen vandaag over een lager inkomen beschikken dan hun ouders. Het aandeel van de top 1% van VS inkomens (voor de aftrek van taksen) sprong van 11% in 1980 tot 20% in 2014!

De kapitalistische klasse is zich zeer bewust van dit ontwikkelende anti-kapitalistische sentiment. De open brief van CEO’s van de Business Roundtable in de VS, ondertekend door 181 CEOs van bedrijven als Amazon, Pepsi, Walmart, JP Morgan Chase, … is een erkenning van het groeiend wantrouwen tegenover grote bedrijven. Zo proberen de CEO’s de rol van bedrijven te herdefiniëren of beter te camoufleren. Ze benadrukken in hun brief dat ondernemingen niet meer alleen meerwaarde voor de aandeelhouders mogen nastreven, maar dat ook klanten en werknemers er belang bij moeten hebben. Het contrast tussen woord en daad blijft echter groot. Slechts een verbeten en vasthoudende strijd om het verzet van dezelfde patroons te breken, leidde tot overwinningen van de 15$. Deze brief is slechts één voorbeeld van hoe de kapitalistische klasse zelf aanvoelt in hoeverre het vertrouwen in haar systeem is ondermijnd. Zoals één van haar actoren in de FT (7/9/2019) verklaarde: “Als we nu niet ageren, denk ik niet dat het kapitalisme nog zal bestaan in de volgende 50 jaar”.

Met zo’n brief spelen ze in op een beperkt antikapitalistisch bewustzijn in de samenleving. Ze voeden de illusie dat het mogelijk is om een humaan, klimaatvriendelijk kapitalisme te creëren. Vanuit deze invalshoek is het de taak van ons allen om te bekijken hoe we dit kunnen realiseren en kunnen er ook vanuit de kapitalistische klasse positieve bijdragen worden geleverd. Het is een gedachtegang die de vaak dominante kleinburgerlijke ideeën voedt als: we zijn allemaal verantwoordelijk, verandering begint bij jezelf, we moeten andere waarden voorop plaatsen, we hebben ook macht als consument, laat ons zelf bouwen aan een solidaire, circulaire economie, … Het is o.a. de taak van marxisten om duidelijk te maken dat de samenleving zoals we ze vandaag kennen het gevolg is van de logica van het systeem. Dat het hem niet gaat om een klein ontwerpfoutje in het systeem dat moet worden rechtgezet. Ongelijkheid, oorlog, uitbuiting … zitten allemaal in het DNA van het systeem.

Tegelijk doen dezelfde CEO’s er alles aan om de ontwikkeling van socialistische ideeën en de populariteit van socialistische kandidaten te bestrijden, zoals recent in Seattle. Daar sloten diezelfde bedrijven een mega-pact om te voorkomen dat Kshama Sawant herverkozen wordt. Dit is ook de inzet van de top van het establishment van de Democratische Partij: al het mogelijke doen om te vermijden dat Sanders de kandidaat wordt om Trump volgend jaar uit te dagen. Ze doen daarvoor beroep op zogenaamde progressieve kandidaten, omdat de openlijk rechtse kandidaten die door dezelfde kapitalisten gesteund worden, geen impact meer hebben.

Het programma van Sanders is geen revolutionair socialistisch programma, maar breekt wel met de neoliberale consensus en populariseert het idee van het vrijmaken van massale publieke middelen om te kunnen investeren in een publieke gezondheidszorg voor iedereen, onderwijs, een klimaattransitie weg van fossiele energie, etc … . Ook de oproep van Sanders tot meer “workplace democracy” die jongeren en werkenden moet aanzetten zich massaal te syndiceren en via syndicale strijd hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen, is een zeer belangrijke ontwikkeling. Dat alles kan een dynamiek van organisatie en strijd teweegbrengen die kan helpen om het klassenbewustzijn onder brede lagen van werkenden te genereren. Dit is wat de kapitalistische klasse meer dan wat ook vreest.

In wezen is het programma van Sanders een programma van belangrijke hervormingen, met meer staatsinterventie en een herverdeling van de rijkdom om tegemoet te komen aan de sociale noden. Het is zeer populair en radicaal in de bestaande conjunctuur. Strijd voor de realisatie ervan zal botsen met wat de kapitalistische klasse kan en wil toestaan. Maar de vraag tot meer staatsinterventie zal niet alleen komen van de arbeidersbeweging en links. Ook het kapitalisme zal beroep doen op de staat om haar systeem te stutten. Dat is niet nieuw. Het was bijvoorbeeld een belangrijk onderdeel van de New Deal in de nasleep van de crisis van de ‘30.

De ommekeer in de conjunctuur leidt tot hernieuwde discussie over de nood aan stimuli om de economische vertraging af te remmen of op zijn minst om een nieuwe recessie te bestrijden. Maar de ruimte ervoor vandaag is beperkt door het recordniveau aan schuld bij alle overheden, de grote schuldenberg van China (die vorige keer nog een motor was van groei), de reeds zeer lage rentevoeten, maar ook omdat de toegenomen inter-imperialistische rivaliteit een gecoördineerde internationale actie zoals in 2008 uitsluit.

De nieuwe acties van de FED en de ECB, om de reeds lage rente nog verder te verlagen en de nieuwe opkoop van obligaties door de ECB (voorlopig voor 20 miljard €/maand, na 2600 miljard € gepompt te hebben in het financiële systeem tussen halverwege 2015 en eind 2018), is aanleiding tot discussie.

In De Tijd van 24 augustus wordt de econome Frances Coppola aan het woord gelaten met een pleidooi voor een “people’s” quantitative easing: nieuwe stimuli, niet in de vorm van lage rente in de hoop om aan te zetten tot lenen en investeren, maar door overheden aan te zetten tot grootschalige overheidsinvesteringen. De nieuwe voorzitter van de ECB, Christine Lagarde, dringt aan bij de Eurozone om de Maastrichtnormen te versoepelen opdat overheden over extra instrumenten zouden beschikken in geval van recessie. In Duitsland wordt het aanzwengelen van de binnenlandse vraag belangrijker nu de export terugvalt. De SPD-minister van Economie wil de “oorlogskas” van 50 miljard inzetten voor een programma van grote infrastructuurwerken, o.a. voor groene transitie. Uiteraard is een dergelijk budget slechts mogelijk in de meest geavanceerde, rijkste landen. Onder druk van massastrijd en revolutie kan dit wapen versneld ingezet worden.

Een terugkeer naar een lange en stabiele periode van keynesianisme zoals na WO2 is echter uitgesloten. Dit was maar mogelijk in de naoorlogse groeifase nadat de vernietigingen tijdens WO2 er de voorwaarden voor creëerden, toen de dreiging van een stalinistisch blok een constante druk zette en men probeerde om met hervormingen van bovenaf, revolutie van onderuit te voorkomen.

Grotere polarisatie en strijd tegen discriminatie en klimaatverandering

De sociale crisis dwong de arbeidersklasse reeds tot actie en zal dit steeds opnieuw blijven doen. Ondanks alle pogingen om de klasse te verdelen met racisme, nationalisme, religie, gender, etc … kwamen de sociale kwesties steeds opnieuw aan de oppervlakte. Dit was zo internationaal, maar ook in België.

Deel van het succes van de slogan “Make America Great Again” was Trumps belofte om de jobs en de welvaart van de Amerikanen te beschermen. Dit is ook de retoriek van Salvini en het Vlaams Belang in België. Ze laten dit steevast gepaard gaan met een anti-immigratie retoriek, waarbij slogans als “send them back” appelleren aan die bevolkingsgroep die het makkelijkst te misleiden is met dergelijke slogans en dikwijls het meest sociaal kwetsbaar is. Bij afwezigheid van een sterke linkse kracht, met een programma dat de werkende bevolking kan verenigen in de strijd tegen degenen die een echte bedreiging zijn voor hun jobs en lonen en dat zich uitspreekt tegen elke vorm van verdeel en heers, kan zo’n retoriek de klassenstrijd tijdelijk desoriënteren en afremmen.

Maar ook deze demagogen kijken vroeg of laat de klassenstrijd in de ogen. Zo komt zelfs de AFL-CIO baas in de VS (oorspronkelijk en schandalig genoeg één van de verdedigers van Trump toen hij aantrad als president) tot de conclusie: “Trump kwam naar onze leden en zei ‘Ik zal de regels van de economie veranderen’ en ze geloofden hem. Spijtig genoeg doen de veranderingen die hij doorvoerde onze leden pijn. Trump verzette zich tegen elke verhoging van het minimumloon, veranderde de sociale regelgeving betreffende overuren voor een paar miljoen mensen, stelde miljarden dollars besparingen voor in de gezondheidszorg en ondermijnde de veiligheids – en arbeidscondities op de werkplaats”. En “ondanks de consistente economische groei en bloeiende bedrijfswinsten dankzij de massale belastingverlagingen voor bedrijven, zijn de reële lonen lager door de stijgende huurprijzen en ziekteverzekeringen”. Een verslaggever van de New York Times schrijft “met de ene hand animeert Trump de massa, met de andere hand, weg van de spotlichten, perst hij de arbeiders uit, dag na dag”.

Niet alleen migratie en vluchtelingen worden gebruikt voor deze verdeel-en-heerspolitiek. Deze rechtse populisten hanteren ook een zeer reactionaire agenda tegenover vrouwen en LGBTQI+. Op hetzelfde ogenblik proberen ze zich voor te doen als hun verdedigers, met een retoriek rond veiligheid waarbij voor een meer repressieve aanpak wordt gepleit en de vrouwen wordt aangeraden om terug naar de haard te gaan voor hun eigen veiligheid en voor de kinderen. Het leeuwendeel van seksistisch geweld vindt evenwel plaats in de thuisomgeving, doorgaans door daders die dicht bij het slachtoffer staan: 80% van de feminicides wordt gepleegd door een partner of ex-partner. De tweederangspositie van vrouwen in de samenleving maakt hen nog kwetsbaarder, arme vrouwen zijn twee keer zo vaak slachtoffer van verkrachting. Rechtse populisten staan net als traditionele partijen echter voor een beleid van toenemende onzekerheid (onzekere jobs, gebrek aan openbare diensten,…). Het verklaart de wereldwijde massale bewegingen tegen discriminatie en voor democratische rechten en het meer uitgesproken radicalisme en de strijdbaarheid van deze groepen in de maatschappij. De bewegingen tegen seksisme, die in sommige landen tot de grootste betogingen in de geschiedenis leidden, dragen ertoe bij om barsten in de neoliberale ideologie te brengen. Steeds bredere lagen van de bevolking in heel de wereld beseffen dat seksisme een maatschappelijk probleem is dat bijgevolg collectief moet aangepakt worden en niet individueel. Het is belangrijk om in het debat tussen te komen over de methoden en wie onze bondgenoten zijn in deze strijd.

Het liefst regeert de burgerij zonder leiders als Trump in de VS of Bolsonaro in Brazilië. Ze dreigen het sociale klimaat nog verder te radicaliseren en de burgerij vreest het radicalisme en de polarisatie die de zweep van de contrarevolutie kan teweegbrengen. Tegelijk worden deze figuren gebruikt om te zien hoe ver gegaan kan worden in het verdelen van de werkende bevolking en in het voortzetten van een ultra-neoliberaal programma.

Er heerst een enorme internationale economische en politieke instabiliteit met massale revoltes en bewegingen zoals die in Hongkong, Puerto Rico, Algerije en Soedan, … die de heersende klassen doen beven op hun grondvesten.

De klimaatcrisis draagt bij tot dat gevoel van urgentie bij jongeren en arbeiders wereldwijd om maatschappelijke verandering te realiseren. Op 20 september kwamen meer dan 4 miljoen jongeren en werkenden op straat tegen klimaatverandering, met in sommige landen historisch grote betogingen en scholierenstakingen. Een nieuwe generatie is voor de eerste keer sinds de massale anti-oorlogsprotesten massaal in actie gegaan. Het potentieel van de klimaatbeweging is nog lang niet uitgeput.

Socialistische ideeën kunnen in een dergelijke context terug aan populariteit winnen en de kansen om een revolutionaire partij als de onze uit te bouwen sterk doen toenemen.

Dit zijn slechts enkele van de belangrijkste elementen van de internationale context tegen dewelke de Belgische politieke crisis zich afspeelt. De teksten van het IEC over de economische perspectieven en de oorzaken van de crisis binnen het CWI zijn een belangrijke bijdrage tot de perspectieven discussie op ons Nationaal Congres, en moeten samen met deze tekst gelezen worden (International Members Bulletin 1) .

Existentiële crisis voor de partijen van het Belgische establishment

De Belgische politieke crisis gaat ondertussen van kwaad naar erger. Het is niet uit te sluiten dat opnieuw één of andere tijdelijke alliantie gevonden wordt tussen de verschillende politieke krachten – hoewel een zware externe druk nodig zal zijn om de zaken te doen bewegen – maar het wordt steeds moeilijker. Er is geen gebrek aan academische en journalistieke verdedigers van het aloude “Belgische compromis”, dat vooral na de Tweede Wereldoorlog dé kern van de Belgische politiek werd. Het Belgische compromis werkte op verschillende terreinen: op het vlak van de nationale kwestie, waarbij via een reeks van staatshervormingen de kwestie gepacifieerd werd door het instellen van machtsdeling tussen de gemeenschappen en gewesten en een “wafelijzerpolitiek” inzake belangrijke publieke investeringen; op het vlak van klassencollaboratie door het progressief invoeren van de elementen die we kunnen samenvatten onder de noemer welvaartstaat, vooral de sociale zekerheid en de inspraak van de vakbonden in heel wat aspecten van de staat; op het vlak van het levensbeschouwelijke, waarbij de schoolstrijd afgesloten werd door een compromis dat zowel het katholieke als het openbare onderwijs een plaats bood in de samenleving.

In alle drie de gevallen waren de christen- en de sociaaldemocratie, de partijen die verbonden waren met de vakbonden, daarvan de motor, en dan vooral de CVP en de PS, de sterkste partijen in hun taalgebied. In alle drie de gevallen waren het ook compromissen die een belangrijke investering van middelen vergden, wat in de naoorlogse periode mogelijk was, in een opgaande fase van het kapitalisme, gecombineerd met een sterke en aanhoudende strijd van de arbeidersklasse en het bestaan van een alternatief op het kapitalisme in de vorm van de gedeformeerde arbeidersstaten. Dat tijdperk is voorbij en beide voorwaarden staan al enige tijd onder zware druk. Het levensbeschouwelijke thema is door de  secularisatie van de publieke opinie naar de achtergrond verdwenen, maar kan door een verdere afbraak van de middelen voor vooral onderwijs en gezondheidszorg opnieuw beginnen opspelen. Op het vlak van de nationale kwestie was de stemming over de splitsing van BHV een keerpunt: de eerste maal sinds het instellen van een systeem van machtsdeling dat de Vlaamse partijen hun overwicht in de Kamer gebruikten tegen de Franstalige minderheid in. Op het vlak van de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal hebben decennia van afbouw van de welvaartstaat hun tol geëist. Bovendien heeft de Zweedse regering  – met een fel verzwakte CD&V – voor het eerst fundamenteel de rol en de plaats van de vakbonden in vraag gesteld. Het resultaat was het actieplan van 2014 en een ontwikkeling waarin de vakbondsleidingen niet langer enkel een defensieve houding innemen, maar ook offensieve eisen beginnen te ontwikkelen. In Vlaanderen kan de afname van de steun voor de CD&V en SP.a  – volgens de laatste peilingen zijn ze samen onder de 20% beland! – niet anders dan vragen opwerpen voor de decennialange strategie van de vabkondsleidingen van het werken via deze partijen op het politieke vlak.

Met de steeds verdergaande ondermijning van de middelen én de instrumenten – de traditionele partijen die verbonden zijn met de vakbonden – voor die compromispolitiek komen we in België op onbekend terrein terecht. De ondermijning van de CVP is al langere tijd gaande: in 1990 kan ze niet langer haar wil opleggen aan de andere Vlaamse partijen, waardoor eindelijk de abortuswet kon worden gestemd met een alternatieve meerderheid;  in 1999 maakt de dioxinecrisis dat voor het eerst sinds 1947 een regering zonder CVP aan de macht komt die haar mandaat ook effectief kan uitzitten én een nieuw mandaat binnenhaalt; in 2000 wordt tegen het verzet van CVP in, maar mét de steun van PSC (nu CDH) de vijfde staatshervorming doorgevoerd. Het duurzaam verlies aan steun voor CVP en Sp.a maakt ruimte vrij voor zowel de ontwikkeling van Agalev (Groen) en Vlaams Blok. Die eerste kan nog op de klassieke manier (verbranding aan de macht) worden geneutraliseerd, voor het VB – 24% in 2004 – werd het cordon sanitaire ingesteld om toch te kunnen verderdoen alsof er niets was gebeurd. Het is deze achtergrond die de CVP verder duwt op de versterking van haar Vlaamse profiel: in 2001 verandert ze haar naam naar CD&V om meer nadruk op het Vlaamse aspect te leggen, in 2004 sluit ze het kartel met de toen zeer kleine NVA en begint ze een provocatieve campagne rond de splitsing van BHV. Dat alles versterkt haar niet, integendeel. Het maakt de weg vrij voor de spectaculaire en zeer snelle opgang van NVA. De verwachting dat deze zou uitgroeien tot een nieuwe stabiele machtsfactor is nu reeds de grond ingeboord.

De PS kan voorlopig standhouden als laatste stabiele factor van het compromisbeleid van de naoorlogse Belgische burgerij (ook de traditionele burgerlijke partij MR houdt voorlopig stand, maar is nooit een dominant gegeven in de compromispolitiek geweest), hoewel ook zij bijzonder veel van haar pluimen heeft verloren. Het is bijzonder ironisch dat de partij die door de burgerij in de vroege jaren ’80 met alle macht uit de regeringen moest worden gehouden om een sociale afbraakpolitiek toe te staan nu haar meest betrouwbare instrument is geworden. Om dat instrument te behouden, moet de afbraakpolitiek nog enigszins sociaal kunnen worden omkleed, wat zeer moeilijk is geworden binnen het kader van een algemeen gebrek aan middelen en nu aan haar linkerzijde een partij groeit die haar hypocrisie en dubbelspraak aan de kaak kan stellen. Indien ze verplicht wordt de komende harde besparingen door te voeren zonder die sociale omkleding, kan de druk die al langer bestaat op haar band met de vakbond onhoudbaar worden. Het verlies, of zelfs een verdergaande verzwakking, van die band zou een enorme versnelling teweegbrengen in het proces van achteruitgang van de PS, wat zou maken dat ook de laatste partij verbonden aan het Belgische compromisbeleid van het toneel verdwijnt als beslissende kracht.

Alle aansporingen van media en academici ten spijt is er gewoon geen materiële basis voor het oude Belgische compromis en er zijn ook geen partijen met voldoende steun onder de bevolking om zo’n compromis tot stand te brengen. Andere wegen moeten worden gezocht om het systeem in stand te houden, maar deze pogingen – waarvan de Zweedse regering er één was – zullen allemaal een bijzonder onstabiel karakter kennen. Op dit terrein van improvisatie wordt het exact voorspellen van toekomstige regeringsmodellen bijzonder moeilijk omdat alle tegenstellingen tegelijkertijd op gelijk welk moment onbeheersbaar kunnen worden. Het enige dat we met 100% zekerheid kunnen stellen, is dat we niet naar een nieuwe stabiele compromispolitiek onderweg zijn.

De Belgische politieke crisis gaat ondertussen van kwaad naar erger. De gemeenteraadsverkiezingen waren al een enorme opdoffer voor de Zweedse coalitie. De uitslagen van de federale en regionale verkiezingen van 26 mei waren een echte mokerslag. Het betekende niet alleen dat de Zweedse coalitie niet verder kon op federaal vlak, maar de uitslag maakt ook het vormen van een stabiele federale regering onmogelijk.

De eerste peilingen sinds de verkiezingen zijn zo mogelijk nog dramatischer. De N-VA valt verder terug naar 22,7%, de slechtste score in peilingen sinds 2014. CD&V valt terug tot 11,7% en SP.a tot 8,4%. PVDA blijft stabiel rond de 6% in Vlaanderen en Groen doet het iets beter dan bij de verkiezingen, maar het blijven kleine stapjes vooruit. De grote winnaar van de patstelling sinds de verkiezingen in Vlaanderen is het Vlaams Belang met 24,9%, meer dan haar beste score ooit in 2004. In Wallonië zakt de PS van 26,1% naar 22,9%, terwijl MR er lichtjes op vooruit gaat naar 22,6%. Ecolo groeit naar 16,2%, en de PTB stoot door naar 15,5%. Cdh kwijnt verder weg naar 8,5%. Défi wint licht en haalt 5%. Ook in Brussel, bevestigen de resultaten van deze peiling de voornaamste tendensen van de verkiezingen van 26 mei voor de Franstalige partijen: Ecolo 21,4%, PS 19,2%, MR 16%, Défi 11%, PTB 11% en CDh 4,9%. De Nederlandstalige partijen halen er: N-VA 3,6%, Groen 3,1, VB 2,5%, OpenVLD 2,4%, SP.a 1% en CD&V 0,2%.

Het politieke landschap is helemaal versplinterd en de meer extreme uiteinden van het spectrum winnen ten koste van het centrum, net zoals de internationale trend. Het versterkt de crisis binnen de partijen, met bijna existentiële discussies in verschillende ervan over de te volgen koers. En dat allemaal nog voor de economische crisis echt bijt.

Bovendien wordt de instabiliteit en de interne samenhang van de partijen ook nog aangewakkerd door het steeds zwaarder doorwegen van de gewestelijke dynamiek sinds het verdwijnen van de symmetrische regeringen op alle niveaus. Politici zijn op het regionale niveau afhankelijk van de regionale krachtsverhoudingen om een positie te verwerven en steeds minder wordt rekening gehouden met de gevolgen hiervoor op federaal vlak. In de Brusselse regeringsvorming probeerde de leiding van Open VLD haar lokale vertegenwoordigers onder druk te zetten om de opname van de MR in de regering als breekpunt op tafel te leggen, maar dat werd door de Brusselse leiding regelrecht afgewezen. Op een persconferentie op 17 juli trok Rutten openlijk haar handen af van wat ze de “eigengereide” Brusselse afdeling noemde, Sven Gatz werd gestraft door het verlies van al zijn bevoegdheden in de Vlaamse regering behalve Brusselse aangelegenheden, dat hij wel moest behouden omdat de Vlaamse regering verplicht een Brusselaar in de regering moet opnemen en hij de enige VLD’er was met domicilie in Brussel. Ook bij SP.a en Groen zijn spanningen duidelijk tussen hun Vlaamse en Brusselse afdelingen.

De verslechterende economische toestand wordt zowel gezien als extra bezwarende factor voor de kans op een snelle vorming van een federale regering, als een noodzakelijke externe druk op de partijen om de stap te zetten.

De vooruitzichten van het planbureau voor de Belgische BBP-groei werden op 5 september neerwaarts herzien in vergelijking met de raming van juni, toen een groei van 1,3 % werd vooropgesteld voor 2019 en 2020. Zo zou de groei beperkt blijven tot 1,1 % in 2019 en 2020. De vooruitzichten voor de Europese economie zijn in vergelijking met de raming van juni versomberd als gevolg van toegenomen onzekerheid over de handelsoorlog en over de brexit. De vooruitzichten houden geen rekening met de directe effecten van een eventuele brexit zonder akkoord, wat een belangrijk risico blijft. De werkgelegenheid zou volgend jaar merkelijk minder toenemen dan dit jaar, maar over beide jaren samen toch nog met 99.000 personen. De inflatie, die in 2017 en 2018 2,1 % bedroeg, zou afkoelen tot 1,5 % dit jaar en 1,4 % volgend jaar.

Gelijk welke regeringscoalitie zal geconfronteerd worden met een zeer instabiele economische context en de druk zal groot zijn om “te doen wat nodig is” om het Belgische kapitalisme recht te houden en te stabiliseren in een crisisperiode. Dat alles met partijen die bijna allemaal zwaar verloren hebben.

De grootste druk wordt uitgeoefend op de N-VA en de PS om als dominante partijen in hun landsgedeelte hun verantwoordelijkheid op te nemen. In hoeverre ze zullen bezwijken onder deze druk moet nog blijken. De PS heeft al lang bewezen bereid te zijn te doen wat moet om de crisis voor het kapitalisme te beheren op de rug van de arbeidersklasse. Ook de N-VA heeft dit gedaan door in de vorige federale regering te stappen en haar communautaire agenda tijdelijk in de kast te steken, in ruil voor een sociaal economische contrarevolutie. Een regering zonder de PS was al een staatshervorming op zich, dixit Bart De Wever.

De regering-Michel was dan ook een speciale regering. We schreven in ons IB 44 van nov 2014, “het voornaamste verschil tussen deze regering en alle voorgaande sinds de jaren ‘80, is dat ze als doel heeft een radicale breuk te maken met dit overlegmodel, omdat het een rem vormt op een meer drastische sanering. Ze wil afmaken waar de vorige rechtse coalities van de jaren ‘80 faalden. De voorwaarde daartoe is het breken van de vakbonden en het omkeren van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal”. Dit was haar doel en ze heeft het zeker geprobeerd.

Ze botste echter op het sterkste syndicaal verzet sinds de regering-Dehaene. Zo werden er in 2014 853.000 stakingsdagen geteld. Dehaene 1 (maart 1992-juni 1995) telde 13,4 stakingsdagen per maand per duizend werknemers. Michel 1 (okt 2014-dec 2018) telde er 10,7. Di Rupo’s tripartite regering telde er 5,7.

Het actieplan van 2014, dat de regering bijna ten val bracht, bleef als een schaduw over Michel I hangen. De werkgevers kregen er weliswaar belangrijke hervormingen door, zoals de verlaging van de loonkosten, lagere vennootschapsbelastingen en flexi-jobs. Maar de stakingen hadden zeker impact. Het European Trade Union Institute besloot “dat de regering anders nog meer had doorgezet. Het heeft de CD&V enorm op de rem doen staan”. Het is de sterkte van de Belgische arbeidersbeweging die erger heeft vermeden, zoals het pensioen met punten.

Dynamiek van de syndicale beweging

Het verraad door de vakbondsleidingen na het actieplan van 2014 leidde tot een zekere demoralisatie, al is het verzet nooit weggeweest. Het idee van deze regering uitzitten, de scherpe kantjes eraf vijlen en hopen dat in 2019 anders gestemd zou worden, werd de lijn die de vakbondsleidingen gingen volgen. De druk vanwege militanten en delegees voor nieuwe meer vastberaden acties werd echter steeds groter, door de niet aflatende stroom van aanvallen op verworvenheden en de besparingen. Dit leidde bij het ABVV eind 2017 tot de campagne “samen kan het anders” die vijf offensieve eisen stelde: het minimumloon van 14€/u of 2.300€/maand, minimumpensioen van 1.500€ netto of 75% van het laatste loon, 4 dagen of 32u week, sterke openbare diensten en eerlijke fiscaliteit.

Deze campagne, gecombineerd met het voorstel van minister Bacquelaine over het pensioen met punten en bedrijfsdossiers zorgden in 2018 voor een nieuwe dynamiek in het sociaal verzet. Er werden meer dan een miljoen pensioenkranten verdeeld voor de grote pensioenbetoging van mei 2018.

Ook op bedrijfsniveau was er een toename van strijd. De meest opvallende was wellicht de staking bij LIDL, die aan de basis begon tegen de hoge werkdruk en hyperflexibiliteit. Na meer dan een week staken en actievoeren door het personeel werden er beloftes gedaan door de directie. We zien vandaag echter dat meer dan een jaar na deze staking een definitief akkoord uitblijft en de directie probeert terug te komen op de gedane beloftes. De vakbonden hebben het moeilijk om de laag van mensen die deelnam aan de staking te betrekken in hun werking en demotivatie te vermijden.

Bij de intercommunale huisvuilophaler in Gent (IVAGO) werd in augustus 2018 opnieuw gestaakt, grotendeels voor dezelfde zaken als in 2015 gestaakt werd. Toen maakten de vakbonden en de directie een akkoord dat niet gesteund werd door een meerderheid aan het piket. Het fundament van het probleem, het feit dat IVAGO als een privé bedrijf gerund wordt, werd niet aangepakt. Bij de staking van 2018 zagen we dat er lessen geleerd waren uit de voorgaande staking en was er veel meer roep om inspraak aan het piket en kwamen strijdbare delegees en militanten meer naar de voorgrond.

Het geloof dat we syndicaal iets kunnen veranderen op ieder niveau groeide en dat zag je duidelijk in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen waarbij de sociale punten als koopkracht, werkdruk, pensioenen, … duidelijk naar voren geschoven werden met onder andere de nationale actiedag van 2 oktober. Voor het eerst sinds het begin van de crisis werden in België meer offensieve eisen geformuleerd door de vakbonden.

Ondertussen groeide in Frankrijk het verzet van de Gillet Jaunes. De IPA-onderhandelingen en de acties en stakingen hieraan gelinkt eind 2018, zorgden voor een nieuwe dynamiek, met als strijdpunt koopkracht. De acties werden vooral sterk opgevolgd in de voedingsindustrie, een sector met lage lonen. Er gingen arbeiders in staking, die eerder in de beweging in 2014 niet betrokken waren. Er volgde nog een algemene staking op 13 februari 2019, aangestoken door het vuur van de jonge klimaatstakers, maar de loonnorm in het IPA bleef beperkt tot 1,1%. Het IPA werd slechts gedeeltelijk aanvaard door het ABVV en werd aanvaard door het ACV met 86% in hun instanties. Het ABVV heeft vooral de 1,1% verhoging van het minimumloon verworpen of een verhoging van 1O cent per uur. Het ACV van haar kant verdedigt deze beperkte verhoging van het minimuloon met 1,1% of 18 euro per maand. Het is tegelijk weinig en al veel, stelt de leiding. Volgens ons is deze strategie fout. Het ABVV heeft een campagne gelanceer voor een minimumloon van 14€/uur, met maandelijkse acties op elke 14de van de maand. De brede algemene steun voor de eisen van de 14€ en een pensioen van 1.500€ netto, maakte dat de partijen niet rond het sociale konden, partijen aan beide kanten van de taalgrens namen deze eisen op in hun verkiezingsprogramma. In een context van crisis van het kapitalisme is het niet mogelijk stappen vooruit te winnen via het oude model van sociaal overleg. Hiervoor moet men een consequente strijd van de arbeidersbeweging organiseren en een krachtsverhouding uitbouwen.

De essentie blijft dat een grote kans werd gemist in 2014-15 om deze regering naar huis te sturen. Dat had een andere dynamiek kunnen realiseren en de arbeidersklasse en arbeidersbeweging de kans gegeven zichzelf in het centrum van de macht te zetten. De focus van de vakbondsleiding werd echter gelegd op het aanhouden van syndicale en politieke protestacties gedurende deze regeringstermijn, om de regering in haar maatregelen te beperken en om verandering te realiseren bij de verkiezingen.

De politieke consequenties?

Een verdere fragmentatie van het politieke landschap en een verdieping van de crisis voor de traditionele politiek is het resultaat van vijf jaar Michel 1. Alle regeringspartijen kregen grote klappen, maar ook de neergang van de N-VA lijkt nu te zijn ingezet.

Het doel van de N-VA om de “nieuwe volkspartij” te worden is een droom gebleken. Zoals we in eerdere teksten stelden, kon N-VA haar spreidstand niet volhouden: het verlies in de verkiezingen en de verdere neergang in de laatste peilingen doen vermoeden dat ze aan beide zijden verliest. Haar rol in de rechtse federale en Vlaamse regering zorgde voor een verlies van kiezers die voor N-VA kozen als anti-establishment partij, samen met het kleine segment Vlaams-nationalistische kiezers stroomden die terug naar het Vlaams Belang. Maar haar beslissing om de regering te doen vallen over het pact van Marrakech – een reactie van de partij om dat verlies in te dijken – doet haar ook een deel van de kiezers verliezen die in de N-VA een verantwoordelijke vervanging zagen van de wegterende CD&V. We schreven in de congrestekst van 2015 over de totstandkoming van de regering-Michel dat de burgerij voor die optie koos vanuit twee redenen: de mogelijkheid om een versnelling hoger te schakelen in de politiek van sociale afbraak en een meer directe aanval te lanceren op de macht van de vakbonden, maar ook om tegelijk de N-VA, die niet onder haar directe controle staat, aan de macht te verbranden zoals ze dat in het verleden meerdere malen deed met nieuw opkomende partijen. Dat laatste is nu deels gelukt, maar de stemmen vloeiden niet terug naar de instrumenten van de burgerij zelf, maar naar een nog minder controleerbare kracht: het Vlaams Belang. Het toont hoe de “oplossingen” die de burgerij vindt om om te gaan met het verlies aan maatschappelijke steun voor haar partijen nieuwe problemen veroorzaakt die het nog moeilijker maken om controle over de situatie te krijgen. Het wegvloeien van electorale steun naar kleinburgerlijke krachten en het onvermogen van de traditionele partijen om zich te herstellen verhogen de onvoorspelbaarheid op politiek vlak en maken dat “avonturen” in de komende jaren niet uitgesloten kunnen worden.

De spectaculaire terugkeer van het Vlaams Belang en de doorbraak van de PVDA en PTB zijn de belangrijkste nieuwe ontwikkelingen. Ecolo werd dan weer net niet de grootste partij in Brussel.

Doorbreken van het cordon sanitaire op de agenda?

Een nieuwe zwarte zondag stond in de sterren geschreven. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen deed de N-VA panikeren. De enige manier om het tij te keren, redeneerde de N-VA, was door nog sterker in te zetten op het anti-immigratie sentiment. Het resulteerde in de Marrakesh-crisis en de vroegtijdige val van de regering. Zo hoopte ze niet alleen het sociale verzet te verdelen en de aandacht van de sociale thema’s af te leiden, maar ook de Vlaams Belang-kiezer terug te winnen. Het draaide anders uit. Het Vlaams Belang pareerde door de N-VA tijdens de verkiezingscampagne frontaal aan te vallen op haar anti-sociale hervormingen en op haar migratiepolitiek, waarbij ze de N-VA vooral veel woorden verweet, maar weinig daden. Op dezelfde manier als de N-VA eerder het Vlaams Belang leegzoog, zijn de rollen nu omgekeerd.

De N-VA bleef weliswaar de grootste partij, maar was verplicht om aan het interne ongenoegen tegemoet te komen en het Vlaams Belang voor de eerste keer mee te nemen naar Vlaamse regeringsonderhandelingen. Geen enkele andere Vlaamse partij verbond zich ertoe een Vlaamse regering met extreemrechts te faciliteren en het cordon bleef behouden. Maar het heeft de normalisering van het Vlaams Belang opnieuw een stap dichter gebracht. Een positie waarvan het VB sindsdien voluit gebruik maakt. Nauwelijks werd bekend gemaakt dat het aan de kant werd geschoven, of het lanceerde een sociale media campagne van 100.000€ om de machtsgeilheid van de N-VA aan de kaak te stellen. Het Belang vult op die manier haar bedrieglijk imago als anti-establishmentsoppositie maximaal in.

Een deel van de Vlaamse politieke rechterzijde heeft geen principiële bezwaren tegen het verbreken van het cordon sanitaire. Jean Marie Dedecker is al lang niet meer de enige die het doorbreken van het cordon preekt. In verschillende Vlaamse partijen gaan er sinds de verkiezingen stemmen op om coalities te sluiten met het Vlaams belang. De ambitie van het nieuwe boegbeeld, Tom Van Grieken, is ook duidelijk: in 2024 de grootste Vlaamse partij worden en het initiatiefrecht verwerven voor de vorming van een Vlaamse regering. Komt daarmee een Italiaans of Oostenrijks scenario, waar geregeerd werd met extreemrechts, voor Vlaanderen dichterbij?

De kapitalistische klasse in België en in Vlaanderen was en blijft zeer wantrouwig tegenover het Vlaams Belang. Dit is ze om dezelfde redenen als waarom de burgerij dat is ten opzichte van figuren als Salvini en Trump. Maar de bepalende factor in België is en blijft toch nog altijd wat dit zou betekenen voor het communautaire vraagstuk, voor het gevaar dat dit inhoudt voor de stabiliteit van het Belgische kapitalisme.

Het doorbreken van het cordon stond op Vlaams niveau na 26 mei niet op de agenda. De N-VA rekte de onderhandelingen met het VB om een deel van de eigen achterban tevreden te houden; om de eigen positie in de latere echte regeringsonderhandelingen (zowel in Vlaanderen als federaal) te versterken door de andere partijen te waarschuwen dat het met de N-VA wel zal moeten als ze niet met het VB willen regeren; maar ook om voor de volgende lokale verkiezingen, indien nodig en mogelijk, het cordon sanitaire in kleinere gemeenten te kunnen doorbreken. Lokale machtsdeelname door het VB kan voor de burgerij wel een optie worden, wanneer ze het nodig acht om het VB mee in het bad van beleidsverantwoordelijkheid te trekken, om zo haar anti-establishmentskarakter aan te tasten. Reeds na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 ondernam de N-VA pogingen om het cordon sanitaire rond het Vlaams Belang te ondermijnen. Onder meer in Ninove blokkeerde de N-VA de vorming van een anti-VB-coalitie en ze zette uiteindelijk een N-VA-raadslid uit de partij die toch steun gaf aan zo’n coalitie.

Indien deze trend zich doorzet, en de volgende gemeenteraadsverkiezingen zijn nog ver weg, dan staan lokale coalities met het VB wel degelijk op de agenda. Over het Vlaamse niveau moeten we veel conditioneler zijn. Pas wanneer de crisis de burgerij dwingt België op te geven, hetgeen ze niet licht zal doen, ook al staat het Belgische model onder druk, zal een coalitie met het VB overwogen worden.

Naar een lange periode van grote politieke volatiliteit

Gelijk welke regeringscoalitie houdt gevaren in voor de deelnemende partijen. De nieuwe doorbraak van het VB maakt het extra moeilijk voor de N-VA om in een regering met de PS te stappen. Toch laat de partij een opening, al was het maar om te voorkomen dat zij gezien kan worden als degene die verantwoordelijk wordt voor de onbestuurbaarheid. Met name Theo Francken: “regeren met de socialisten? Ja, maar alleen onder de conditie van een meer strikte immigratiepolitiek. Hard op migratie, soepel over het sociale luik” (Le Soir 25/9/2019).

Het Deense model, waarbij de Deense sociaal democratie een hard immigratiebeleid koppelt aan een beleid dat voorgesteld wordt als sociaal-economisch links, wordt al een tijd naar voor geschoven als een mogelijk vergelijk tussen PS en N-VA. Dit zou geen onoverkomelijk probleem zijn voor de PS, ware het niet dat de FGTB, bij monde van Robert Vertenueil, voorzitter van het FGTB, onmiddellijk afwijzend reageerde op deze piste. In een interview (Le Soir 25/9/2019) legt hij uit dat de PS niet moet weigeren om te onderhandelen met de N-VA, maar dat wat voor het FGTB van belang is, een regeringsprogramma is dat ons voorziet van een minimumloon van 14€, een pensioen van 1500€, de herfinanciering van de federale sociale zekerheid. Dit zijn de rode lijnen die niet onderhandelbaar zijn. Maar zelfs als een dergelijk programma bespreekbaar zou zijn, zijn we niet bereid gelijk welk compromis te slikken over immigratie. “Het is dus neen aan gelijk welk compromis, is dit duidelijk?”.

De PS zit hier dus in een zeer moeilijke situatie waarbij ze dermate heeft verloren, dat ze haar positie en bestaansreden moet verdedigen, en vooral haar band met de FGTB. Een federale regeringsdeelname van de PS met de N-VA houdt voor de PS even grote gevaren in als voor de N-VA, door de competitie op haar linkerflank met Ecolo en PTB. Ook voor de burgerij houdt dit een groot gevaar in: indien men de PS dwingt in de voor haar slechtst mogelijke constellatie – in coalitie met de MR in Wallonië en de Federatie Wallonië/Brussel (de Franse Gemeenschap) én met N-VA op federaal vlak – de komende jaren een stevig besparingsbeleid verder te zetten, riskeert de burgerij ook haar laatste traditionele partij die een dominante positie heeft behouden in haar taalgebied de genadeklap toe te brengen.

De korte termijn-vereisten kunnen echter overheersen, waarbij vooral gekeken wordt naar een zo sterk mogelijke federale regering die de komende jaren verdere stappen kan zetten in de afbouw van de naoorlogse verworvenheden. Opiniemakers in de media zetten enorme druk op beide partijen, en onder bepaalde omstandigheden kan die druk zo groot worden, dat ze ondanks alles die stap moet zetten, net om de stabiliteit van het kapitalisme op korte termijn te garanderen. De PS zou weliswaar veel liever met paars-groen in zee gaan, zonder de N-VA, en de Vlaams nationalisten in de oppositie uitroken. Maar paars-groen heeft geen Vlaamse meerderheid in de Kamer. Samen met een communautaire oppositie zou dit de nationale kwestie verder kunnen opstoken. Enkel wanneer de N-VA zelf de stekker eruit zou trekken, wat een reële mogelijkheid is, zou paars-groen een mogelijkheid worden, en kan staatsmanschap ingeroepen worden om het land niet zonder regering te laten.

Niets is uit te sluiten, verschillende scenario’s zijn mogelijk, maar ze zijn allemaal van nature zeer instabiel. Wellicht wordt 2019 opnieuw een jaar waarin er geen werkende regering was. De vorige periode van politieke verlamming, met de befaamde 540 dagen zonder regering, zette de klassenstrijd in België op een zeer laag pitje. Er was een anti-politieke stemming en het leidde tot de Shame betoging, die politici vroeg om gelijk welke regering te vormen. Uiteindelijk resulteerde de spanning, opgebouwd door de financiële markten, tot de laatste tripartite onder leiding van Di Rupo. Dat was de laatste tripartite, omdat zelfs deze regeringssamenstelling nu niet meer mogelijk is. De tripartite houdt in Vlaanderen nauwelijks 33% over! De laatste peilingen tenslotte tonen dat ook nieuwe verkiezingen geen soelaas bieden.

Als nodig kan de regering, sinds december vorig jaar in lopende zaken en zonder meerderheid in het parlement, een voorlopig budget opstellen en trachten de meest urgente anti-crisismaatregelen te nemen, waarbij ze voor elke maatregel een meerderheid buiten de regering moet zoeken. Naar aanleiding van het debat over de het nationale klimaat- en energieplan pleitte bijvoorbeeld VBO-topman Timmermans voor een ‘doorstart’-regering: “Als er niet snel zicht is op een nieuwe federale regering, moeten energie en klimaat op de tafel komen van een doorstart-regering, een regering met een beperkte tijd, beperkte ploeg en beperkt programma”. Een dergelijke regering heeft echter geen enkele autoriteit om gelijk welke ernstige inspanningen van gelijk wie te vragen.

Een dergelijke paralyse kan niet lang blijven bestaan. Net zoals de vorige keer zal er druk komen van de financiële markten, zullen mogelijk banken moeten worden gered, kan de versnelde ontwikkeling van de werkloosheid nieuwe noden opwerpen en budgetten onder druk zetten. De middelen daartoe zijn echter zeer beperkt.

Bij ongewijzigd beleid, en zonder rekening te houden met de impact van een nieuwe crisis, zou het begrotingstekort nu al oplopen tot 12 miljard tegen 2024. Rekening houdend met de tekorten van de regio’s, zelfs tot 15 miljard. De schuldgraad liep in de crisisjaren op van 86,9% in 2007 tot 107% in 2014, wat onder de regering Michel opnieuw teruggebracht werd tot 102% van het BBP. Zelfs met een Europese Commissie die haar regels aanpast waardoor ze meer schuld toelaat, of deze regels met nog meer soepelheid toepast, is de ruimte van de Belgische staat om opnieuw banken te redden en de snel oplopende sociale uitgaven te bekostigen, bijna nihil.

Een nieuwe staatshervorming, de mythe van de “twee democratieën” en het potentieel van eengemaakt arbeidersverzet

Een nieuwe ronde van “institutionele” aanpassingen aan de staatsstructuur als poging om terug grip te krijgen over het proces is op termijn onvermijdelijk, zelfs als dit nu niet meteen op de agenda staat. Ook N-VA gaat ervan uit dat er geen meerderheid voor bestaat in het huidige federaal parlement. Theo Francken: “We moeten werken met de kaarten die we uitgedeeld kregen … er is geen tweederde meerderheid voor een staatshervorming” (Radio 1 24/9/2019). Wouter Beke van CD&V stelde reeds voor een commissie op te zetten die een blauwdruk van staatshervorming moet uitwerken tegen 2024. Ook Prévot van de CDh volgde hem daarin na de verkiezingen met een oproep tot institutionele hervormingen.

De arbeidersbeweging staat best zeer wantrouwig tegenover deze “aanpassingen”. Deze discussie gaat, naast het vinden van een institutioneel antwoord op de politieke crisis en verdeeldheid van het politieke landschap, ook over hoe de politiek van de burgerij verdergezet en gegarandeerd kan worden. Het gaat over de verdeling van de centen van de nationale staat en een verdere structurele sanering van de nationale overheidsuitgaven. Decentralisatie wordt gezien als het meest efficiënte middel daartoe, omdat het de eenheid van het arbeidersverzet ondermijnt. De sociale zekerheid wordt systematisch genoemd als enig nog overgebleven bastion van wat rest van de nationale ‘welvaartsstaat’. Een verdere afbouw van de staatsschuld zou doorgeschoven worden naar de lagere besturen, met als voornaamste gevolg dat ook de strijd tegen de besparingen dan “gedecentraliseerd” of verdeeld verloopt.

Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat de PS zou instemmen met een regionalisering van de sociale zekerheid. Het zou haar onmiddellijk op ramkoers zetten met het FGTB en binnen de PS wordt goed begrepen dat een splitsing van de sociale zekerheid de Belgische eenheid totaal zou ondermijnen. Zowel Magnette (Le Soir 4/10/2019) als Brussels burgemeester Close (De Tijd 13/7/2019) wijzen dit idee categorisch af. Blijft de noodzaak voor de afbouw van de sociale zekerheid als laatste grote post waarop federaal bespaard kan worden. De PS heeft in het verleden verschillende malen modellen hiervoor naar voor geschoven, meestal gebaseerd op het idee van alternatieve financiering.

De uitslag van de verkiezingen wordt ondertussen uitgelegd als de bevestiging van het bestaan van “twee democratieën” en aangegrepen om een nieuwe staatshervorming, of confederalisme in het geval van de N-VA, te verkopen als uitdrukking van de wil van de kiezer.

Het is een lezing die eerst in Vlaanderen werd gehanteerd en nu ook door Marcourts speech deels wordt erkend, namelijk dat onder Walen en Vlamingen “de realiteit, de manier van leven, van denken en stemmen meer en meer uit elkaar groeien. De politici moeten oplossingen vinden voor iedereen en Wallonië moet zijn lot in eigen handen nemen”. Dit is een analyse die voorbij gaat aan de basis voor de electorale afstraffing, noord en zuid, niet alleen van de Zweedse partijen, maar ook van die partijen in de oppositie die niet als alternatief worden gezien voor een ommekeer van het besparingsbeleid.

De leiders van de twee grootste vakbonden, noord en zuid, maakten een andere analyse dan die van “twee democratieën”. Eén die vertrekt van de klassentegenstellingen achter het beleid, van de achterliggende sociale bezorgdheden en het verzet van de arbeidersbeweging sinds 2014, dat eigenlijk nooit helemaal uitdoofde.

De voorzitter van het ACV, Marc Leemans, zei onmiddellijk na de verkiezingen: “Als vier regeringspartijen zijn afgestraft voor vijf jaar rechts beleid, dan zou ik twee keer nadenken vooraleer te pleiten voor nog meer rechts beleid”. Daarmee refereerde hij naar het debat dat ontstond in de CD&V waarbij enkele boegbeelden de uitslag van de verkiezingen aangrepen om de partij verder naar rechts te sturen. De breuklijn tussen de vakbond en de partij, een proces dat al langer bezig is, heeft zich verder verdiept onder Michel. En de onderhandelingsnota van De Wever, die o.a. de rol van het middenveld verder wil beperken en die als basis diende voor het Vlaams regeerakkoord, zal dit proces niet tegenhouden als ze wordt aanvaard door de CD&V-top.

Hoe de fel verzwakte CD&V dit beleid zal verkopen aan ACV-leden, is nog maar de vraag. De christendemocraten werden zwaar gestraft voor het asociale beleid van de voorbije jaren. ACV-leden namen massaal deel aan het protest tegen dat beleid. Na de verkiezingen haalden partijkopstukken uit naar de ACV-leiders die voorzichtige kritiek hadden geuit op CD&V. Het maakt de nauwe banden met CD&V ook voor de ACV-leiding stilaan onmogelijk. Peilingen geven bovendien aan dat CD&V verder wegzakt en op weg is naar dezelfde irrelevantie als CDH langs Franstalige kant.

ABVV-voorzitter Robert Vertenueil gaat verder. “De bevolking heeft de regering gesanctioneerd. De Zweedse partijen hebben niet alleen verloren. Ze hebben dermate verloren dat ze hun meerderheid kwijt zijn. De vraag is dus: welk programma kan antwoorden op de boodschap van de burger? Nu vertrekken de regeringsonderhandelingen van wat eventueel mogelijk is met de één of de andere om een regering te vormen … Ik zeg het volgende: begin met de aspiraties van de burgers. Het is nodig om te antwoorden op de sociale bezorgdheden en op al wie in die mate bezorgd is dat ze op extremen hebben gestemd, met inbegrip voor het ontolereerbare extreemrechts. Ik stel voor te vertrekken van een nationaal sociaal en ecologisch urgentieplan dat de loonwet herziet en de koopkracht beschermt, van het optrekken van de sociale uitkeringen boven de armoedegrens (1180€), een verhoging van de minimumpensioenen naar 1500€ en het terugbrengen van de pensioenleeftijd naar 65 jaar (de levensverwachting in goede gezondheid ligt op 64j!), een minimumloon van 14€/u en een plan van publieke investeringen in het sociale en het klimaat”.

Dit is de enige analyse, benadering en programma die vertrekt van de noden van de arbeidersbeweging. De lezing van twee democratieën is erop gericht het signaal van de kiezer te verstoppen achter een communautair en institutioneel verhaal, vertrekkende van het idee dat de Vlaming rechts en de Franstalige links zou zijn, maar dat voorbijgaat aan de gezamenlijke belangen van de Vlaamse, Brusselse en Waalse werkende klasse. Het dient vooral het belang van de burgerlijke klasse, dat de sociale kwestie moet verstoppen, en in deze context er alle belang bij heeft de werkende klasse te verdelen op basis van racisme en nationalisme.

Een eengemaakte campagne en strijdplan voor een programma zoals door Vertenueil verdedigd op lokaal, regionaal en nationaal vlak, gelanceerd door de vakbonden en de linkse partijen, heeft het potentieel om de belangen van de arbeidersbeweging op de voorgrond te brengen. Het zou de dynamiek naar meer regionalisering om dieper te kunnen saneren, kunnen doorkruisen en is een ordewoord dat wij de komende maanden en jaren moeten verdedigen.

Over de gemiste kansen voor een linkse coalitie in Wallonië

Voor en na de verkiezingen zijn de kansen niet gegrepen om een publiek debat te voeren met openbare meetings, acties en vergaderingen op de werkvloer. De oproep voor een “FGTB-coalitie” in Wallonië, rond een programma dat breekt met de besparingslogica en vertrekt van de nodige publieke investeringen om tegemoet te komen aan de sociale noden, gaf daartoe nochtans een uitstekende gelegenheid.

Ook de Waalse regeringsonderhandelingen hadden kunnen aangewend worden door de PVDA om het debat openlijk te voeren. In De Linkse Socialist van deze zomer schrijven we naar aanleiding van het afspringen van de onderhandelingen over een dergelijke coalitie tussen PS, Ecolo en PTB: “De PTB heeft geen vertrouwen in de PS en dat is terecht! De PS heeft de gewoonte om haar programma na de verkiezingen onmiddellijk te vergeten. Maar als de PTB-campagne was ingegaan op het soort van programma dat een linkse regering moet realiseren en waarom dit een breuk met het budgettaire keurslijf vergt, dan had het de PS makkelijker kunnen ontmaskeren door die partij zich te laten uitspreken voor een duidelijke linkse koers of een weigering hiervan. Bij gebrek hieraan denken velen dat een samenwerking toch mogelijk was geweest. Door zelf uit de onderhandelingen te stappen, bood de PTB een kans aan de PS om zich voor te doen als de partij die in tegenstelling tot de PTB wel bereid was om een akkoord te sluiten. Op basis van een offensieve campagne, had een voorstel tot “progressieve coalitie” kunnen gebruikt worden om een krachtsverhouding in de samenleving uit te bouwen. Dit had het PS en Ecolo moeilijker gemaakt om via maneuvers uiteindelijk niet te breken met besparingen.”

Ook het idee van een “Portugese” coalitie (een Waalse minderheidsregering van PS-Ecolo van buitenaf gesteund door de PTB), als alternatief op een PS-PTB-Ecolo coalitie, indien de PTB dit verkoos, om alsnog een linkse regering mogelijk te maken, werd op dezelfde onhandige manier benaderd door de PTB. Wij stelden in het hoger genoemde artikel voor: “Waarom geen strikte voorwaarden stellen op basis van de vakbondseisen die in het PS-programma waren opgenomen (minimumloon van 14€/uur en de vierdaagse werkweek)? De onderhandelingen daarvoor hadden teruggekoppeld kunnen worden aan publieke meetings en personeelsvergaderingen op de werkplaatsen. Op die manier kunnen de vakbonden direct betrokken worden en een bijdrage leveren aan de uitvoering van deze maatregelen.”

Deze opties zijn met andere woorden nooit aangegrepen om daar voor en na de verkiezingen een brede basis in de maatschappij voor uit te bouwen. Vooral de PTB krijgt nu de schuld in de schoenen geschoven van het mislukken van deze optie en het kan haar steun in arbeidersmilieus schaden. Dit betekent niet dat er geen kansen meer zijn of zullen ontwikkelen, maar ze heeft in deze een belangrijke kans laten liggen om op een offensieve manier gebruik te maken van haar electorale positie (en het daarmee gepaard gaande publieke platform) om het soort van initiatieven te nemen die het politieke bewustzijn, de klassenstrijd en het klassenbewustzijn verheffen en die een echte krachtsverhouding kunnen opbouwen. In die zin steunt de PVDA/PTB de sociale strijd wel om haar electorale positie te versterken, maar gebruikt ze haar electorale positie niet om de sociale strijd op te bouwen. Om het volle potentieel te benutten, moet ze zich losmaken van haar electorale koers. LSP geeft echter het perspectief niet op van de opbouw van een brede arbeiderspartij waarin de verschillende tendenzen van de arbeidersbeweging op democratisch wijze georganiseerd zijn.

De PTB blijft uitstekend geplaatst om in deze strijd een rol te spelen. Zeker nu ze ook in Vlaanderen over parlementaire posities beschikt. Hoe ze van dit potentieel en platform al dan niet gebruik zal maken, zal een rol spelen in hoe ze gezien wordt door de arbeidersklasse. In de oppositie kan ze nog een zekere mate van politieke maagdelijkheid behouden. Ondertussen wordt ze door radicaliserende werkenden en jongeren gezien als een links alternatief op de sociaaldemocratie en de groenen. De scores die ze in oktober 2018 bij de gemeenteraadsverkiezingen haalde in de grotere steden in Wallonië rond de 20% en in Vlaanderen rond de 10% is het niveau dat ze bij volgende verkiezingen kunnen halen. Dit betekent geenszins dat er geen ruimte zou zijn voor de ontwikkeling van een sterke revolutionaire pool, eerst en vooral in de strijd, maar in een latere fase ook op het electorale terrein.

In een verhelderend interview legt Raoul Hedebouw uit wat de strategie is van de PTB. Op de vraag van de journalist wanneer ze dan wel bereid zijn in een coalitie te stappen zegt hij: “Het is niet nodig 50% te behalen om de culturele hegemonie van links te hebben … We moeten op gelijke hoogte komen als de PS. Het hangt ook af van de score van Ecolo. In Zelzate was een coalitie mogelijk met de SP.a omdat we gelijkaardige scores behalen. Wanneer je 14% haalt en Elio De Rupo haalt 28%, laat hij je al snel begrijpen dat hij zich niets aantrekt van je programma … We moeten de lessen trekken van de eerdere nederlaag van Ecolo die aan de macht kwam zonder een echte breuk te kunnen realiseren. Als we de analyse maken van de regeringsdeelnames van radicaal links zoals Die Linke in Duitsland, waar ze deze breuk ook niet hebben kunnen maken, zien we dat ze daarna gerold worden door extreemrechts.” Het feit dat de PTB na de breuk in de onderhandelingen nu zegt dat er nood is aan een breuk met het budgettaire carcan is belangrijk. Een eis die we met Gauches Communes in St Gillis hebben gepopulariseerd naar een breder publiek. Maar de PTB heeft een uitsluitend electorale visie op hoe ze aan een krachtsverhouding kan bouwen om een dergelijke breuk in het beleid te realiseren.

Het stelt de PS in staat de band tussen haarzelf en de FGTB, die nochtans de laatste decennia verschillende keren zwaar onder druk is komen te staan, nog min of meer te behouden. Maar een nieuwe federale regeringsdeelname, en de leiding die ze neemt in de regionale regeringen in Wallonië en Brussel, op een programma dat niet breekt met de budgettaire beperkingen, zal deze band verder ondermijnen en leidde reeds tot acties in Brussel en Luik tegen de lokale en regionale besturen waar de PS aan de macht is.

Revoltes tegen sociale tekorten mogelijk op alle niveaus

Een voorbeeld van een dergelijke strijd is die van het gemeenschappelijke vakbondsfront binnen de lokale en regionale besturen in Brussel (gemeenten, OCMW’s, en de ziekenhuizen van het IRIS-netwerk) in 2018. Reeds vóór de gemeenteraadsverkiezingen formuleerde het personeel een reeks van offensieve eisen. Het personeel eiste onder meer een herwaardering van de loonschalen en de afschaffing van de laagste schaal die voor regionale ambtenaren niet meer bestaat. Daarnaast is er de eis om alle personeelsleden statutair te maken en voor een collectieve arbeidsduurvermindering met compenserende aanwervingen. Een vakbondsvergadering stemde in september 2018 over een reeks acties waaronder interpellaties van elke Brusselse gemeenteraad, een werkonderbreking in oktober en een stakingsdag op 8 november 2018.

Een van de karaktertrekken van deze strijd is haar dynamiek van algemene vergaderingen. Voor het actieplan van 2014 waren dergelijke personeelsvergaderingen die collectief de organisatie en de eisen van de strijd bespreken en beslissen bijna verdwenen van de werkvloer. Tijdens de beweging tegen de regering Michel werden dergelijke algemene vergaderingen georganiseerd op een aantal werkplaatsen. Dit blijft nog altijd beperkt vandaag maar deze reflex kan snel terug ontwikkelen, gestimuleerd doordat het overlegmodel blokkeert. In Brussel breidt deze benadering uit als een olievlek in het netwerk van het personeel van “zorg in strijd” en we hebben het ook zien terugkeren in de strijd van de Brusselse brandweer in juni 2018. In het geval van de “zorg in strijd”, brengen deze algemene vergaderingen trouwens niet alleen alle vakbonden samen in een gemeenschappelijk vakbondsfront, maar ook personeel van zowel de publieke als de privé-werkplaatsen.

Tijdens de regionale verkiezingscampagne van mei 2019 trokken de personeelsleden in de sector opnieuw naar de partijen. Met name de PS had tijdens haar campagne beloofd dat er vooruitgang zou worden geboekt als de verkiezingsresultaten het mogelijk zouden maken. Daar bleef na de verkiezingen niets van over. Nadat Rudy Vervoort opnieuw als minister-president was aangesteld en een regeerakkoord was ondertekend, trok het gemeenschappelijke vakbondsfront zijn conclusies: het regeerakkoord bevatte geen ambitie of financiële steun voor de opwaardering van lokale overheidsfunctionarissen. Verrassing en woede leidde tot discussie en de ontwikkeling van een actieplan in het najaar van 2019. Het actieplan dat in de lokale besturen in Brussel aan de gang is, is een front tegen de bezuinigingen die de discussies tijdens de verkiezingsperiode op bekwame wijze koppelt aan concrete acties op de werkvloer om een reeks eisen te populariseren en te ondersteunen. Een front dat een inspiratie kan zijn voor strijd buiten de sector.

Het toont hoe de partij, ter ondersteuning van de kameraden in de sector, gebruik kan maken van het programma dat ontwikkeld werd tijdens onze verkiezingsdeelname met de lijsten van Gauches Communes in Brussel. We verdedigden: een radicaal investeringsplan van de overheid om in de behoeften te voorzien, tekorten aan te vullen en gefinancierd door de kwijtschelding van overheidsschulden en door de nationalisatie van de banksector. Om aan de behoeften van de werknemers te voldoen, moeten de vitale sectoren van de economie onder democratisch gemeenschapsbeheer worden geplaatst, zodat een economie kan worden opgebouwd die gericht is op de behoeften van de meerderheid en niet op de wedloop naar de winst van een kleine groep. De discussies in de lokale en regionale besturen in Brussel, maar ook bij de brandweer of in de zorgsector, moeten het mogelijk maken om de discussie over dringende socialistische maatregelen en de noodzaak van een revolutionaire verandering in de samenleving vooruit te helpen.

Geen enkele regionale regering of lokaal gemeentebestuur komt tegemoet aan de noden en allen gaan vroeg of laat in confrontatie met de verzuchtingen van de werkende bevolking.

Het Vlaamse regeerakkoord zet dan weer met haar versie van “eigen volk eerst” programma haar politiek van verdeel-en-heers door. Er wordt bespaard op integratie en inburgering, om kruimels te geven aan gepensioneerden en de te lage lonen te compenseren. Zo wordt de indruk gecreëerd dat men gaat voor “de eigen mensen”. Maar de maatregelen in het onderwijs bijvoorbeeld reduceren de toegankelijkheid tot het hoger onderwijs, bestraft de (sociaal) zwakkere studenten in hun studieparcours en het ‘rationaliseren’ van het studieaanbod in het hoger onderwijs is een verdere besparing terwijl eigenlijk een serieuze herfinanciering nodig is. Vlaamse leerkrachten zullen niet langer vast benoemd worden en verplichte gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen zal dan weer publieke jobs in publieke diensten vervangen door niet of nauwelijks betaalde jobs en zo een verdere druk zetten op de lonen. Het asociaal beleid wordt gecamoufleerd met een discours en politiek dat de verdeeldheid langs racistische, religieuze en communautaire lijnen versterkt. De hele werkende klasse wordt zo geraakt, van gelijke welke afkomst.

Het perspectief voor regionalistische reflexen

De ontwikkeling van de sociale strijd zal bepalend zijn voor de ontwikkeling van de nationale kwestie. Het ontbreken van een initiatief en dynamiek van veralgemeende strijd of het ontbreken van correcte ordewoorden van een strijd die op een bepaald moment ontwikkelt in deze of gene regio, waarbij actief opgeroepen wordt tot solidariteit van de werkenden aan de andere kant van de taalgrens, kan het potentieel voor de ontwikkeling van nationalistische reflexen aanwakkeren.

Zoals de veralgemeende dynamiek en actieplan van 2014 de nadruk legde op en het bewustzijn versterkte van het potentieel van een verenigde arbeidersklasse in strijd, laat een periode van teleurstelling ruimte voor regionalistische reflexen. Deze reflexen zijn tot nu toe vooral af en toe hoorbaar aan de top en in het middenkader van de Waalse vakbonden, met een zekere echo aan de basis. Sommige vakbondsleiders willen daarmee hun eigen verantwoordelijkheid in het naar voor schuiven van de noodzakelijke ordewoorden die de beweging kan ontwikkelen, ontlopen. Bij andere kan er een eerlijke bevraging komen, op basis waarvan ze tot de conclusie komen dat als het niet lukt om tot een nationale beweging te komen, we het dan maar regionaal moeten proberen. Het is het resultaat van een foute analyse over waarom de beweging haal doelstellingen niet heeft gerealiseerd.

De ongelijke ontwikkeling van het tempo van de strijd kan leiden tot een verschillend sentiment onder de arbeidersklasse. Daar moet rekening mee gehouden worden, maar niet noodzakelijk op gewacht worden. Een strijd in één bepaalde sector of regio behoudt altijd het potentieel om op basis van het succes van haar strijd het enthousiasme te genereren om de strijd uit te breiden en zo de verdeeldheid op communautaire basis overstijgen. Maar dat vergt een bewuste politiek om in elke fase van en in elke strijd de gemeenschappelijke belangen te benadrukken en daar organisatorische conclusies aan te verbinden.

Een reflectie van de effecten van een ongelijke ontwikkeling kwam tot uiting in het interview met de Waalse ex-CNE topman Tony Demonte (De Standaard 24/9/2019) waarbij hij stelde : “het was steevast Vlaanderen dat oplegde niet tot een algemene staking over te gaan …”. Zijn overtuiging is dat het overwicht aan Nederlandstalige vakbondsleden leidt tot een “dictatuur van de meerderheid”. Een uitstekende les om in gedachten te houden is de communautaire splitsing van het ABVVV-Metaal in 2006. De splitsing ging uit van de Franstalige vleugel, die als voornaamste argument naar voor bracht dat het hen zou mogelijk maken “hardere acties” te voeren, door de basis gevraagd, maar geblokkeerd “door de Vlamingen”. Sindsdien zette de desindustrialisering zich verder en met o.a. de (gedeeltelijke) sluiting van Caterpillar, Arcelor, NLMK-Clabecq was er geen fundamentele verandering van de vakbondsstrategie merkbaar: wel een zoektocht naar een overnemer, maar geen eisen voor nationalisatie, wat uiteindelijk uitmondde in een strijd voor een sociaal plan, net als in Vlaanderen. In die zin is er een vergelijking met de splitsing van de onderwijscentrales : eerder dan een vooruitgang door het vrijmaken van de meer strijdbare krachten leidde het tot een achteruitgang door de splitsing van de strijd – geen enkele overwinning werd sindsdien nog geboekt. In het licht van een ongelijke ontwikkeling van het bewustzijn kunnen communautaire breuklijnen ontstaan. Maar meer algemeen kan een deel van de voorhoede zich, in een poging om sneller te gaan, isoleren van de hele klasse. Dit wordt geïllustreerd door de spanningen die kunnen bestaan tussen de CNE en de CSC en tussen de arbeiderscentrales van het ABVV en de BBTK.

Tot nu toe is deze regionale reflex onder arbeiders niet dominant, noch in de Vlaamse, Brusselse of Waalse arbeidersbeweging. Ze werd en wordt vooral binnengebracht door de politici die een regionalistisch discours en politiek hanteren om de aandacht af te leiden van de sociale kwestie. Maar dat kan snel veranderen, afhankelijk van de dynamiek van de klassenstrijd. Het zijn deze ontwikkelingen in de strijd en in het bewustzijn waarvoor we de komende jaren heel attent moeten blijven en waarvoor we moeten waarschuwen. Als dit zich zou ontwikkelen, zullen we daar in onze ordewoorden rekening mee moeten houden.

Het gevaar van extreem-rechts en de strijd ertegen

In een aantal landen is het extreem-rechts dat domineert en meedingt naar de medaille van uitdager van het politieke establishment. Dat is zeker zo in Vlaanderen, met een Vlaams Belang dat zeer zelfvertrouwd en offensief een ‘eigen volk eerst’-programma uitdraagt. Dit is zeer gevaarlijk in een politiek instabiele context. Het VB begrijpt heel goed het potentieel dat ze vandaag heeft en probeert het momentum vast te houden. Wat we ervaren hebben op de festivals, met de aanwezigheid van kleine maar georganiseerde Schild en Vrienden groepjes jongeren, was niet totaal onverwacht. We hebben concreet besproken voor de zomer dat dit een te verwachten scenario kon zijn. Een verslag van een leerkracht in De Standaard deze zomer (26/8/2019) schatte dat 5 op de 25 jongeren in haar klassen beïnvloed zijn door S&V. Deze leerlingen zijn zeer mondig en verklaarden bijvoorbeeld dat zij het type leerkracht is waartegen opgetreden moet worden door hen aan te geven bij de schoolbesturen. Dit is slechts een anekdote, maar sprekend voor de veranderingen die plaatsvinden. Zo is er ook een toename van racistisch geweld en openlijke intimidatie. De klimaatjongeren van Y4C werden door S&V geviseerd op Pukkelpop en andere festivals en de radicale Vlaamse vlag was op de festivalweides aanwezig. Hoewel dit nog steeds een minderheid is en vele jongeren er zich ook tegen uitspreken, wat bleek uit het protest toen Dries Van Langenhove met zijn S&V op één van de klmaatprotesten wilde meestappen, is de anti-racismebeweging in het defensief. Er ontbreekt een programma en organisatie waarin jongeren zich kunnen organiseren en het zelfvertrouwen vinden om deze extreem-rechtse jongeren van antwoord te dienen.

“Change is coming, if you like it or not”

De klimaatcrisis raakt vandaag aan de essentie van wat jongeren tot politieke actie en een zoektocht naar alternatieven drijft: de confrontatie met een grimmige toekomst en het conflict met de “business as usual” van de gevestigde orde. In de huidige context van crisis van het establishment is het één van de thema’s waarvoor het establishment alle krediet heeft opgebruikt en waarrond antikapitalistische ideeën zich het het breedst kunnen verspreiden. In de komende jaren kan de zoektocht naar antwoorden op de ecologische crisis elementen van een socialistisch programma concreter maken.

De klimaatbeweging van 2019 betekende in België een belangrijke breuk met de voorbije 15 jaar. Er is al lang een bewustzijn aanwezig rond het thema, gedomineerd door kleinburgerlijke ideeën en methodes. De afgelopen jaren manifesteerde zich ook een wijdverspreid gevoel van hoogdringendheid. Dat werd onder andere gevoed door de conclusie van het IPCC rapport uit 2018, namelijk dat we nog maar 12 jaar hadden om een catastrofe te voorkomen. Tegelijkertijd werd de afgelopen jaren in de media explicieter benoemd dat de grote vervuilers steeds meer vervuilen terwijl jongeren en werkenden inspanningen moeten leveren om hun eigen ecologische voetafdruk zo laag mogelijk te maken of houden, vaak gestimuleerd door allerlei asociale taksen. Het zijn deze elementen die gezorgd hebben voor een zeer groot doorzettingsvermogen bij de klimaatstakers en dat ze het stakingswapen als een zeer bewuste keuze introduceerden bij een nieuwe generatie. Voor het eerst sinds de anti‐oorlogsbeweging werd staken en betogen massaal gedragen als actiemethode onder scholieren. Waar we in 2014 voor de scholierenstaking in Gent alles uit de kast moesten halen om scholieren te overtuigen van het wat en hoe van stakingsacties en betogingen, was dit nu een evidentie. Jonge vrouwen, in het bijzonder geradicaliseerd door het verzet tegen seksisme en nog meer geconfronteerd met een gebrek aan toekomstperspectief, zijn opvallend sterk vertegenwoordigd in deze beweging

De oproep tot wekelijkse nationale betogingen werd massaal beantwoord en kende onverwacht een steeds groeiende dynamiek. Het creëerde ook een enorme respons op de oproep om zich te organiseren – we haalden contactgegevens op van honderden scholieren met ons voorstel voor klimaatcomités. Youth for Climate speelde in die zin een belangrijke progressieve rol. Tienduizenden jongeren werden geënthousiasmeerd en de klimaatbeweging werd in een zucht naar een hoger niveau getild.

Van bij het begin was er een sterk intuïtief anti-systeemgevoel aanwezig. Ook bij Anuna De Wever en Kyra Gantois. In een interview in januari zegt Anuna De Wever dat “het hele fucking systeem fout zit”. Ze voegt eraan toe “dat het altijd om geld en jobs gaat, terwijl er eten genoeg is op aarde om iedereen te voeden”. Op de opmerking van de journalist, die zegt dat de klimaatbeweging met dit soort standpunten loodrecht op de economische logica botst, antwoordde ze: “dat weet ik, maar fuck de economische logica, er is echt iets fundamenteels mis met ons geldsysteem!”

Met onze politieke interventie vonden we in de allereerste donderdag-stakingen een enorme weerklank om dit anti-systeemgevoel te concretiseren. Onze slogan, “internationaal verzet tegen de vervuiling van het kapitaal” werd in de allereerste donderdag-betoging doorheen heel de betoging overgenomen. Van bij het begin was er een heel grote steun voor de aanpak van de grote vervuilers, maar vooral de eis voor meer, beter en gratis openbaar vervoer werd gedragen en begrepen door zowat alle klimaat-stakers. De oproep die we in een aantal Gentse comités gebruikten om in aanloop van de internationale staking voor het klimaat op 15 maart samen te zitten met de syndicale delegatie van Arcelor Mittal en met hen een eisenpakket aan de directie van Arcelor Mittal op te stellen en een betoging naar de fabriek te organiseren, maakte de slogan “pak de grote vervuilers aan” en “een benadering op de werkende klasse” heel concreet voor heel wat scholieren. Het werd jammer genoeg nooit geconcretiseerd, maar het illustreert hoe scholieren zochten naar invulling van hun actie en welke ruimte er toen bestond om “System Change” een concrete invulling te geven.

De methode van stakingen zorgde bovendien ook voor een intuïtief gevoel van noodzaak aan steun van de “werkenden” en de vakbonden. Heel wat militanten en vakbondsleden waren zelf ook geënthousiasmeerd. Dat heeft de syndicale bureaucratie gedwongen om van 13 februari een staking te maken, eerder dan een actie zoals oorspronkelijk voorzien. Ook aan de piketten zelf was het effect van de strijdbaarheid van de jongeren merkbaar.

Tegelijkertijd wordt de ontwikkeling van een beweging altijd mede bepaald door de objectieve omstandigheden waarin ze start. De combinatie van een gebrek aan ervaring met massabewegingen en politieke discussie, maar vooral ook het onmiskenbare pijlsnelle succes van de klimaatbeweging in haar eerste weken (op drie donderdagen tijd met 3.000, 15.000 en 40.000 voornamelijk nederlandstalige stakers in de eerste weken en later uit alle delen van het land, gevolgd door een nationale betoging op zondag met opnieuw bijna 100.000 en zelfs het ontslag van Joke Schauvliege) heeft het moeilijker gemaakt om de directe noodzaak aan democratische organisatie en politieke invulling van de beweging zichtbaar te maken.

Wanneer Anuna De Wever en Kyra Gantois na de eerste succesvolle actie de nationale en zelfs internationale media haalden, stelde er zich een directe nood aan know-how, media skills en organisatie. Het is in dat gat dat vooral de NGO’s sprongen. Ze stimuleren de positie van Anuna De Wever, Kyra Gantois et d’Adélaïde Charlier aan Franstalige kant als onbetwiste woordvoersters van de beweging, argumenteren expliciet tegen organisatie van de beweging via comités van onderuit en pleiten voor een beweging die zo gedepolitiseerd mogelijk is. Er wordt wel nog wel gerefereerd naar een sociale klimaattransitie, maar die wordt heel vaag gehouden. De oproep aan de vakbonden om deel te nemen was er wel, maar werd niet vertaald in eisen om de arbeidersklasse te mobiliseren en jongeren te wapenen. Ook de vakbondsleiding zelf nam geen initiatief om de beweging mee richting te geven en verstopte zich achter het argument dat het een “beweging van scholieren was”.

Het uitblijven van ordewoorden voor de lokale inplanting van de beweging op basis waarvan de beweging haar eigen eisen kon ontwikkelen, heeft de ruimte geboden aan de regeringspartijen om de beweging af te doen als een generatieconflict en een conflict tussen wat nodig is en wat mensen bereid zijn om op te offeren. Het anti-systeemgevoel werd deels terug overspoeld met discussie over individuele maatregelen, zoals een vliegtaks en een verbod op plastic rietjes. De greenwashing campagne Sign For My Future van big business heeft zich ook kunnen nestelen en werd zelfs door Youth For Climate ondertekend. De afkeer van onderuit was groot, maar er waren geen comités om de discussie in de beweging te voeren.

Met het voorstel voor een klimaatwet en een claim dat ze de enige echte politieke vertegenwoordigers van de beweging waren, leken Groen en Ecolo de verkiezingen al gewonnen te hebben. Een peiling in februari – op het hoogtepunt van de scholierenstakingen – zette Groen nog op de tweede plaats in Vlaanderen. Nogmaals blijkt dat verkiezingen geen automatische vertaling zijn van de sociale beweging, maar dat de regeringspartijen de agenda grotendeels kunnen bepalen indien die sociale beweging geen programma en methode heeft om het momentum verder op te bouwen en bredere lagen te overtuigen en te betrekken. Groen bekoopt haar neoliberale programma met een onder de verwachting blijvende score. Haar ideologische basis verhindert haar om de klimaatkwestie te vertalen in collectieve antwoorden die de verzuchtingen van de arbeidersklasse mee in rekening nemen.

Het conflict binnen Youth for Climate was een uiting van het gebrek aan democratische organisatie van de beweging en het uit de weg gaan van de politieke stellingname door te zeggen dat het klimaat noch links, noch rechts is. Anuna De Wever had voor de verkiezingen al opgeroepen aan de N-VA en het Vlaams Belang om klimaatpioniers te zijn en de verwarring die door het povere resultaat van Groen ontstaan was, heeft de interne spanningen versterkt en versneld.

In de loop van de beweging, wanneer de nationale betogingen hun initiële verrassingseffect hadden verloren en de beweging niet werd gestructureerd, vertaalde het gevoel voor urgentie zich in een zoektocht naar andere, meer radicaal ogende methoden. Er waren de bezetting van de Wetstraat in maart, het kamperen aan het koninklijk paleis en de opmars van Extinction rebellion. Dat soort actiemethoden kan helpen om de urgentie opnieuw in de verf te zetten en de gevestigde macht expliciet uit te dagen, maar het is ook een uiting van ongeduld en het botst voorlopig op hetzelfde gebrek aan eisen (en democratische structuur) die gericht zijn op de uitbouw van een massabeweging.

De internationale klimaatstaking op 20 september onderstreepte hoe cruciaal het internationale karakter van de beweging is. Wereldwijd ontwikkelt de beweging op een verschillend ritme, waardoor een vertraging in een bepaald land gecompenseerd kan worden door een opgang in een ander. Er kwamen 4 miljoen mensen op straat, met hoogtepunten in Australië, Duitsland en de VS, maar ook in Afrika en Azië.

Ook in België toonden de 15.000 betogers op 20 september dat het gebrek aan leiding de beweging nog niet heeft afgestopt. Nu de oriëntatie op de verkiezingen wegvalt, de ervaring van vorig jaar verteerd is en een volgende generatie scholieren op het toneel verschijnt, lijkt het erop dat bij bepaalde lagen ook een meer openlijke zoektocht naar organisatorische en politieke ideeën ontwikkelt en een openheid voor een expliciet antikapitalistische benadering.

De vooruitstuwende impact die Greta Thunberg daarop heeft, is niet te onderschatten. Ze wijst de vinger heel duidelijk naar het winstsysteem en diens politieke verantwoordelijken. Ze biedt daarmee weerstand tegen de pogingen om het debat telkens terug te brengen tot individuele verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd impliceert ze onrechtstreeks wel dat het systeem en de politieke verantwoordelijken een andere keuze kunnen maken. Waar wij het verschil kunnen maken, is door uit te leggen dat het kapitalisme geen andere keuze heeft en dat de vertegenwoordigers van het systeem hun eigen bestaansvoorwaarden niet zullen ondergraven.

Wereldwijd is het de eerste generatie van de crisisgeneratie Z die echt op het actietoneel verschijnt. Een nieuwe internationale crisis zal, gecombineerd met de ecologische crisis, vooral onder jongeren het idee verder voeden dat we met een systeemcrisis te maken hebben en een meer politieke radicalisatie teweegbrengen waarbinnen een socialistische kritiek en of socialistisch perspectief beter aansluiting begint te vinden bij het gevoel van urgentie. Met onze benadering om jongeren samen met ons via actie kennis te laten maken met onze overgangseisen, de noodzaak aan een democratische beweging en de cruciale rol van de arbeidersklasse in de strijd voor een andere maatschappij, moeten we elke kans grijpen om de uitbouw van een revolutionaire jongerenorganisatie én revolutionaire partij onder jongeren concreet te maken.

De strijd tegen seksisme en discriminatie

De internationale vrouwenbeweging is een andere belangrijke uitdrukking van de crisis van het kapitalisme en hoe die er niet in slaagt tegemoet te komen aan de verwachtingen. De directe en indirecte effecten van de crisis op het leven van vrouwen en jonge meisjes leidde tot een internationale revolte en een radicalisatie in het bewustzijn. Ook in België heeft dit een belangrijk effect gehad.

Voor het derde jaar op rij vindt in november een betoging plaats tegen geweld op vrouwen (2000 betogers in 2017, 5000 in 2018, misschien twee keer zoveel in 2019). Geweld tegenover vrouwen wordt steeds meer gezien als een wijdverbreid fenomeen dat inherent is aan de samenleving en niet aan de menselijke natuur. De moord op Julie Van Espen in mei 2019 veroorzaakte grote emotionele beroering. “We accepteren het niet langer”, dat was het gevoel dat heerste tijdens de bijna spontane mobilisatie van 5000 mensen in Antwerpen en dat gedeeld werd door een laag vrouwen die veel verder reikt dan militante kringen. Een maatschappelijk debat over justitie volgde. Het is echter onmogelijk om recht te spreken met zo’n gebrek aan middelen, in die mate dat rechtbanken worden gesloten voor onhygiënische omstandigheden. Bij gebrek aan specifieke opleiding is het dan ook niet verwonderlijk dat de rechterlijke macht in de ‘valkuil’ trapt van het veroordelen van het slachtoffer in plaats van de verdachte. Maar de massabeweging in de Spaanse staat naar aanleiding van het “wolfpack”-proces heeft aangetoond dat dit een verschil kan maken! Desalniettemin blijft de juridische kant van de zaak onvoldoende.

Voor jonge vrouwen trekt het probleem van de onveiligheid het meest de aandacht, in combinatie met een sterkere afwijzing van seksisme en het systeem. Hoewel men hen belooft dat zij onafhankelijk zijn in hun keuzes (kleding, uitstapjes enz.), worden deze keuzes beperkt uit angst om aangerand te worden of uit angst om verantwoordelijk te worden geacht wanneer dat gebeurt. Anders dan bij diefstal stelt 80% van de bevolking het slachtoffer van verkrachting deels verantwoordelijk. Het establishment beperkt zich tot goedkope maatregelen die de verantwoordelijkheid bij het individu leggen (“Gil jij als iemand wordt lastiggevallen?” van de MIVB), soms zelfs seksistisch (“Wat als het JOUW vrouw was?!” in Antwerpen). Maar als het gaat om de bestrijding van geweld met bijvoorbeeld veilig openbaar vervoer (met uitgebreide rijtijden en voldoende personeel) of voldoende sociale huisvesting om mensen in staat te stellen te verhuizen wanneer nodig: niets. Bij gebrek aan budget voor onderwijs- en gezinsplanningscentra (of andere structuren) vindt seksuele “opvoeding” nog steeds hoofdzakelijk plaats via pornografie. De objectivering van vrouwenlichamen en het onbegrip over wat onderlinge toestemming is, blijven bestaan. Voor psycho-medische-sociale ondersteuning is het gebrek aan financiering even acuut. Zo kunnen in België drie ziekenhuizen verkrachtingsslachtoffers ontvangen en een totale opvolging bieden, een heel belangrijke stap in de goede richting. Maar het gebrek aan middelen dwingt andere ziekenhuizen ertoe slachtoffers te weigeren vanwege te weinig personeel. In maart 2018 veroorzaakte dat een schandaal in de regio Verviers.

Geweld tegen vrouwen kan niet worden bestreden zonder besparingen en onzekere jobs aan te pakken. Van de 10% van de laagstbetaalde werknemers is 70% vrouw (ongeveer 10 euro bruto per uur) en 83% van de deeltijdbanen bevinden zich in “vrouwelijke” sectoren. Het is van cruciaal belang een aantal eisen te populariseren zoals: een uurloon van ten minste 14 euro bruto; een collectieve arbeidstijdverkorting zonder loonverlies met compenserende aanwervingen van meer dan 100 procent; het stimuleren van syndicalisatie in precaire sectoren, waar vrouwen vaak in de meerderheid zijn.

8 maart (15.000 deelnemers in 2019) is opnieuw een vaste datum in de strijdkalender en de ROSA-campagne speelt een centrale rol in het promoten van de methoden van de arbeidersbeweging. Maar het hele jaar door gaan een reeks sectoren waarin vrouwen in de meerderheid zijn (openbare sector, non-profit, distributie) de strijd aan. Dit is momenteel het geval in de ziekenhuissector (zie hierboven). Maar tijdens de vorige legislatuur is de non-profitsector in zijn geheel gemobiliseerd op nationaal niveau (juni 2017, 17.000 in maart 2017, 20.000 in november 2016 …). In Wallonië zijn instellingen die gebruik maken van APE (gesubsidieerde tewerkstelling met 70% vrouwen) tot viermaal toe op straat gekomen (tot 12.000 mensen, bovenop de militante vakbondskringen) tegen een hervorming van de APE. De solidariteit uit andere sectoren was belangrijk om een overwinning binnen te halen. Maar het was misschien wel bij Lidl dat de strijd het meest exemplarisch waren. De werknemers van Lidl zijn eind april 2018 in staking gegaan voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. De staking werd van onderaf opgestart, ondanks de sterke druk van het management. Nooit eerder heeft Lidl een staking van een dergelijke omvang meegemaakt. De stakers kregen 42 overuren per week per winkel, waarbij voorrang werd gegeven aan het aanvullen van deeltijdwerk (geconcentreerd bij de vrouwelijke werknemers van het bedrijf). De directie probeert nu echter die overwinning te omzeilen: de strijd is niet voorbij!

Conclusies

Het is een ongewone pre-congresperiode geweest. De tijd ontbrak om nog tot een uitgebreid en volledig uitgebalanceerd perspectievendocument te komen. Hier werd getracht de belangrijkste ontwikkelingen te schetsen als leidraad tot actie.

Het IEC in augustus was de conclusie van een politieke revolutie binnen de rangen van het CWI. Tegelijk was het een wake up call en het heeft ons als Internationale en in onze nationale secties ook alerter en scherper gemaakt. De oorzaken van de crisis komen in de internationale teksten en in onze IB’s uitgebreid aan bod. Maar de moeilijkheden van de laatste 10 tot 15 jaar om te bouwen, waardoor we in een aantal landen onvoldoende in staat bleken onze afdelingen en leiding systematisch te hernieuwen en te dynamiseren, hebben ongetwijfeld een grote rol gespeeld. Aan de top van onze Internationale groeide in de loop der jaren een vermoeide en conservatieve reflex, waardoor een meer directe confrontatie met de meest dynamische secties en delen van het CWI onvermijdelijk was. Het was voor alle afdelingen van het CWI een uitdaging om aansluiting te vinden met de reëel ontwikkelende klassenstrijd en -bewustzijn. Een aantal afdelingen deden dit zeer succesvol, zoals die van Ierland en de VS en konden op basis daarvan boven hun gewicht een sociale en electorale basis opbouwen. In de VS ging dit gepaard met een diepgaande radicalisering en openheid die zich ontwikkelde voor socialistische ideeën, op basis waarvan onze afdeling er spectaculair kon groeien. In Ierland bleef die openheid achter en konden we niet op dezelfde manier, op basis van de vele strijdbewegingen waaraan onze leden leiding gaven, onze partij en kader versterken. We zijn er echter bijzonder goed gepositioneerd, waarbij onze partij en onze verkozenen een enorme autoriteit genieten.

Een nieuwe recessie zal van de volgende periode een zeer explosieve maken. Belangrijke voorlopers waren de internationale massabewegingen voor vrouwenrechten en de massale klimaatbeweging waarin een nieuwe generatie van jongeren en jonge arbeiders voor het eerst in actie gingen. Ze hebben de dynamiek en het potentieel van massa strijd opnieuw op de voorgrond gebracht. In de VS is de trend naar syndicalisering, nu gestimuleerd en aangemoedigd door de positie die Sanders inneemt, een zeer belangrijke ontwikkeling.

Het onvermogen van het politieke establishment om ook maar een begin van antwoord te vinden op de crises waarmee het kapitalisme wordt geconfronteerd, wordt steeds duidelijker. Lenin legde uit dat een laatste crisis van het kapitalisme niet bestaat. Ook nu zal de kapitalistische klasse de ruimte die het krijgt door een nog altijd onvoldoende ontwikkelde arbeidersbeweging gebruiken. Belangrijke debatten over een verandering van politieke richting vinden plaats. We moeten er ons in engageren en de limieten van elke strategie dat binnen de grenzen van het kapitalisme blijft aantonen.

De beste manier om de partij zo goed mogelijk voor te bereiden op de zeer turbulente periode die voor ons ligt, is om dit congres zo intensief mogelijk voor te bereiden, waarbij we zoveel mogelijk leden willen betrekken. Een kortere resolutie met taken, prioriteiten en doelstellingen zal het sluitstuk vormen.

Print Friendly, PDF & Email