Recensie: “Het socialistisch manifest” van Bhaskar Sunkara (Jacobin)

In zijn State of the Union van dit jaar verklaarde Donald Trump dat “Amerika nooit een socialistisch land zal worden.” Meer recentelijk verklaarde hij dat hij in 2020 zal opkomen om een “socialistische overname te bestrijden.” Waarom hebben we ineens deze antisocialistische retoriek? Omdat socialistische ideeën een comeback maken! Uit een recente Gallup-enquête blijkt dat 58% van de Amerikanen tussen de 18 en 34 jaar van mening is dat het socialisme goed is voor het land. Dit wordt weerspiegeld in de populariteit van het tijdschrift Jacobin en in het bijzonder zijn website, met meer dan anderhalf miljoen views per maand. Redacteur Bhaskar Sunkara publiceerde “The Socialist Manifesto” dan ook op het juiste moment. We publiceren een recensie van dit manifest door Kevin Henry van de Ierse Socialist Party.

Het eerste hoofdstuk van The Socialist Manifesto van Bhaskar Sunkara geeft de lezer een schets van hoe een fabrieksarbeider in New Jersey over een periode van twintig jaar zijn lot zou kunnen zien verbeteren wanneer een “links populistische beweging” het presidentschap en een meerderheid in het Congres wint om sociaaldemocratische hervormingen door te voeren, ondersteund door “verzet van onderuit door de arbeidersbeweging.” Tien jaar later heeft een “socialistische coalitie een mandaat om de samenleving te veranderen” en gaat deze over tot nationalisaties, waarbij kapitalisten “gewoon berusten” in deze maatregelen. In veel opzichten is dit denkproces, meer dan enig ander deel van het boek, een goede samenvatting van de visie van de auteur en van al diegenen die zich organiseren voor een overgang van kapitalisme naar ‘democratisch socialisme’ door middel van hervormingen. In wezen verwoordt hij het klassieke standpunt van het reformisme, dat het kapitalistische systeem weg kan worden hervormd.

Ondanks de titel is het grootste deel van het boek gericht op het verschaffen van een geschiedenis van de socialistische beweging en alleen in het laatste deel van het boek krijgen we een “routekaart gebaseerd op de lange, complexe, afwisselend inspirerende en sombere geschiedenis van de linkse politiek” in de vorm van 15 programmatische punten. Als dit boek helpt om een nieuwe generatie te introduceren in de geschiedenis van de socialistische beweging, met inbegrip van haar vaak vergeten geschiedenis in de VS, dan zal het een nuttig doel dienen. Een meer gedetailleerde recensie zou de onnauwkeurigheden in dit overzicht van de socialistische beweging kunnen onderzoeken, maar wij beperken ons tot een aantal punten van verschil met de revolutionaire benadering.

Bolsjewisme of stalinisme

Sunkara presenteert soms ideeën die oude wijn in nieuwe flessen zijn. Het strekt hem tot eer dat hij meer bizarre verdraaiingen die zo vaak tegen revolutionaire socialisten gebruikt worden niet zomaar herhaalt. Hij verwerpt bijvoorbeeld het idee dat de Russische Revolutie van 1917 een soort staatsgreep was en omschrijft het als “een echte volksrevolutie onder leiding van industriële arbeiders, verbonden met elementen van de boerenbevolking.” Voor de marxisten was dit een essentiële gebeurtenis in de geschiedenis, waar de arbeidersklasse, in een actieve en georganiseerde massale opstand, de macht in eigen hand nam via de arbeidersraden (sovjets).

Na de Februarirevolutie die het tsaristische despotisme afschafte, waren er in Rusland 300 sovjets die in werkelijkheid vrijwel alle aspecten van de samenleving controleerden. In oktober groeide dit aantal tot 1200. Delegaties die door arbeiders in fabrieken of districten werden gekozen, kwamen samen om te bespreken hoe de revolutie verdedigd en bevorderd kon worden. Dit was in een tijd waarin de meeste arbeiders in de zogenaamde “democratische landen” nog steeds het stemrecht werd ontzegd. In Rusland hadden de arbeiders een ongelooflijk niveau van zelforganisatie bereikt en begonnen ze zich de vraag te stellen of ze de staatsmacht zelf moesten overnemen, dit in het belang van de overweldigende meerderheid van de bevolking. Daarbinnen groeiden de bolsjewieken, die de roep om “alle macht aan de sovjets” leidden, van een kleine minderheid in februari tot een meerderheid in de sovjets in oktober. De regering die aan de macht kwam op basis van de Oktoberrevolutie, voerde de afschaffing van de kapitalistische eigendomsverhoudingen door, samen met het doorvoeren van sociale hervormingen die een eeuw later radicaal blijven in vergelijking met een groot deel van de wereld van vandaag.

Sankara brengt, zij het met zijn eigen draai, wel een echo van de oude afgezaagde argumenten dat latere acties, in omstandigheden van de burgeroorlog, het autoritarisme de kans gaven zich te ontwikkelen en dat de bolsjewieken niet voldoende gepland hadden voor wat ze na de revolutie moesten doen. Het is echter oppervlakkig en verkeerd om te suggereren dat de opkomst van het stalinisme een gevolg was van maatregelen die de jonge arbeidersregering gedwongen werd te nemen in oorlogstijd. Het was het resultaat van een complexere mengeling van hongersnood, achtergebleven economische en culturele omstandigheden, het omkomen van een brede laag van de gevorderde arbeiders in de burgeroorlog, en in de eerste plaats een isolement – als gevolg van de nederlaag van andere revoluties in het buitenland.

Sunkara vertelt ons dat “de internationale revolutie niet kwam.” Dit is een eenzijdige en uiteindelijk vervormde presentatie. De verwoestende gevolgen van de oorlog en het inspirerende voorbeeld van de Russische Revolutie leidden tot een revolutionaire golf in Europa en de wereld, vooral in Duitsland, waar de arbeidersklasse heroïsch vocht voor de macht, waaronder de vorming van verschillende vormen van sovjets. De “internationale revolutie” kwam wel, maar slaagde er niet in te winnen. Wat ontbrak was niet de bereidheid of het vermogen van de arbeidersklasse om voor de macht te vechten, maar leiderschap zoals dat van de bolsjewieken in Rusland dat in staat was om een weg naar de macht te smeden.

Wat Sunkara onderschat is dat er revolutionaire bewegingen – van Spanje in 1936 tot Frankrijk in 1968 of Soedan in 2019 – zullen plaatsvinden, of er nu socialisten zijn of niet. De les uit de geschiedenis is dat de vraag is of er een revolutionaire leiding komt in de vorm van een revolutionaire partij, die in staat is de strijd om de macht te voeren.

Geschiedenis van het reformisme

Sunkara’s positie gaat uiteindelijk een heel andere richting uit. Hij beweert: “Een paar honderd mijl ten westen van Moskou werd het democratisch socialisme bijna realiteit” – waarmee hij de sociaaldemocratie in Zweden bedoelt. In het hoofdstuk “The God That Failed”, genoemd naar een beroemd anticommunistisch boek uit de jaren veertig van de vorige eeuw, krijgen we een overzicht van de geschiedenis van sociaaldemocratische regeringen die in het interbellum aan de macht kwamen, met bijzondere aandacht voor Zweden.

De sociaaldemocratische regeringen in Zweden hebben belangrijke hervormingen doorgevoerd, met name in de jaren zestig en zeventig, toen de toenmalige premier Olof Palme onder druk werd gezet door een sterke arbeidersbeweging en radicalisering onder jongeren, die de relatieve sociale vrede dreigden te verstoren. Een illustratie van hoe de situatie van de werkenden in deze periode is veranderd, blijkt uit de positie van vrouwen. In 1966 bleef 66% van de vrouwen thuis. In 1974, het jaar waarin het abortusrecht werd verworven, maakte 80% van de vrouwen deel uit van de beroepsbevolking – het hoogste niveau ter wereld. Een centrale reden hiervoor was de rol van een sterke arbeidersbeweging, die druk zette op de overheid en kon afdwingen dat de kinderopvang deel uitmaakte van de publieke sector, met een stijging van het aantal kinderopvangplaatsen van 72.000 in 1975 tot 330.000 tien jaar later.

In het programma van de Sociaaldemocratische Partij werd gesproken over het “beslissingsrecht over de productie in handen van het hele volk” en het “Meidner-plan” werd ontwikkeld door de vakbonden, waarbij alle bedrijven boven een bepaalde omvang verplicht werden om nieuwe aandelen uit te geven aan de werknemers, zodat die binnen 20 jaar 52% van de bedrijven waar ze werkten in handen zouden krijgen. Cruciaal is echter dat de kapitalistische heerschappij nooit serieus in vraag is gesteld.

Tot 1976 was slechts 5% van de Zweedse industrie in publieke handen en zelfs na tientallen jaren van sociaaldemocratische regeringen was de grootste deel van de Zweedse industrie in handen van “vijftien families.” Zoals Sunkara zegt: “Hoe creatief ook geïmplementeerd, het was nog steeds afhankelijk van de winsten van de private sector en de berekening van het bedrijfsleven was dat het handhaven van de sociale vrede met een machtige arbeidersbeweging de kosten waard was.” Op basis van de naoorlogse groei had het kapitalisme ruimte om dergelijke hervormingen te accepteren. Dit kwam tot uiting in het idee dat “Wat goed was voor Volvo ook goed leek voor Zweden.” De kapitalisten vreesden niet alleen de machtige arbeidersbeweging, maar ook het feit dat er slechts een paar honderd mijl verderop een alternatief sociaal systeem bestond dat gebaseerd was op staatseigendom en planning van de economie – zij het in stalinistische vorm.

Einde van de naoorlogse bloei

Het feit dat “de sociaaldemocratie altijd gebaseerd was op economische expansie” betekende dat, toen de naoorlogse groeiperiode ten einde liep, het kapitalisme minder ruimte had om nieuwe of oude hervormingen toe te staan of te handhaven, en dat neoliberale tegenhervormingen noodzakelijk waren vanuit het oogpunt van de kapitalisten om hun winsten te herstellen. Dit werd nog verergerd door belangrijke syndicale nederlagen, en later met het ideologische pro-kapitalistische offensief dat volgde op de ineenstorting van het stalinisme.

Het gebrek aan ruimte voor een dergelijke hervormingen bleek na de verkiezing van president Mitterand in Frankrijk. Hij werd gekozen op basis van een radicaal keynesiaans programma, bekend als de “110 voorstellen voor Frankrijk.” Deze omvatten programma’s voor openbare werken en een nationaliseringswet uit 1982 die vijf industriële groepen, veertig banken, twee staalbedrijven en de wapenindustrie in handen van de overheid plaatste om de werkgelegenheid in stand te houden. Het antwoord van het internationale en binnenlandse kapitalisme was een kapitaalvlucht van 5 miljard dollar, die de regering tot een bocht dwong, die onder meer de uitvoering van een bezuinigingsbeleid omvatte.

Voor marxisten is de les hier duidelijk, zoals Sunkara aangeeft: als de kapitalisten onbetwist de belangrijkste sectoren van de economie in handen houden, leidt dit uiteindelijk tot de vernietiging van die hervormingen. Hetzelfde geldt vandaag voor Venezuela, waar het boek opvallend genoeg niet op ingaat. De Venezolaanse regering is er een tijd lang in geslaagd om de positie van arbeiders en armen te verbeteren door gebruik te maken van de olierijkdom van het land. Door de rest van de economie in private handen te laten, heeft de Venezolaanse regering echter toegestaan dat de lokale kapitalistische elite en het Amerikaanse imperialisme de economie saboteren.

Sunkara trekt veel pessimistischer conclusies over wat hij ziet als pogingen tot socialisme in de ‘derde wereld’. Hij herhaalt het oude idee dat landen een kapitalistische fase van ontwikkeling moeten doormaken voordat ze kunnen beginnen met de overgang naar het socialisme. Hij meent dat het “beste waarop we kunnen hopen in de ontwikkelingslanden” bestaat uit “het aanmoedigen van de kapitalistische groei, terwijl we tegelijkertijd de ergste gevolgen ervan verzachten en de verwoesting ervan herverdelen – zoals de Arbeiderspartij in Brazilië en andere Latijns-Amerikaanse regeringen recentelijk hebben gedaan.” De verkiezing van de ultrareactionaire regering van Bolsonaro in Brazilië, mogelijk gemaakt door de massale ontgoocheling in de Arbeiderspartij, toont de duidelijke beperkingen van deze aanpak. Net als de communistische partijen uit het verleden is Sunkara’s omarming van deze fasentheorie geworteld in een gebrek aan vertrouwen in de arbeidersklasse.

Onbeantwoorde vragen

Opvallend is ook het gebrek aan discussie en analyse van de recente ervaringen van links in deze tijd van “extreme ongelijkheid”, met name de ervaringen in Griekenland. Sunkara stelt de vraag: “Hoe zorgen we ervoor dat een linkse regering lang genoeg kan blijven om een aantal overwinningen te behalen (en niet alleen maar toe te geven zoals het Griekse Syriza)?” Deze vraag wordt echter niet beantwoord, behalve dat er massaal druk moet worden uitgeoefend zodat “de leiders de confrontatie met de elite aangaan in plaats van zich aan te passen.”

Sunkara erkent dat de kapitalisten “er alles aan zullen doen om ons tegen te houden” en wijst erop dat ze kunnen overgaan tot kapitaalstakingen – het achterhouden van investeringen en wegtrekken van geld. Maar er zijn geen antwoorden op de vraag hoe een linkse regering kan reageren op kapitaalvlucht. Een goed startpunt zou zijn om te kijken naar wat de linkse partijen in Griekenland nodig hadden om de capitulatie van Syriza te voorkomen. Dit werd door Xekinima (onze zusterorganisatie in Griekenland) gedetailleerd ontwikkeld:

“Kapitaalcontroles opleggen, weigeren om de schulden te betalen, nationalisatie van de banken, snelle invoering van een nationale munt (drachme), de liquiditeiten van die munt gebruiken om grote publieke werken uit te voeren om de inkrimping van de economie te stoppen en nieuwe groei tot stand te brengen, kwijtschelding van de schulden van kleine bedrijven die door de crisis onder de voet werden gelopen en het voorzien van gunstige leningen zodat die kleine bedrijven terug activiteiten aan de dag leggen en mee voor groei zorgen.

“Nationalisatie van de sleutelsectoren van de economie en plannen van de economie met een overheidsmonopolie op buitenlandse handel. Hierdoor zou het mogelijk zijn om tot duurzame groei te komen die niet gericht is op de belangen van een handvol grote scheepseigenaren, grote bedrijfseigenaars en bankiers, maar op de belangen van de 99%.

“Opzetten van speciale planningscomités in alle industriële sectoren en in de mijnbouw met een specifieke aandacht voor landbouw en toerisme die zo belangrijk zijn voor de economie en een enorm potentieel hebben. Vestigen van democratie in het beheer van de economie in de vorm van arbeiderscontrole- en beheer op alle niveaus.

“Een oproep aan de werkenden in de rest van Europa voor steun en solidariteit zou een aanzet kunnen vormen tot een gemeenschappelijke strijd tegen het Europa van de bazen en de multinationals. Dit zou leiden tot een vrijwillige, democratische, socialistische unie van de Europese bevolking.”

De parlementaire weg?

Kortom, wat in Griekenland nodig was, was “een antikapitalistisch, anti-EU offensief met een socialistisch programma.” Een dergelijke breuk vereist massale mobilisatie van de arbeidersklasse. Voor de marxisten staat de arbeidersklasse centraal; het is niet alleen maar kiesvee of een macht om druk uit te oefenen op een linkse regering als een bijkomende tactiek. De centrale taak is dat de arbeidersklasse de economie in eigen hand neemt, eigen radicale democratische instellingen creëert en de samenleving in hun eigen belang beheert. Voor Sunkara is de centrale taak de volgende:

“Democratische socialisten moeten een beslissende meerderheid in de wetgevende macht krijgen en tegelijkertijd de hegemonie in de vakbonden winnen. Dan moeten onze organisaties bereid zijn om onze sociale macht te gebruiken in de vorm van massamobilisaties en politieke stakingen om de structurele macht van het kapitaal tegen te gaan en ervoor te zorgen dat onze leiders de confrontatie aangaan in plaats van zich aan te passen aan de elites. Dit is de enige manier waarop we niet alleen onze hervormingen duurzaam maken, maar ook volledig breken met het kapitalisme en een wereld tot stand brengen waarin mensen belangrijker zijn dan de winst.”

Zoals historicus Paul Le Blanc in zijn recensie van ‘Het Socialistisch Manifest’ opmerkte, weerspiegelt de auteur, ondanks de positieve verwijzing naar de Duitse revolutionair Rosa Luxemburg, meer de hervormingsgezinde ideeën waar Luxemburg tegen gestreden heeft. Bij het vergelijken van de benadering van de bolsjewieken met de Duitse sociaaldemocraten, merkte ze op:

“Als verstokte pupillen van het parlementaire cretinisme passen de Duitse sociaaldemocraten zonder meer de bekrompen wijsheid uit de parlementaire kinderkamer toe op de revolutie; om besluiten ingang te doen vinden, zou men eerst over een meerderheid moeten beschikken. Dus ook in de revolutie: eerst een ‘meerderheid’ zien te krijgen. De reële dialectiek van revoluties zet dergelijke mollenwijsheid op zijn kop: de weg leidt niet via meerderheid naar revolutionaire tactiek, maar via revolutionaire tactiek naar meerderheid.”

In het hoofdstuk “Future We Lost” wordt veel gezegd over de geschiedenis van de socialistische beweging in Duitsland, maar de lessen worden niet volledig gebracht. Er wordt ons verteld dat leiders als Karl Kautsky, destijds beschouwd als de ‘paus van het marxisme’, geen andere keuze hadden dan de oorlogsmobilisatie van de Duitse heersende klasse te accepteren. Dit gaat echter voorbij aan de realiteit dat arbeiders in de begindagen van de Eerste Wereldoorlog bereid waren om actie te ondernemen tegen de imperialistische slachting, wat tot uiting kwam in talrijke massale anti-oorlogsdemonstraties, die evenwel werden verraden door de massale arbeiderspartijen.

Karl Kautsky was een van de leiders waar Luxemburg mee botste. Sunkara’s sympathie voor deze denker is duidelijk wanneer hij stelt dat Kautsky “geloofde dat arbeiders de macht zouden winnen door middel van vrije verkiezingen, [vervolgens] de politieke en burgerlijke vrijheden zouden uitbreiden en de bestaande staat radicaal zouden hervormen, niet vernietigen.” Het idee dat het mogelijk is om de kapitalistische staat, met zijn diepgewortelde bureaucratieën en gewapende krachten, eenvoudigweg te hervormen, wordt ook weerspiegeld in een van de vijftien punten waar de focus ligt op “het democratiseren van onze politieke instellingen.” De socialisten strijden natuurlijk voor en steunen elke hervorming, inclusief democratische hervormingen, onder het kapitalisme. Het is echter iets heel anders om te geloven dat deze (kapitalistische) “instellingen” op zich de weg naar de macht zijn voor de arbeidersklasse.

Marxisten en de staat

Opvallend is dat er weliswaar wordt gezinspeeld op de parlementaire weg naar het socialisme, maar dat de concrete ervaring van de Chileense regering van Allende, het bekendste voorbeeld van deze aanpak, slechts een kleine vermelding krijgt. De verkiezing van de linkse president Salvador Allende in 1970 maakte deel uit van een revolutionair proces waarbij de Amerikaanse kopermijnen en belangrijke delen van de banken genationaliseerd werden. Er werden plannen aangekondigd voor de nationalisatie van bijna 100 bedrijven. In 1973 was meer dan 40% van de economie in handen van de overheid. Toch bleef de staat zelf, inclusief het leger, onaangetast. Op 11 september 1973 was er met steun van de CIA een militaire staatsgreep, die de regering van Allende verpletterde en een wrede militaire dictatuur aan de macht bracht die 30.000 mensen vermoordde.

De geschiedenis is bezaaid met voorbeelden die illustreren dat de kapitalistische staat niet neutraal is, maar zoals Friedrich Engels opmerkte, uiteindelijk kan gereduceerd worden tot “gewapende mensen die handelen ter verdediging van eigendom.” Sunkara raakt de marxistische visie van de staat aan, en geeft zelfs het voorbeeld van hoe Trump in conflict is gekomen met delen van de kapitalistische staat, die niet enthousiast zijn over het feit dat zijn rechts-populistische beleid de NAVO kan bedreigen. Maar wat dit betekent voor de strategie van de socialisten wordt niet duidelijk gemaakt.

Hoe winnen we?

Voor Sunkara is de arbeidersklasse de sleutel om druk uit te oefenen op een linkse regering of om toegevingen te winnen van een kapitalistische regering, omdat “kapitalisten afhankelijk zijn van hun arbeid voor hun winst” en “wanneer ze georganiseerd zijn, arbeiders die arbeid kunnen stopzetten om hervormingen af te dwingen.” Hij merkt terecht op dat de arbeidersklasse weliswaar is veranderd, maar “niet zo veel als je denkt”, omdat de arbeidersklasse nog steeds die potentiële kracht heeft.

Hij gelooft terecht dat “socialisten zich moeten inbedden in de strijd van de arbeidersklasse” en merkt de zeer belangrijke rol op die een “militante minderheid”, met inbegrip van de socialisten, heeft gespeeld in de inspirerende lerarenstakingen in West-Virginia en dat het voor de socialisten “niet voldoende is om met de vakbonden samen te werken voor progressieve verandering. We moeten democratische gevechten in de vakbonden voeren.” Hij heeft ook gelijk als hij stelt dat “een los netwerk van linkse en basisarbeiders niet genoeg is. We hebben een politieke partij nodig” en dat zo’n partij zich zou moeten baseren op het “verstorend vermogen van de arbeid.”

Marxisten verschillen met Sunkara omdat het voor ons niet alleen een kwestie is dat de arbeidersklasse met haar enorme potentiële macht hervormingen kan afdwingen of een “verstorend vermogen” heeft, maar, zoals de titel van zijn hoofdstuk over Marx en Engels het stelt, de arbeiders de “doodgravers” van het kapitalisme zijn en de socialistische transformatie van de maatschappij vereist dat de arbeidersklasse de controle over de maatschappij overneemt. En, cruciaal, de partij die we nodig hebben is er een die deze revolutionaire strategie centraal stelt in haar politieke programma.

Dit boek is in vele recensies vergeleken met het Communistisch Manifest van 171 jaar geleden, maar afgezien van oppervlakkige vergelijkingen, rond de titels en de jonge leeftijd van de auteurs, gaat de vergelijking niet ver. De ideeën in het boek zijn echter de moeite waard om te bespreken en te debatteren, zodat we een socialistische beweging kunnen opbouwen die daadwerkelijk in staat is om de samenleving te veranderen.

Print Friendly, PDF & Email