50 jaar Stonewall: strijd haalde LGBTQI+-beweging uit kast

De rellen in Stonewall in 1969 markeerden de geboorte van de internationale LGBTQI+-rechtenbeweging. 50 jaar later is er veel veranderd, maar is de strijd gestreden? Inzake wetgeving is er enorm veel bereikt maar statistieken tonen aan dat discriminatie en gewelddaden op basis van seksuele geaardheid of identiteit helemaal niet verdwenen zijn. In Tsjetsjenië zijn er concentratiekampen voor homoseksuele mannen. In Brazilië worden sinds de verkiezing van Jair Bolsonaro nog meer transseksuele mensen vermoord als voordien. Trump ontzegde transmilitairen de toegang tot het leger en in België blijkt uit recent onderzoek dat geweld jegens de LGBTQI+-gemeenschap de laatste jaren sterk toenam.

Geactualiseerde versie van ons archiefdossier over Stonewall (dank aan Boris uit Gent voor de update)

Wat betekent dit voor de hedendaagse LGBTQI+ beweging?

Op 27 juni 1969 was er een onopvallende gebeurtenis in Greenwich Village in New York. Er gebeurde iets wat honderden keren eerder voorviel in de VS. De politie voerde een razzia uit in de “Stonewall Inn”, een van de weinige bars waar homoseksuele en transseksuele mannen en vrouwen toegelaten werden. Door de maffia gerunde etablissementen zoals de Stonewall Inn waren in die tijd vaak de enige plek waar LGBTQI-mensen een zekere vorm van vrijheid genoten. De harde sociale repressie en een algemeen maatschappelijke identificatie van homoseksualiteit als “perversie” veroordeelde iedereen die niet aan de heteroseksuele norm beantwoordde tot een leven in verborgenheid of marginaliteit. De Stonewall Inn was een toevluchtsoord voor vele, vaak dakloze queer- en transjongeren van Latino en Afro-Amerikaanse afkomst.

Fysieke repressie en geweld door de politie was een dagdagelijks feit. Homobars werden geregeld ontruimd en hun bezoekers gearresteerd. De razzia in de Stonewall Inn op die juninacht was dus op zich niets nieuws. Maar toen de zeven agenten in burger en een geüniformeerde agent iedereen in de bar aan een identiteits controle onderworpen en met arrestaties begonnen, gebeurde er wel iets nieuw.

Er is tot op vandaag discussie over welk incident juist tot rellen leidden. Sommigen herinneren zich een lesbische vrouw die inging tegen haar arrestatie of een drag queen die van zich afsloeg toen ze in de politie wagen werd geduwd. Anderen stelden dat het de intussen mythische transactivisten Marsha P Johnson en Sylvia Rivera waren die vanuit de joelende menigte toeschouwers de eerste straatstenen naar de agenten gooiden.

Een veteraan van de holebistrijd, Craig Rodwell, stelde: “Er waren een aantal incidenten die tegelijk plaatsvonden. Het was niet één iets dat gebeurde of één persoon, er was gewoon een groepsgevoel van enorme woede.”

De groep van opgepakte klanten van de bar begon met het gooien van muntstukken naar de agenten, een verwijzing naar het beruchte omkopingssysteem waarbij politiechefs grote sommen smeergeld kregen van bars waar holebi’s kwamen. De muntstukken werden al snel gevolgd door flessen, stenen en andere zaken. Er werd geroepen en de opgepakte holebi’s in de combi’s werden bevrijd. Agent Pine stelde later: “Ik had al deelgenomen aan gevechtssituaties, maar ik was nooit zo bang als op dat ogenblik.”

Pine gaf bevel aan zijn ondergeschikten om zich terug te trekken in de lege bar waar alles werd vernield. Een parkeermeter werd uit de grond gerukt en gebruikt als stormram. De woedende menigte probeerde de bar in brand te steken. Er werden slogans geroepen als “Gay power” en “Gay Liberation now.” Het nieuws van de acties verspreidde snel doorheen Greenwich Village waarop honderden LGBTQI+-mensen – voornamelijk arme Hispanic en Afro-Amerikaanse working class jongeren – samenkwamen op Christopher Street in de buurt van Stonewall Inn. De politie kreeg versterking van de oproerpolitie die gespecialiseerd was in het aanpakken van protestacties tegen de oorlog in Vietnam.

Duberman beschreef dit als volgt: “Een groep van enkele tientallen sterk uitgeruste oproeragenten probeerden traag vooruit te gaan op Christopher Street. Ze waren ingehaakt en slaagden erin om de betogers traag achteruit te drijven, maar – in tegenstelling tot wat de politie had verwacht – gaven de betogers niet toe en liepen ze niet weg. Ze slaagden erin de politie te omsingelen. Hierop sloegen deze iedereen die binnen hun handbereik kwam.”

Dit scenario herhaalde zich meermaals. De politie slaagde erin om de betoging te ontbinden, maar ze hergroepeerden telkens op een andere plaats. Een cordon van woedende drag queens en homo’s haakten de armen in elkaar en zongen: “We are the Stonewall girls. We wear our hair in curls. We wear no underwear. We show our pubic hair… We wear our dungarees. Above our nelly knees!”

Het antwoord op de repressieve aanpak kwam onverwacht en de ontreddering van de politie versterkte het zelfvertrouwen van de activisten. De volgende avond waren er opnieuw betogingen met duizenden deelnemers. Er werden pamfletten verspreid met als titel: “Haal de maffia en de flikken weg uit de holebi-bars.” De protestacties duurden vijf dagen.

Na de rellen waren er intense discussies in de holebi-gemeenschap van de stad. In de eerste week van juli kwam een kleine groep holebi’s samen om een nieuwe organisatie op te zetten: het “Gay Liberation Front”. Die naam werd bewust gekozen omwille van de associatie met de anti-imperialistische strijd in Vietnam en Algerije. Delen van het Gay Liberation Front (GLF) namen deel aan solidariteitsacties voor de opgepakte Black Panthers. Ze zamelden geld in voor stakende arbeiders en maakten de link tussen de strijd voor holebi-rechten en die voor socialisme.

Een holebi-magazine uit New York publiceerde een speciale editie over de rellen. In dit nummer stond ook een positieve recensie van John Reed’s boek over de Russische Oktoberrevolutie van 1917, het bekende “Tien dagen die de wereld schokten.” In het daaropvolgende jaar werden groepen van het GLF opgezet in onder meer Canada, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, België, Nederland, Australië en Nieuw-Zeeland.

Het woord “Stonewall” is de geschiedenis ingegaan onder holebi’s. Het is een symbool van de opstand van de holebi-gemeenschap tegen onderdrukking en van de strijd voor volledige gelijke rechten op alle vlakken. Vandaag bestaat het GLF niet meer, maar het idee van “Gay Power” is nog steeds aanwezig. Zo vormde dit de aanleiding voor de jaarlijkse betogingen van “Gay Pride” in tal van landen.

Wat ging aan Stonewall vooraf?

Waarom vonden de gebeurtenissen van Stonewall plaats op dat ogenblik? Hoe was het mogelijk dat acties van minder dan 200 mensen zorgden voor een breder protest en voor de ontwikkeling van Gay Liberation?

De historicus John D’Emilio schreef in zijn boek “Sexual Politics, Sexual Communities” uit 1983 over de voorgeschiedenis van Stonewall. De auteur toont aan hoe het proces van industrialisering en verstedelijking, waarbij de plantage-arbeiders naar de steden trokken om te werken, het makkelijker maakte voor Amerikaanse holebi’s om hun seksualiteit te ontdekken en te beleven. Tegen 1920 was er een holebi subcultuur ontwikkeld aan de Barbary Coast van San Francisco, het Franse kwartier van New Orleans en in Harlem en Greenwich Village in New York.

Er bestonden doorheen heel de geschiedenis holebi’s. De samenleving stond echter anders tegenover hen op verschillende ogenblikken van de geschiedenis. Het belang van de sociale verandering die hierboven werd aangehaald en de ontwikkeling van een subcultuur, zorgden ervoor dat een groeiend aantal holebi’s uit het isolement van de kleine landelijke gemeenschappen wilde stappen. Ze kwamen in aanraking met andere holebi’s en begonnen deel te worden van een bredere holebi-gemeenschap.

Op dat ogenblik stonden er nog altijd straffen op homoseksualiteit. Er waren in verschillende Amerikaanse staten wetten tegen seks met een partner van hetzelfde geslacht. Eenvoudige uitingen van affectie op publieke plaatsen kon leiden tot bestraffing indien het ging om twee mannen of twee vrouwen die elkaars hand vasthielden. Zelfs een verklaring dat je homo of lesbo was, kon leiden tot een opname in een psychiatrische instelling zonder enige mogelijkheid tot verweer.

Binnen de embryo’s van de nieuwe subcultuur waren er vooral jonge homo’s en minder vrouwen, omwille van hun grotere economische afhankelijkheid waardoor het voor vrouwen moeilijker was om buiten de sociale normen te treden. Tijdens WO2 kwam daar verandering in. De routine van de vredestijd werd doorbroken, waardoor er ook meer ruimte was voor holebi’s (zowel mannen als vrouwen) om vrijer om te gaan met hun seksuele geaardheid.

Vrouwen kwamen op de arbeidsmarkt en ook in het leger, waardoor er ook meer economische onafhankelijkheid was waardoor er ruimte was om de eigen seksualiteit te zoeken.

Hernieuwde repressie

De terugkeer van de vredestijd zorgde ervoor dat er einde kwam aan de tijdelijke openheid tegenover holebi’s. Miljoenen Amerikanen hadden in het leger homo’s of lesbiennes ontmoet. Maar na de oorlog kwam de normale routine terug. De meeste ontmoetingsplaatsen voor holebi’s sloten de deuren. De vrouwen trokken terug naar huis nu de soldaten terugkwamen en in de fabrieken gingen werken.

Het tijdperk van conservatisme op seksueel vlak kwam terug en er kwam een donkere periode voor holebi’s. Maar de geest van lesbische en homo-experimenten was uit de fles. De zaken zouden nooit meer hetzelfde zijn. Eén van de blijvende gevolgen was het groot aantal lesbische en homoseksuele ex-soldaten dat besloot om in de havensteden te blijven omdat er daar enige seksuele vrijheid was, weg van hun families en de druk om te trouwen.

Tijdens de oorlog was San Francisco al uitgegroeid tot een centrum en dat was na de oorlog nog steeds zo. Samen met de minder repressieve maatregelen in Californië tegenover bijvoorbeeld holebi-bars, de aanwezigheid van steun voor homoseksualiteit vanuit de literaire beweging van de “Beats” rond schrijvers als Jack Kerouac, … werd San Francisco de holebi-hoofdstad van de VS.

In de VS was er in de jaren 1940 en 1950 een heropbouw van het land en een druk om de consumptie op te drijven. Dat gebeurde tegen de achtergrond van de Koude Oorlog. De autoriteiten legden sterk de nadruk op het model van de orthodoxe gezinskern en familiewaarden. De andere kant van de medaille was een repressieve aanpak tegenover wie buiten dat stelsel stapte, bijvoorbeeld holebi’s.

De onderzoeken van het Comité voor on-Amerikaanse Activiteiten zorgden ervoor dat duizenden holebi’s hun job bij de overheid verloren. Het verbod op de tewerkstelling van holebi’s bij de federale regering bleef van kracht tot 1975. In het district Columbia waren er begin jaren 1950 jaarlijks zo’n 1000 arrestaties. In iedere staat publiceerden lokale kranten de namen van wie vervolgd werd, wat ook leidde tot massale ontslagen. De post opende brieven van holebi’s en gaf de namen van de geadresseerden door. Scholen hielden lijsten bij van wie verdacht werd van holebi-neigingen…

De opkomst van het verzet

Het was tegen deze vijandige achtergrond dat de beweging voor LGBTQI-rechten in de VS tot stand kwam. In 1948 reeds besliste Henry Hay, een homo en langdurig lid van de Communistische Partij in de VS, om een holebi-groep op te zetten. Dit was een eerste hoofdstuk in wat holebi’s in die periode omschreven als de beweging van “homofielen”.

Net als andere Communistische partijen, stelde de Amerikaanse CP dat het verder bouwde op de traditie van de Oktoberrevolutie in Rusland. Eén van de eerste maatregelen van de Bolsjewieken bestond uit het afschaffen van de criminalisering van holebi’s. Maar de opkomst van het stalinisme in de jaren 1930 leidde tot het terug opleggen van homofobe maatregelen. Ook in de CP’s begon er wereldwijd een negatieve houding te ontstaan tegenover holebi’s.

Toch was Hay vastberaden om zijn project door te voeren, wat leidde tot een uitsluiting uit de CP. Hij wees als tegenargument op zijn lange staat van dienst in de partij, maar die weigerde daar rekening mee te houden. Met een kleine groep van medewerkers ging hij verder, waaronder heel wat voormalige leden van de CP. Hij zette de Mattachine Society (MS) op in 1950.

D’Emilio omschreef het programma van de Mattachine Society als het eenmaken van geïsoleerde holebi’s, het vormen van holebi’s zodat ze zichzelf zien als onderdrukte minderheid, en het organiseren van strijd voor hun eigen emancipatie. Hay riep op voor een “ethische homoseksuele cultuur” en vergeleek dit met de opkomende culturen van de zwarten, Joden en Mexicaanse bevolkingsgroepen in de VS. De MS had lokale discussiegroepen opgezet om dit “ethisch” programma te promoten. Deze discussiegroepen stelden dat “emotionele stress en geestelijke verwarring” onder homo’s en lesbiennes “sociaal bepaald” werd. Onder invloed van de McCarthiaanse communistenjacht doorheen de jaren 50 werd de leiding van de MS vervangen.

De oprichters van de MS stonden voor een vroege versie van “gay pride”, maar de nieuwe leiding weerspiegelde de sociale vooroordelen die bestonden tegenover holebi’s. De nieuwe voorzitter, Kenneth Burns, schreef: “We moeten de schuld voor ons lot bij onszelf zoeken … Wanneer zullen de homoseksuelen zich realiseren dat sociale hervorming pas effectief is als het voorafgegaan wordt door persoonlijke hervorming?”

De positie van de nieuwe leiding was dat holebi’s niet moeten strijden voor veranderingen in de Amerikaanse samenleving maar moeten zoeken naar “respectabele” dokters, psychiaters, … die deel uitmaken van het establishment en zo voor een positievere houding kunnen zorgen. De meeste leden van het establishment dachten echter nog steeds dat homoseksualiteit een ziekte was en dit werd weerspiegeld in de opvattingen en het programma van de MS.

De opkomst van een holebi-activisme

Heel wat holebi’s die nog niet uit de kast waren gekomen, namen deel aan de campagnes van de zwarten voor burgerrechten. In de jaren 1950 en 1960 nam de invloed van de burgerrechtenbeweging toe en dat had ook gevolgen binnen de homofiele beweging van de MS. Het holebi-establishment rond figuren als Burns lag steeds meer onder vuur bij een nieuwe generatie van militante activisten.

Dit leidde ertoe dat de leiding van de Mattachine Society en een gelijkaardige conservatieve lesbische groep (DOB, Daughters of Bilitis) besloot om de nationale structuur op te doeken toen ze vreesden dat deze in de handen zou vallen van radicalen. Individuele leden en afdelingen van MS en DOB besloten om zich te blijven organiseren. Ook elders waren er nieuwe militante leiders die een meerderheid behaalden, vaak na serieuze strijd.

Een invloedrijke figuur in dit proces was de astronoom Frank Kameny die was ontslagen uit overheidsdienst tijdens de anti-holebi zuiveringen. Kameny was razend op de oude leiding van de homofiele beweging en haar onderdanigheid aan het medische establishment: “Een bevooroordeelde geest bevat geen informatie en kan niets worden geleerd.” De echte experts over homoseksualiteit waren de holebi’s zelf. Frank Kameny stelde over de organisaties van de zwarte burgerrechtenbeweging: “Ik zie de NAACP en CORE zich niet bezig houden met onderzoek naar het chromosoom of de genen die zorgen voor een zwarte huidskleur, of over de mogelijkheid om een zwarte af te bleken.” De strijd van de zwarten leidde tot slogans als “Black is beautiful”. Kameny speelde daarop in met de slogan “Gay is Good” en hij slaagde erin om de homobeweging deze slogan te laten overnemen in de aanloop naar Stonewall.

De militante activisten begonnen publieke campagnes met slogans en directe acties, wat leidde tot een offensief tegen de politie en de regering, het verbod op tewerkstelling en een reeks andere maatregelen. De conservatieve leiders van de MS en de DOB hadden hun leden aangeraden om afstand te houden van de holebi-bars in de arbeidersbuurten. Maar tegen de jaren 1960 werden de holebi-bars een centraal forum voor activisten om te recruteren en om campagnes te organiseren. D’Emilio omschreef dit als “het samenkomen van de beweging en de subcultuur.”

Gay Revolution!

De Stonewall-rellen haalden de holebi-beweging voor het eerst uit de kast. Eerdere organisatiepogingen binnen linkse kringen gebeurden eerder via drukkingsgroepen achter gesloten deuren. Nu werd de strijd voor gelijke rechten voor LGBTQI-mensen op straat gevochten. In de dagen na de razzia in de Stonewall Inn waren er nog veel protesten, vaak nog gewelddadiger dan tijdens die eerste nacht. Duizenden holebi-jongeren die vaak uit hun ouderlijk huis verdreven waren omwille van hun geaardheid en die op straat of in opvanghuizen in Greenwich Village leefden, sloten zich bij het protest aan. Er waren pamfletten die de LGBTQI-gemeenschap opriepen om het heft zelf in handen te nemen en een einde te maken aan de repressie. Het strijdbaar karakter van het protest werd versterkt door de actieve rol van de vele sociaal uitgestoten holebi- en transjongeren. Zij hadden niets meer te verliezen en gooiden zich in de strijd.

De rellen werden door heel wat oudere homoseksuelen en veel leden van de Mattachine Society veroordeeld en afgedaan als schadelijk voor de beweging. De nieuwe beweging zag de methoden van de MS daarentegen als iets oubollig en inefficiënt. De roep om nieuwe organisatievormen werd luider. Twintig jaar nadat Henry Hay de MS lanceerde, was de Amerikaanse samenleving sterk veranderd. De opkomst van de vrouwenbeweging (met een prominente rol van lesbische activisten), de zwarte burgerrechtenbeweging die steeds meer een beweging van “black power” werd (waarbij delen van de beweging socialistische standpunten innamen), de revolte tegen de VS-oorlog in Vietnam op de Amerikaanse campussen (mee beïnvloed door mei 1968 in Frankrijk) en neveneffecten zoals de persoonlijke relaties in groepen als de hippies, zorgden er allemaal voor dat de holebi’s een meer militante fase ingingen.

Onder invloed van de voortdurende politie razzia’s in de maanden na Stonewall groeide de protestbeweging. Door de deelname van de ‘streetkids’ aan de straatprotesten kregen de politieke meetings een sterk antikapitalistisch karakter. Het Gay Liberation Front nam vaak een revolutionair standpunt in en riep op tot de noodzaak van eengemaakte strijd met alle groepen die onderdrukt werden binnen het kapitalisme. Onder de slogan ‘Gay liberation equals peoples liberation’ drukten velen de wens uit voor solidariteit met de vrouwenbeweging, burgerrechtenbeweging en de antikapitalistische bewegingen doorheen de wereld. De revolutionaire sfeer was een vruchtbare grond voor politieke organisatie en naast het GLF ontstonden tal van radicale protestorganisaties.

Op 28 juni 1970 vond in New York de eerste ‘Christopher Street Liberation Day’ plaats: een herdenking van de Stonewall-rellen. Tegelijk werden Gay Pride marsen georganiseerd in LA en Chicago, de eerste Prides in de geschiedenis van de VS. Tegen 1972 waren er in alle grote steden van de VS Prides en waren er tienduizenden activisten betrokken. Waar er aanvankelijk nog grote angst was voor vijandigheid van omstaanders en politie, werden de Prides tegen 1972 gekenmerkt door een sterk zelfvertrouwen en een onbeperkte zelfexpressie van de deelnemers die niet langer bang waren.

De Gay Liberation Movement kreeg in 1970 haar eerste symbool in de vorm van de Griekse letter Lambda, die staat voor balans en eenheid. Het was pas in 1978 dat deze vervangen werd door de populairdere regenboogvlag, vandaag internationaal bekend als symbool voor Gay Pride.

Verwerping van de subcultuur

Snel na de Stonewall-rellen keerden nieuwe organisaties als het GLF en de meer reformistische GAA (Gay Activist Alliance) zich af van de drag queens, transgenders en straatjongeren die aan de kop van de Stonewall protesten hadden gestaan. Transactivisten Marsha P Johnson en Sylvia Rivera richtten daarop STAR (Street Transvestite Action Revolutionaries) op. STAR bleef de noodzaak benadrukken van algemene maatschappelijke verandering via een antikapitalistisch programma. Via de organisatie van onderdak, educatie en voedselverzorging voor queer dakloze jongeren behield de organisatie een sterke basis die breder was dan enkel de trans community. Maar het ‘marginale en sociaal onaangepaste’ karakter van deze groep activisten werd verworpen door de kopstukken van het GLF en GAA. Zij zagen de drag queens en transgenders als een gevaar voor de sociale acceptatie van de zaak van gay liberation. Gradueel werden STAR en haar aanhangers naar de achtergrond verdrongen. De organisatie werd letterlijk uit de Pride van 1970 gezet en het recht ontzegd de deelnemers toe te spreken op het hoofdpodium. Toen Sylvia Rivera toch de micro nam en schreeuwde “Jullie homo’s kunnen nu in jullie bars binnen dankzij ons drag queens! En nu zeggen jullie ons dat we onszelf niet mogen zijn? Schaam jullie!”, werd ze uitgejouwd door de menigte. Na dit incident werden meerdere organisaties opgezet zoals het QLF (Queens Liberation Front) en de Transsexual Activist Organisation, in een poging de ‘antitranszuivering’ van de beweging tegen te gaan. Maar de tendens was gezet. De beweging kreeg steeds meer een ‘salonfähig’ reformistisch karakter, weg van de transactivisten en hun antikapitalistische ideeën.

Doorheen de jaren 70 kreeg de Gay Liberation Movement uitdrukking in het politieke establishment. Openlijk homoseksuele politici zoals Harvey Milk wonnen enorme populariteit door campagnes voor legislatieve hervorming, zoals een wet tegen discriminatie op basis van seksuele oriëntatie in huisvesting, tewerkstelling en openbare diensten, die werd goedgekeurd onder zijn ambtstermijn in de San Francisco board of supervisors. Dergelijke legislatieve overwinningen versterkten de tendens om van een revolutionaire gay liberation beweging te gaan naar een puur op hervormingen gerichte single issue beweging voor gelijke rechten. De beweging stelde dat homo’s en lesbiennes een minderheidsgroep vormen die dezelfde rechten moesten verwerven als heteroseksuelen. In die zin sloot de beweging zich weer sterker aan bij de mattachistische methodiek van de jaren 50-60. Homo’s werden weergegeven als identiek aan hetero’s – behalve op vlak van privaat seksueel gedrag- dus ‘Queer non binary’ identificatie werd gezien als negatieve stereotypering.

AIDS

De AIDS-crisis in de jaren 1980 en 1990 zorgde voor een nieuwe golf van militantisme in de beweging. De ontkenning van AIDS als een epidemie en de weigering van de regering-Reagan om de slachtoffers medische zorg te verlenen, leidden tot de oprichting van nieuwe radicale organisaties zoals ACT UP (AIDS coalition to unleash power) die opnieuw stelden dat de discriminatie van homoseksuelen ingebed zit in de kapitalistische staat. De letterlijke uitroeiing van een hele generatie activisten bracht de beweging echter een zeer zware klap toe. Het zou tot 1993 duren, wanneer de Clinton-administratie eindelijk erkende dat de AIDS-epidemie een crisis was die de nodige aandacht verdiende, dat de beweging zich wat kon herstellen. Maar de heropleving van het gay militante activisme bleef niet duren. De politieke agenda van Gay Pride werd al snel opnieuw gedomineerd door respectabel reformisme, dat beperkt bleef tot eisen voor huwelijksrecht, adoptierecht, … Dat zijn belangrijke eisen, maar voor echte bevrijding is er meer nodig.

Regenboogkapitalisme

Ellen Broidy, een van de oprichtsters van het Gay Liberation Front stelde recent: “We waren zeer sterk gericht op de vernietiging van de patriarchale oorlogszuchtige racistische staat. Vandaag hebben we de staat in de armen gesloten.”

De Prides zijn niet langer politiek, maar voornamelijk feestelijke evenementen. Ze zijn niet langer georganiseerd door radicale activisten maar door acceptabele organisaties en hun corporate sponsors. Mc Donald’s, Absolute Vodka en dergelijke sieren hun producten elk jaar met de regenboogkleuren en halen zo uit “inclusiviteit en verdraagzaamheid” een positief imago en bijhorende winst. Pride is een feest waar bedrijven en media allemaal aan meedoen.

Er valt ook best wat te vieren. We hebben onze zichtbaarheid verkregen en de wetgeving is aangepast. Het homohuwelijk is goedgekeurd in meer dan 30 landen. Discriminatie op vlak van seksuele geaardheid is in alle westerse landen strafwettelijk verboden. LGBT-adoptie is legaal in 17 Europese landen en 50 staten in de VS.

Maar is met deze wetten Gay liberation een daadwerkelijk feit?

De fragiliteit van de wettelijke overwinningen wordt duidelijk wanneer blijkt dat homofobe hate crimes terug toenemen en statistieken uitwijzen dat het zelfmoordcijfer onder homoseksuele en transgender jongeren nog steeds het hoogst is.

Welk antwoord heeft de Pride-beweging – die zich decennia lang heeft gericht op de belangen van de gay blanke middenklasse – op de groeiende steun voor extreemrechts conservatisme in Europa en de VS? Hoe verdraagzaam en tolerant wordt onze maatschappij ervaren door LGBTQI+-mensen met migratie achtergrond, een andere huidskleur of een laag inkomen? En wat met de talrijke verslagen van toenemend racisme, transfobie en heteronormativiteit binnen de gay community zelf? Kan het zijn dat net doordat de beweging haar visie op sociale klasse als vorm van onderdrukking – overlappend met seksuele oriëntatie en gender identiteit – verloren is dat uitdrukkingen als “No fems, No fats, No asians” pijnlijk veel voorkomen op gay dating apps?

De afgelopen jaren kende de vrouwenrechtenbeweging een nieuwe opmars. Met massabetogingen in de VS als reactie op een president die sociale afbraak combineert met seksistische retoriek en protesten tegen de terugschroeving van de abortuswetgeving in sommige Europese landen heeft een nieuwe generatie feministen begrepen dat een radicaler programma voor sociale hervorming deel is van de strijd tegen seksisme.

Is de tijd dan niet ook aangebroken voor een nieuwe generatie holebi’s en queers om terug aansluiting te vinden met de roots van de gay liberation strijd? Sociale ongelijkheid leidt tot uitsluiting op basis van huidskleur, geslacht, seksuele geaardheid of seksuele identiteit. De geschiedenis van onze beweging bewijst dat aanvaarding via assimilatie geen einde maakt aan discriminatie en kwetsbaarheid. De Pride movement van de 21e eeuw moet de realiteit van toenemende sociale onderdrukking onder ogen zien.

Pride was a protest, and needs to be again!


 

50 jaar na Stonewall: strijd voor LGBTQI+-rechten gaat door!

Vijftig jaar geleden vormden rellen in Stonewall (New York) het begin van massale protesten die de strijd voor LGBTQI+-rechten op de agenda zetten. Mei is als Pride-maand in België een goed moment om stil te staan bij wat nu echt veranderd is, wat niet en nog belangrijker: hoe we verandering kunnen bewerkstelligen.

Artikel door Elise (Gent) uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

Stonewall – een klimaat van protest

Op 28 juni 1969 viel de politie voor de zoveelste keer binnen in LGBTQI+-bar Stonewall Inn, te New York. Het routineuze oppakken van de aanwezigen werd die dag onderbroken omdat LGBTQI+-personen succesvol terug vochten. De woede kon niet langer ingetoomd worden, niet op 27 juni, noch tijdens de protesten die de volgende dagen en maanden uitbraken, eerst in de VS en daarna internationaal.

De deelnemers aan de Stonewall-rellen begrepen het goed: als we echt vrijheid en gelijkheid willen, moeten we er zelf voor opkomen. De rechten die LGBTQI+-personen vandaag hebben, zijn niet het gevolg van de goedhartigheid van politici. Het establishment droeg jarenlang bij aan het voorstellen van LGBTQI+-personen als pervers, ziek, abnormaal en staatsgevaarlijk. Dat moest het negeren van de noden van LGBTQI+-personen en de discriminatie op de job- en huizenmarkt legitimeren. Enkel onder druk van actief georganiseerd verzet kwam het proces voor gelijke rechten op gang.

Het was niet toevallig in de context van de burgerrechtenbeweging, Vietnamoorlog en vrouwenbeweging, dat ook LGBTQI+-personen, bewust van de noodzaak van verzet voor verandering, de nodige ervaring opdeden met het organiseren van verzet. Er kwamen actiecomités, publieke campagnes en betogingen en LGBTQI+-bars waren een plaats van hevige politieke discussie. Vandaag creëren de groeiende protesten op Internationale Vrouwendag, de ervaringen die jongeren opdoen in de klimaatbeweging, de offensieve vakbondsacties en het enorme diskrediet waarin de regering verzeild is geraakt, een nieuwe opening om protest voor LGBTQI+-rechten te organiseren.

Strijd voor reële gelijkheid

De slogan ‘Fight for Pride’ is niet een nostalgisch teruggrijpen naar de jaren ‘60-‘70. Het is een noodzaak wanneer we kijken naar de context waarin LGBTQI+ personen leven, wereldwijd en in België.

Naast LGBTQI+-fobe wetgeving die in veel landen aanwezig is, zorgt de opkomst van rechtse populisten en extreemrechts in verschillende landen voor druk op wat ‘verworven rechten’ leken. Trump nam sinds zijn aantreden al 101 maatregelen tegen LGBTQI+-personen (1), figuren zoals Bolsonaro, Orban en Putin propageren direct en/of indirect (vb. door het stellen dat alles buiten conservatieve familiewaarden slecht is) discriminatie en geweld gericht op LGBTQI+-personen.

In België werden verschillende wetten ingevoerd om discriminatie tegen te gaan (huwelijk en adoptie voor holebikoppels, recht op aanpassen gender op identiteitskaarten, anti-discriminatiewetgeving …). Wettelijke gelijkheid is zeer belangrijk, maar het volstaat niet om reële gelijkheid te bewerkstelligen. Waar de winsten van de 1% belangrijker zijn dan het welzijn van LGBTQI+-personen en de meerderheid van de bevolking, zullen nooit de materiële voorwaarden gecreëerd worden die nodig zijn voor reële gelijkheid. De (tot voor kort volledige) afwezigheid van vluchthuizen voor LGBTQI+-personen is slechts één van de vele problemen. Geweld neemt toe en het armoedecijfer gaat ook onder LGBTQI+-personen de hoogte in. In een context van enorme tekorten op vlak van degelijke woningen en jobs, is het niet mogelijk om discriminatie te stoppen, zelfs indien die wettelijk verboden is. Zelfdodingspogingencijfers – 40% trans* personen in Vlaanderen (2) – en het feit dat 40% van de holebi middelbare scholieren zich onveilig voelt op school (3), geven aan dat het fysiek en mentaal welzijn van LGBTQI+-personen nog steeds verwaarloosd worden.

Jobs geen racisme, seksisme en LGBTQI+-fobie!

Sommige rechtse politici wijten LGBTQI+-fobie aan immigratie. Vluchtelingen en migranten worden ervan beschuldigd LGBTQI+-fobie te importeren. Hetzelfde wordt gedaan met seksisme. Nochtans is LGBTQI+-fobie niet vreemd aan de ‘westerse’ wereld met roze driehoeken in de concentratiekampen en koloniale homofobe wetgeving als bekendste, maar zeker niet enige, voorbeelden.

LGBTQI+-fobie is niet eigen aan een bepaalde cultuur. Het is wel eigen aan een systeem dat verdeel- en heerstechnieken nodig heeft om zichzelf in stand te houden. In een samenleving waar de tekorten verdeeld worden, worden groepen tegen elkaar uitgespeeld: geld voor vluchtelingenwerk betekent besparingen op LGBTQI+-welzijn en omgekeerd. Zo leidt de regering de aandacht af van haar asociale besparingspolitiek die de ongelijke machtsverhoudingen in stand houdt en die tekorten veroorzaakt. Het zijn niet de vluchtelingen of migranten die de discriminatie van LGBTQI+-personen op de huizen- en arbeidsmarkt veroorzaken, maar de chronische onderfinanciering binnen het kapitalisme.

We moeten ingaan tegen het misbruik van de strijd voor de rechten van minderheden om andere vormen van discriminatie te promoten. Om effectief te zijn, houdt de strijd tegen één vorm van discriminatie noodzakelijk een strijd in tegen alle andere vormen van discriminatie. Alleen verenigd zijn we sterk genoeg om de rijkdom die we samen produceren uit de handen te nemen van de 1% en terug te investeren in onze samenleving.

Gewoon een kwestie van tijd?

Mensen zijn niet van nature uit LGBTQI+foob. Maar als elke investering om LGBTQI+-fobie tegen te gaan op de lange baan geschoven wordt, zal het niet zomaar verdwijnen. Er zijn concrete oplossingen nodig: investeringen in onderwijs zodat degelijke (seksuele) opvoeding en debat mogelijk zijn op elke school met voldoende aandacht voor LGBTQI+-thema’s. Investeringen ook in voldoende kwaliteitsvolle sociale woningen en degelijke jobs om discriminatie in de praktijk te stoppen. Er zijn inhoudelijke sensibiliseringscampagnes die verder gaan dan regenbogen.

Verder zijn er meer middelen nodig voor LGBTQI+-organisaties om personeelstekorten tegen te gaan en te vermijden dat deze organisaties afhankelijk zijn van eenmalige prestigeprojectbudgetten. Er zijn investeringen nodig in vluchthuizen en gezondheidszorg zodat jezelf zijn geen risico op dakloosheid, geweld en armoede inhoudt. Daartoe moet ook geïnvesteerd worden in publieke en sociale diensten voor opvang en begeleiding van LGBTQI+-personen en hun omgeving. Met dergelijke investeringen zijn op korte tijd effectief enorme veranderingen mogelijk.

Strijd voor sociale eisen en socialisme

De mensen die vijftig jaar geleden tijdens de Stonewall-opstanden terugvochten, behoorden tot de armere, zwarte, trans* etc. bevolking. Het waren deze mensen die in enorm precaire situaties zaten doordat ze hun job verloren en geen woning vonden door discriminatie en geen enkele uitweg hadden uit intimidatie, uitbuiting en geweld. Dat zelfs de weinige plaatsen van ontmoeting werden geteisterd door politierazzia’s en op winst beluste baruitbaters, toont dat safe spaces niet mogelijk zijn in een samenleving die zich voedt met ongelijkheid. LGBTQI+-fobie, geweld en discriminatie verdwijnen enkel wanneer het kapitalistisch systeem dat er mee aan de basis van ligt, uitgeroeid wordt.

Met de Pride komen we op straat voor wat nodig is: investeringen en een breuk met het asociale besparingsbeleid en kapitalistisch systeem. Een regering die de voorkeur geeft aan het beschermen van de belangen van de 1%, in plaats van op te komen voor het welzijn van LGBTQI+-personen en de hele werkende klasse, is mee verantwoordelijk voor geweld en discriminatie. Als we verandering willen, is strijd nodig. Wij zijn klaar voor Pride als protest!

Noten

  1. http://www.holebi.info/phpnews/kortnews.php?action=fullnews&id=17535
  2. https://transgenderinfo.be/suicidepreventieproject-van-start/
  3. https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/05/09/4-op-de-10-holebi-scholieren-voelt-zich-onveilig-op-school/
Print Friendly, PDF & Email