Wat is dialectisch materialisme?

Vertaling van de brochure ‘Introduction to Dialectical Materialism – the foundation of revolutionary theory’ door Shaun Arendse (2015) van onze Zuid-Afrikaanse zusterorganisatie. Deze tekst komt in onze reeks leesbundels die je kan vinden via onze pagina ‘inleiding tot het marxisme’. 

Deel 1. Waarom hebben we theorie nodig?

Het marxisme is de revolutionaire theorie van de werkende klasse. Soms wordt het ook een “filosofie” genoemd, dat woord komt uit het Oudgrieks en betekent “liefde voor kennis”. Een filosofie is een geheel van ideeën en concepten dat gebruikt wordt om de wereld te begrijpen. Vandaag is “theorie” echter een actueler woord om te omschrijven wat het marxisme is.

De arbeidersklasse heeft er alle belang bij om te proberen om de wereld te begrijpen. We willen begrijpen waarom er armoede, ongelijkheid, racisme, oorlog – en alle andere zaken die het leven tot een strijd maken – is. Als arbeidersklasse hebben wij er geen belang bij het kapitalisme te beschermen. Wij overleven niet door anderen uit te buiten. Integendeel, we worden elke dag bestolen van de rijkdom die we zelf produceren. We hebben er alles bij te winnen en niets bij te verliezen wanneer we proberen te begrijpen waarom dit zo is.

Dat betekent niet dat het marxisme ons enkel het “standpunt” van de arbeidersklasse kan bij brengen. Vanuit het standpunt van de arbeidersklasse zijn bazen bijvoorbeeld “oneerlijk” en “gierig” omdat ze lage lonen betalen terwijl zij winsten boeken. Echter, vanuit het standpunt van de bazen “verdienen” zij deze winsten, aangezien ze er hun arbeiders “eerlijk” voor hebben betaald. Zij vinden de arbeiders “ondankbaar” omdat ze klagen in plaats van zich gelukkig te prijzen dat ze überhaupt voor hen mogen werken! Het kan soms lijken alsof de maatschappij bestaat uit heel wat verschillende “standpunten”, waarbij geen enkel juister of fouter is dan de andere. Als het marxisme gewoon het standpunt van de arbeidersklasse zou zijn, dan zou het niets meer zijn dan een opinie, en dus subjectief.

Maar de marxistische theorie helpt ons daarentegen om tot een objectief begrip te komen van de wereld in zijn geheel en van de maatschappij in het bijzonder. Het wapent ons met een methode om ons denken te trainen, om de wereld zo accuraat mogelijk te begrijpen. Door bijvoorbeeld de objectieve relatie tussen lonen en winsten te begrijpen, onafhankelijk van ieders “perspectief”, kan het marxisme verklaren waarom de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse er deze verschillende “standpunten” op na houden. Objectief gezien is winst de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse. Dit wordt gemaskeerd door de uitbetaling van uurlonen of maandsalarissen, die het doen lijken alsof arbeiders worden betaald voor al hun geleverde arbeid. Tussen haakjes, door dit instinctief correct aan te voelen, staat het standpunt van de arbeidersklasse wel veel dichter bij de realiteit dan dat van de bazen.

De zoektocht naar objectieve verklaringen is ook de basis van de moderne wetenschap. Wetenschap gaat, door de waarom-vraag te stellen, op zoek naar objectieve verklaringen die teruggaan tot het begin van het universum – en verder. Wetenschap laat ons toe te begrijpen dat alles in de natuur een verklaarbare geschiedenis heeft.

Karl Marx’ doorbraak bestond erin dat hij een wetenschappelijke benadering hanteerde om de maatschappij te verklaren. Hij ontdekte objectieve processen die verklaren hoe de maatschappij ontwikkelt. Hij vond deze in de ontwikkeling van de productiekrachten en de klassenstrijd die daaruit voortvloeit. Anders gezegd, Marx toonde aan dat de methodes en technieken die gebruikt worden om de maatschappij draaiende te houden (de productiekrachten) enerzijds, en de manier waarop mensen hier rond zijn georganiseerd (de productierelaties) anderzijds, aanleiding geven tot het bestaan van verschillende klassen. Deze klassen staan in verschillende verhouding tot de productiekrachten én, tot elkaar. Bijvoorbeeld, de kapitalistische klasse bezit de economie vandaag, de arbeidersklasse niet. De arbeidersklasse leeft van het loon dat ze van de kapitalisten ontvangen voor hun arbeid, de kapitalistische klasse leeft van de uitbuiting van de arbeidskracht van hun arbeiders. Dit verschil in positie, zorgt voor het verschil in “standpunt” over verschillende thema’s, zoals over wat “eerlijk” is.

Deze basisstructuur van de maatschappij bestaat onafhankelijk van eenieders “standpunt”. Het is een objectieve basis voor het verklaren van de maatschappij en kan, zoals Marx zei, “vastgesteld worden met de precisie van natuurwetenschappen”. Uit deze “objectieve basis”, zo legt Marx uit, “komt een legale en politieke superstructuur voort waaraan bepaalde vormen van sociaal bewustzijn corresponderen. De manier waarop het materiële leven wordt geproduceerd, bepaalt het algemeen verloop van het sociaal, politiek en intellectueel leven”. Het marxisme staat ons, door het begrip van de maatschappij op wetenschappelijke basis te stoelen, toe om te verklaren “waarom” dingen in de maatschappij zijn zoals ze zijn. Lenin legde, samen met Leon Trotski – de leider van de Russische arbeidersrevolutie van 1917 – uit dat:

 “Door het filosofisch materialisme te verdiepen en verder uit te werken, voerde Marx tot het einde toe door en breidde hij de natuurkennis ervan uit tot de kennis van de mensenmaatschappij. De grootste verovering van de wetenschappelijke gedachte is het historisch materialisme van Marx. De chaos en willekeur, die tot nog toe heersten in de opvattingen over geschiedenis en politiek, werden vervangen door een verbazingwekkend monoliete en harmonische wetenschappelijke theorie, die aantoont hoe uit de ene vorm van maatschappelijk stelsel als gevolg van de groei van de productiekrachten een andere, hogere vorm ontstaat, bijvoorbeeld uit het feodalisme ontstaat het kapitalisme.

 Net zoals de kennis van de mens de onafhankelijk van hem bestaande natuur weerspiegelt, d.w.z. de evoluerende materie, weerspiegelt de maatschappelijke kennis van de mens (d.w.z. de verschillende filosofische, religieuze, politieke opvattingen en leerstellingen, enz.) de economische structuur van de maatschappij. De politieke instellingen zijn de bovenbouw op de economische basis. Zo zien we bijvoorbeeld hoe de verschillende politieke vormen van de moderne Europese staten de versterking van de heerschappij van de bourgeoisie over het proletariaat dienen.

 De filosofie van Marx is het voltooide filosofische materialisme, dat de mensheid, en de arbeidersklasse in het bijzonder, het machtige wapen van de kennis gaf.”

– Drie bronnen en bestanddelen van het marxisme, 1895

Dit is waarom het marxisme ook het wetenschappelijk socialisme wordt genoemd. Zoals elke wetenschap heeft het marxisme haar eigen analysemethode die ons leert waar we naar objectieve verklaringen moeten te zoeken. De analysemethode van het marxisme heet het dialectisch materialisme. Een keer we bij objectieve verklaringen zijn, biedt het marxisme ons het “gereedschap” om onze bevindingen te onderzoeken. Dit gereedschap zijn de wetten van de dialectiek. (We gaan op beiden verder in in delen II en III).

Wetenschappelijke principes toepassen op de maatschappij, heeft nog een ander gevolg. In ‘De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap’ zei Engels, “dat wat uit alle voorgaande filosofie nog overleeft, is de wetenschap van het denken en zijn wetten – formele logica en dialectiek [uitgelegd in deel III]. Al het andere wordt ondergebracht bij de exacte wetenschap van natuur en geschiedenis.” Engels zegt met andere woorden dat het enige gebied van de menselijke kennis dat nog overblijft voor de filosofie, is om te onderzoeken hoe we denken over de wereld. Al de andere kennis over de wereld, inclusief de menselijke maatschappij, moet via de wetenschappelijke methode verzameld worden, dat wil zeggen door op zoek te gaan naar objectieve verklaringen.

Op welke manier is het marxisme wetenschappelijk?

De basis van wetenschap is het verzamelen van observaties. In sommige takken van de wetenschap kunnen observaties op een meer gedetailleerde en precieze manier verzameld worden via experimenten in een laboratorium. Vervolgens worden theorieën ontwikkeld die die de laboratoriumobservaties verbinden en verklaren. Ons begrip van de wereld ontwikkelt zich op deze manier. Theorieën maken dan op hun beurt onze observaties gerichter doordat we voorspellingen kunnen maken om die theorieën aan te toetsen.

Het marxisme volgt dezelfde benadering. Het laboratorium van het marxisme is de ervaring van de werkende klasse doorheen de geschiedenis. Deze ervaringen zijn de “observaties” van het wetenschappelijk socialisme. In die zin is marxisme niets anders dan een veralgemening van de ervaringen van de werkende klasse. Met “veralgemening” bedoelen we dat we, indien een zelfde gebeurtenis steeds opnieuw voorkomt, we er een regel rond kunnen maken. Als we bijvoorbeeld herhaaldelijk zien dat mensen die rennen op de fabrieksvloer vallen en zich bezeren, zullen we ons de volgende keer dat iemand rent niet afvragen wat er zal gebeuren, maar gewoon zeggen “ren niet!”.

Hetzelfde gaat op voor geschiedenis. Als we zien dat de werkende klasse telkens tegenover dezelfde uitdagingen staat in haar strijd, kunnen we voorspellen dat gelijkaardige uitdagingen ons ook vandaag te wachten staan. Maar ook, als arbeiders bepaalde oplossingen ontwikkelen om die uitdagingen te overkomen, en die falen, leren we uit die mislukkingen en proberen we ze niet herhalen. Bijvoorbeeld, tijdens elke revolutionaire situatie wanneer de werkende klasse de macht probeerde over te nemen, hebben de kapitalisten de staat (de politie, het leger, de rechtbanken etc.) gebruikt om hun systeem te beschermen. Wanneer arbeiders hier niet op voorbereid waren, werden ze verslagen. Door de marxistische analysemethode toe te passen op deze ervaring, hebben we de marxistische theorie van de staat gecreëerd om uit te leggen waarom dit gebeurt. De staat is geen neutrale structuur boven de maatschappij, maar een staat van de heersende klasse. Zo zullen we ons in een volgende revolutionaire situatie niet afvragen wat de staat zal doen en zullen we ons organiseren om onszelf te verdedigen. Onze ervaringen in het verleden laten ons toe om theorieën te ontwikkelen en theorie gidst onze acties.

Soms wordt beweerd dat we geen theorie nodig hebben omdat je “geen theorie kan eten”. Eigenlijk zeg je dan dat we niets te leren hebben uit meer dan 200 jaar opoffering en strijd door de werkende klasse. Want wat is onze theorie anders dan de verzamelde ervaringen uit opoffering en strijd? Beweren dat theorie nutteloos is, is onwetend, of arrogant, of beide.

Waarom begrijpen enkel marxisten de maatschappij op een wetenschappelijke manier?

Voor de werkende klasse is het verkrijgen van wetenschappelijk inzicht in de maatschappij geen academische oefening of een trucje om slim over te komen bij vrienden. We willen de waarom-vraag kunnen beantwoorden om de wereld te kunnen veranderen. Het is Marx’ wetenschappelijke analyse van de geschiedenis, en van het kapitalisme in het bijzonder, die de werkende klasse wapent met een begrip van hoe de maatschappij anders gereorganiseerd kan worden om aan de noden van de meerderheid te voldoen, in plaats van winsten te genereren voor enkelingen. Voor de werkende klasse is het marxisme een gids tot actie in de strijd voor een socialistische maatschappij. Zoals Marx zei, “de filosofen hebben de wereld op enkel verschillende manieren geïnterpreteerd; het komt er op aan om ze te veranderen”.

Socialisme is geen uit de lucht gegrepen idee. Het is een voorspelling gebaseerd op een begrip van de limieten van de bestaande kapitalistische economie. Socialisme zou het systeem van private eigendom in de banken en de financiële sector, de fabrieken en andere grote bedrijven, de transportsector etc. (de sleutelsectoren van de economie) vervangen door een systeem van collectieve eigendom. Op deze basis zou productie voor sociale noden de productie voor private winst kunnen vervangen. In plaats van de chaos en competitie van de kapitalistische markt, zou socialisme een democratisch productieplan organiseren, natuurlijk ook op internationaal niveau. Op deze economische basis kunnen wereldwijd enorme sprongen vooruit te gemaakt worden op vlak van onderwijs, wetenschap, techniek en cultuur, en kan de levensstandaard van de overgrote meerderheid van de wereldbevolking enorm omhoog getrokken worden.

Deze bedreiging voor de heerschappij van hun klasse, is voor de kapitalisten reden genoeg om het marxistische, wetenschappelijk begrip van de maatschappij te bevechten. Op het eerste zicht lijkt dit vreemd. Per slot van rekening is de kapitalistische klasse wel in staat de doorbraken te aanvaarden in de moderne wetenschap, die de natuur kunnen verklaren. Niet in het minst omdat ze deze kunnen omzetten in winsten in de industrie, de farmaceutische sector, de industriële landbouw etc. Ze kunnen zelfs accepteren dat we het individu wetenschappelijk kunnen begrijpen door middel van de moderne psychologie en neurowetenschappen.

Maar de positie die de kapitalisten als klasse innemen, belet hen te erkennen dat ook de maatschappij op wetenschappelijke basis kan worden begrepen. Ze voelen zich bedreigd door ideeën zoals het marxisme, die uitleggen dat de basis van hun heerschappij de private eigendom van de economie is en de basis van hun winsten de uitbuiting van de werkende klasse is. Maar nog bedreigender voor hen is dat eens je het kapitalisme verklaart als onderdeel van een breed historisch ontwikkelingsproces, er is geen reden is om te denken dat de geschiedenis is gestopt bij kapitalisme. Anders gezegd, de maatschappij zal blijven veranderen en het kapitalisme zal niet eeuwig bestaan.

Natuurlijk beweren we niet dat de kapitalistische klasse de wereld simpelweg misleidt, in de zin dat ze de waarheid kennen en deze verbergen. De beste strategen van het kapitalisme kennen en begrijpen de aard van hun systeem tot op zekere hoogte, kennis die ze gebruiken om het te beschermen, maar het gaat over het algemeen over een veel subtieler proces. Je kan de kapitalistische klasse vergelijken met iemand is die een berg probeert te beklimmen maar niet voldoende touw heeft om de top te bereiken. Ze overtuigen zichzelf ervan dat zij op de enige berg ter wereld klimmen omdat ze de top niet kunnen bereiken en niet kunnen zien dat er achter hun berg, vele andere bergen liggen. Hun positie op de berg verblindt hen. Net als de gestrande klimmer die niet aan de top raakt, staat de maatschappelijke positie van de kapitalisten hen niet toe om toe te geven dat hun manier om de maatschappij te organiseren, niet meer is dan dat, hún manier om de maatschappij te organiseren. Daarom worden er steeds verschillende filosofische, religieuze, economische en politieke theorieën ontwikkeld die uitleggen dat de kapitalistische maatschappij “normaal”, “natuurlijk” en zelfs “onvermijdelijk” is.

Verwarring zaaien

In het dagelijkse leven wordt het standpunt van de kapitalisten naar voor geschoven als “gezond verstand”. De gevestigde media herhalen dit eindeloos. Zo hoor je telkens opnieuw dat de rijken rijk zijn omdat ze “hard werken”, niet omdat ze de werkenden uitbuiten. Programma’s als “the sky is the limit” of “leeuwenkuil” verheerlijken hun levensstijl en hun “ondernemingszin”. Ongelijkheid wordt dan weer verklaard als een gevolg van hebzucht dat “eigen is aan de menselijke aard”. Geen woord over de opdeling van de maatschappij in twee klassen: de 1% die de hele economie in handen heeft en de 99% die niets bezit en gedwongen is voor de andere te werken. Sommige mensen gaan dan ook op zoek naar individuele oplossingen en kijken naar goeroes die hen “ondernemerschap” zullen bijbrengen, naar zelfhulp- en lifestylefilosofieën en allerhande “motivational speakers”. Finaal proberen deze echter allemaal om mensen te overtuigen om zich “slim” aan het systeem moeten aanpassen, niet dat ze de berg volledig moeten beklimmen en de horizon zien.

Delen van het “ideologische harnas” van het kapitalisme zijn gesofisticeerder. Kapitalistische regeringen moeten een zeker begrip van de maatschappij hebben als ze een moderne economie willen runnen. Er worden statistieken verzameld omtrent economische groei, wijzigingen binnen de bevolking, import en export, het functioneren van verschillende industriële sectoren etc. En dus worden ook statistieken bijgehouden over armoede, ongelijkheid en werkloosheid. Op geen enkel moment in de geschiedenis hebben we zoveel sociale observaties verzameld! Het is zodoende op het niveau van de theorie dat de verdedigers van het kapitalisme hun harnas moeten sterken. Ze moeten ervoor zorgen dat de theorie de observaties niet verbindt en uitlegt, en dat er niet tot de objectieve conclusie wordt gekomen dat het kapitalisme een ramp is voor de grote meerderheid van de mensheid.

Het marxisme kan echter niet volledig genegeerd worden en dus wordt het voorgesteld als “één van vele theorieën”. De sociologische departementen van universiteiten zitten afgeladen vol met halfbakken en verwarde theorieën. Zoals met snoepjes in een bokaal kan je de theorie uitkiezen die het beste smaakt op dat moment, los van haar mogelijkheid de wereld al dan niet accuraat te verklaren. Zo wordt de heldere stem van het marxisme verdronken in een zee van andere ideeën. Connecties die Marx maakte, worden verbroken. Wanneer ideeën en theorieën op deze manier worden behandeld, spreken we over een eclectische aanpak. Dit is de standaard aanpak in de sociale wetenschappen binnen een kapitalistische maatschappij. Zelfs veel van die handvol academici die beweren het marxisme te steunen, steriliseren het in veel gevallen door de revolutionaire conclusies die eruit voortvloeien, te negeren.

Binnen het kapitalisme wordt enkel in de sociale “wetenschappen” toegestaan dat dit eclecticisme overheerst. Voor het verklaren van de natuur zijn bepaalde wetenschappelijke theorieën accurater dan anderen. De beste worden als standaard naar voren geschoven, de minder goede worden aan de kant geschoven. Zo hebben bijvoorbeeld zowel een sjamaan als een dokter een verklaring over koorts vanuit “hun theorie”. De sjamaan zal uitleggen dat koorts wordt veroorzaakt door boze geesten, de dokter zal een bacteriële infectie als oorzaak meegeven. Het is echter de theorie van de dokter die de situatie het meest precies beschrijft en die tot de juiste behandeling zal leiden, antibiotica in dit geval. De sjamaan kan toevallig een behandeling ontdekt hebben op basis van generaties van trial and error en bijvoorbeeld een plant gebruiken die dezelfde actieve stoffen bevat als waaruit de antibiotica worden gemaakt. Ook kan het goed zijn dat de dokter de actieve ingrediënten ontdekte door de planten die door de sjamaan worden gebruikt, te onderzoeken. Maar toch zou de sjamaan nog steeds niet begrijpen waarom de plant werkte omdat hij haar chemische samenstelling niet begrijpt. Hij zou enkel haar effect kennen. De ene theorie is dus een pak minder precies in het beschrijven van de wereld dan de andere. Wat steek houdt voor de wetenschap en de geneeskunde, doet dat ook voor de maatschappij. Het marxisme kan de maatschappij accurater verklaren dan andere “sociale theorieën”.

Dit betekent natuurlijk niet dat de bestaande sociale verhoudingen niet kunnen binnen sijpelen in de wetenschap, integendeel. Zo rationaliseerden pseudowetenschappelijke theorieën over rassen bijvoorbeeld het bestaan van de zwarte slavernij in de 17de eeuw. Deze theorieën zijn vandaag volledig gediscrediteerd. Omdat ze niet begrepen dat elk aspect of kenmerk van een maatschappij, zoals ook het bestaan van zwarte slaven, een objectieve verklaring vereist die enkel kan worden gevonden in sociale verhoudingen, probeerden wetenschappers theorieën die ze over de natuur ontwikkelden toe te passen op de maatschappij. Gezien ze toen dieren in een hiërarchie van “lagere” tot “hogere” vormen plaatsten, werd hetzelfde gedaan met mensen, met zwarten onderaan de “sociale hiërarchie” en blanken aan de top.

Deze foute manier van werken leeft tot op de dag van vandaag voort in het werk van verschillende, voor het overige deel intelligente, wetenschappers. Dit ontkracht echter de wetenschappelijke methode niet. Het illustreert alleen dat een halfslachtige poging om objectieve verklaringen te vinden, een poging die zich beperkt tot de oppervlakte van de maatschappij, tot fouten zal leiden.

Een andere reden die gebruikt wordt om het marxisme af te wijzen, is dat het een oude theorie is en dat het dus vanzelfsprekend niet meer geschikt is om voor de complexiteit van het leven in de eenentwintigste eeuw te ontrafelen. De ouderdom van een theorie is echter geen criterium om de nuttigheid ervan te bepalen. De leer van Newton, die een eeuw ouder is dan het marxisme, is bijvoorbeeld nog steeds de basis van moderne fysica. Leon Trotsky zei: “het criterium om te antwoorden op die vraag is simpel: als de theorie de loop van ontwikkelingen juist inschat en de toekomst beter kan voorspellen dan andere theorieën, blijft het de meest geavanceerde theorie van onze tijd, hoe oud ze ook mag zijn.”

Een ‘Europese’ theorie?

Bepaalde afrikanisten schrijven het marxisme af omdat het werd ontwikkeld in Europa door een blanke man. Ze vergeten echter dat heel wat van de afrikanisten waar ze naar opkijken, in het bijzonder de leiders van de vrijheidsbewegingen van de jaren ‘50 en ‘60, zich baseerden op het marxisme, of toch op zijn minst deels. Het marxisme is echter geen “uitvinding”, het is een beschrijving van het ontwikkelingsproces van de maatschappij, net zoals de andere wetenschappelijke theorieën de ontwikkelingsprocessen van de natuur beschrijven. Die processen bestaan, of we ze nu een naam geven of niet en los van wie hen het eerst beschreef. Als afrikanisten van de Kilimanjaro springen, zullen ook zij niet worden gered van de effecten van de zwaartekracht, ook al werd de theorie van zwaartekracht eerst in Europa ontwikkeld. Wat wel klopt, is dat de specifieke sociale voorwaarden van het 19e-eeuwse Europa en de opkomst van de revolutionaire werkende klasse Marx toestonden zijn ideeën te ontwikkelen.

Bepaalde ideeën behoren de hele mensheid toe, onafhankelijk van hun oorsprong. Het schrift werd bijvoorbeeld uitgevonden in Afrika. Sindsdien werd die uitvinding aangepast aan de verschillende talen van de wereld. Chinese letters verschillen fundamenteel van Arabische of Engelse letters, maar de onderliggende methode (woorden en klanken van de menselijke spraak weergeven in symbolen) is dezelfde. Op dezelfde manier kan de marxistische methode toegepast worden om heel verschillende maatschappijen in verschillende stadia van ontwikkeling te begrijpen. Ze kan zowel toegepast worden op pre- en neokoloniale Afrikaanse maatschappijen als op de verschillende fases van de Europese maatschappijen.

De nieuwe zwarte elite in Afrika lijkt dus, net als de westerse kapitalisten, midden op de berg te zijn gestrand. Marx’ Europese origine is hun excuus om de revolutionaire conclusies van het marxisme af te wijzen omdat deze hun eigen belangen binnen de kapitalistische maatschappij bedreigen.

De stalinistische vervorming van het marxisme

Het stalinisme bediende zich van hetzelfde excuus en maakte haar eigen vervorming van het marxisme. Ze drong Marx’ beschrijving van een Europese klassenmaatschappij op aan de Afrikaanse maatschappij. Voordat de arbeidersklasse in

Europa de strijd voor het socialisme aanving, ontwikkelde Europa van een klassieke slavenhoudersmaatschappij, via een feodale maatschappij met koningen, grondbezitters en lijfeigenen, tot een kapitalistische maatschappij. De stalinisten schoven naar voor dat Afrika “onvermijdelijk” ook dit patroon zou moeten volgen voordat socialisme zelfs maar denkbaar zou zijn. Maar alleen al de interactie tussen ontwikkelde, Europese, kapitalistische samenlevingen en de Afrikaanse, prekapitalistische samenlevingen gedurende eeuwen van slavernij, kolonialisme, uitbuiting en onderdrukking onderbrak het pad van autonome ontwikkeling dat Afrika had kunnen volgen. Afrika, net als alle andere werelddelen, maakt nu deel uit van het globale kapitalistische systeem, zij het met eigen karakteristieken die overbleven uit haar prekapitalistische voorgeschiedenis.

Deze vervorming van het marxisme had de dictatoriale stalinistische bureaucratie nodig. Hun verraad van de Russische arbeidersrevolutie van 1917 zorgde ervoor dat ze vreesden voor succesvolle socialistische revoluties elders. Als echt socialisme, gebaseerd op arbeidersdemocratie, elders had ontstaan, kon de Russische werkende klasse daaruit inspiratie putten om het gevecht aan te gaan met de bureaucratie en ze omver te werpen. Het idee dat een periode van kapitalisme noodzakelijk was voor de koloniale en neokoloniale wereld, werd een belangrijk deel van het buitenlands beleid van de stalinistische bureaucratie om zo revolutionaire bewegingen te doen ontsporen. De theorie van de nationale, democratische revolutie die bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij (SACP) naar voor schuift, dient als een “theoretische” rechtvaardiging voor het compromis die de SACP sloot met het kapitalisme.

Doorheen de hele neokoloniale wereld hielden de stalinisten vast aan dit dogma, ook wanneer dit tot belangrijke nederlagen en massale van onderdrukking van de arbeidersbeweging leidde zoals in Chili in ’73. Ook de stalinisten stranden dus onder de top van de berg, vanwege hun eigen positie en belangen. Hun vervorming van het marxisme is vandaag vooral een manier om de “communistische” ministers in de Zuid-Afrikaanse regering toe te staan om enorme salarissen te innen, in grote villa’s te wonen en met BMW’s rond te rijden.

De stalinistische werkwijze waarbij theorieën ontwikkeld worden en daarna geëist wordt dat de maatschappij er zich aan aanpast, heeft niets te maken met echt marxisme. Leon Trotsky, die verbannen en vermoord werd door de stalinistische bureaucratie vanwege zijn verdediging van de echte marxistische methode, ontwikkelde de theorie van de permanente revolutie. Hij toonde aan dat de rest van de wereld niet “voorbestemd” is om het pad van de Europese ontwikkeling te volgen. Hij nam als startpunt het principe dat de waarheid concreet is, een belangrijk principe van het marxisme. Trotsky bestudeerde de koloniale en semikoloniale landen en toonde aan dat de economische ontwikkeling die in Europa had plaats gevonden onder de leiding van de kapitalisten, vandaag in de koloniale wereld door de arbeidersklasse, die de boeren leidt, zou moeten worden getrokken. Dit was ook nergens zou duidelijk geweest als in Rusland zelf tijdens revolutie van 1917, en dit tot groot ongemak van de stalinisten.

Theorie van de arbeidersklasse kan het ideologische harnas van het kapitalisme doorboren

Van zodra er theorieën ontwikkeld zijn die het bestaan van het kapitalisme verdedigen, gebruikt de kapitalistische klasse haar controle over de maatschappij (via haar eigendom van de media, haar controle over het onderwijs etc.) om deze door de hele maatschappij te doen aanvaarden. Deze ideeën worden deel van wat we het “ideologische harnas van het kapitalisme” noemen. Zoals Marx observeerde, “de dominante ideeën in de maatschappij zijn steeds die van de heersende klasse”.

Geen enkele ideologische verdediging van het kapitalisme kan er echter in slagen de werkende klassen volledig in slaap te wiegen. De realiteit confronteert ons voortdurend met de kloof tussen wat we worden verteld over de maatschappij en onze dagelijkse ervaringen. De ervaring van onze eigen uitbuiting en armoede terwijl we de gigantische rijkdom zien die deze zou kunnen oplossen, ontkracht dat “alles is zoals het zou moeten zijn”. Het marxisme maakt de werkende klasse bewust van deze kloof, van het vermoeden dat “alles niet is zoals het zou moeten zijn”. Het marxisme leert ons om onze manier van denken te trainen, om door de mist van verwarring te kijken en te zien waarop dat kapitalistische “gezond verstand” is gebaseerd. Maar ook om te begrijpen hoe we de maatschappij kunnen veranderen.

Binnen de kapitalistische maatschappij wordt er alles aan gedaan om arbeiders, jongeren, armen, en andere uitgebuiten er net van te weerhouden om dit te doen. Zo wordt velen zelfs het meest basale onderwijs onthouden. Aan de andere kant zal zelfs de meest prestigieuze universiteit ons niet leren hoe we door de verwarde ideeën van de kapitalistische maatschappij kunnen kijken. Om dit te doen moeten we ons tot onze eigen revolutionaire organisaties richten, en onszelf trainen en onderrichten. Door de marxistische analyse te gebruiken kan elke arbeider het niveau van inzicht van eender welke ondernemer, priester, industrieel of kapitalistische politicus komen, of dit zelfs overstijgen.

 

Deel 2. De marxistische methode: Dialectisch materialisme

Het marxisme is, net zoals alle ideeën, het product van historische ontwikkelingen. Geen enkel idee ontstaat in een vacuüm maar wordt beïnvloed door de al bestaande ideeën, ook al zijn het net die ideeën die het wil vervangen. Een nieuw idee drukt zich zelfs vaak uit in dezelfde taal of bewoordingen van de al bestaande ideeën.

Over de ontwikkeling van het marxisme legde Engels uit dat:

Het moderne socialisme is in essentie het directe product van waarnemingen. Enerzijds van de in de huidige maatschappij heersende klassentegenstellingen tussen bezitters en bezitlozen, tussen kapitalisten en loonarbeiders. Anderzijds van de in de productie heersende anarchie. Wat echter zijn theoretische vorm betreft, treedt het moderne socialisme aanvankelijk op als een verdergaande, zogenaamd meer logische consequente voortzetting van de door de grote mannen van de 18de-eeuwse Franse Verlichting opgestelde beginselen. Zoals iedere nieuwe theorie moest het moderne socialisme eerst met het aanwezige gedachtemateriaal aanknopen, hoezeer het ook wortelde in de materiële economische feiten.

– De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap, 1880

In de tijd van Marx en Engels was het intellectuele gedachtengoed van de westerse en Oudgriekse filosofen algemeen bekend, of toch bij het meer geschoolde publiek. 150 jaar na de tijd van Marx klinken deze ideeën niet meer zo vertrouwd. De betekenis van veel alledaagse woorden is intussen ook veranderd. Toch moeten revolutionairen proberen om deze ideeën te begrijpen. Een basisoverzicht van de geschiedenis van de filosofie komt later aan bod in deel IV, eerst leggen we het dialectisch materialisme verder uit aan de hand van enkele meer gekende ideeën van de moderne wetenschap.

Hoe kunnen we iets weten?

Om dialectisch materialisme te kunnen begrijpen, moeten we starten met de meest elementaire vraag van allemaal: hoe kunnen we iets te weten komen over de wereld rondom ons? Hoe weten we waar we “objectieve verklaringen” kunnen vinden?

Het menselijk begrip van de wereld doorheen de geschiedenis kan vergeleken worden met een schaar. De ene handgreep vertegenwoordigt de wereld zoals die werkelijk is; de andere ons begrip van de wereld. Hoe dichter beide handgrepen bij elkaar komen, hoe accurater, hoe preciezer ons begrip van de wereld is.

Mensen hebben altijd geprobeerd om deze kloof te overbruggen. En hoewel deze pogingen nooit willekeurig zijn geweest, ontstonden er verschillende visies op hoe men deze kloof kon dichten. Deze visies waren telkens producten van de toen geldende sociale condities, net zoals de verschillende standpunten over de “rechtvaardigheid” van lonen en winsten dat vandaag zijn.

Zo ontwikkelden primitieve samenlevingen, zonder wetenschappelijk inzicht en met weinig begrip van de natuur, bovennatuurlijke ideeën om de wereld te begrijpen. Ze dachten bijvoorbeeld dat goden of geesten het weer controleerden (zie deel IV voor meer informatie over primitieve religies). Zonder een begrip van wat een “objectieve verklaring” is, kon de juistheid van hun ideeën niet bepaald worden, ze gingen bijvoorbeeld niet na of ze via hun ideeën correcte voorspellingen konden maken. Ideeën werden zo “onafhankelijk” gemaakt. Ze werden gescheiden van de sociale condities die hen creëerden en werden verheven tot de status van objectieve verklaringen, uit hun eigen recht. Dit gaf ideeën een onbetwistbaar statuut als vanzelfsprekende waarheden die bestaan buiten de geschiedenis. Maar dit zet de relatie tussen ideeën en de wereld op zijn kop! Mensen geloofden onterecht dat de wereld zich moest aanpassen aan hun ideeën, niet dat ze hun ideeën zich moesten aanpassen aan wereld om ze preciezer of “juister” te maken.

In filosofische taal wordt deze benadering idealisme genoemd. Wanneer we spreken over “idealisme” in de filosofische zin, mogen we dit niet verwarren met het moderne, alledaagse gebruik van het woord. Vandaag wordt iemand een “idealist” genoemd wanneer iemand “goede” of “eerlijke” motieven heeft voor zijn of haar daden. Dat is echter niet wat bedoeld wordt met idealisme in de filosofie. Daar betekent idealisme dat men ideeën verheft tot de status van objectieve verklaringen, dat men ideeën als ideaal (vandaar de naam) of “afgeronde perfectie” beschouwd – met andere woorden ideeën worden abstract (dit wordt verder uitgelegd in deel III). In deze logica heeft de schaar 2 rechter handgrepen – via “ons begrip van de wereld” proberen we “ons begrip van de wereld” te vergroten.

Het doodlopende straatje van het idealisme neemt vaak de vorm van religie aan en ook vandaag bestaat idealisme nog overal. Het is bijvoorbeeld niet moeilijk om een luie journalist te vinden die het einde van het Zuid-Afrikaanse, kapitalistische apartheidsregime verklaart door iets te zeggen als: “De erkenning dat democratische rechten konden en moesten uitgebreid worden naar alle rassen en dat leidde ertoe dat de leiders van apartheid uiteindelijk aan de onderhandelingstafel gingen zitten in de late jaren ‘80”.

Wanneer je hierover verder nadenkt wordt duidelijk dat zo’n bewering helemaal niets verklaartWaarom kwamen de leiders van de apartheid tot deze erkenning? Waarom veranderden ze hun standpunt in de late jaren ’80 en bijvoorbeeld niet in de late jaren ’60? Dat zijn de vragen die beantwoord moeten worden om uit te leggen waarom, eerder dan het gewoon te vermelden als een feit. Deze “verklaring” geeft ons de indruk dat de apartheidsleiders gingen slapen als racisten en wakker werden als helden van vrijheid en democratie.

Deze onbevredigende verklaring van onze verzonnen, maar levensechte, journalist is het resultaat van idealisme – d.w.z. het niet nodig vinden om veranderingen in ideeën te verklaren omdat ideeën los bestaan van sociale condities. Om een echte verklaring van het einde van de apartheid te vinden, moeten we net starten bij het onderzoeken van de sociale condities. Met andere woorden, we moeten kijken naar de veranderingen die plaatsvonden in de maatschappij in de late jaren ‘80. De verandering in de attitudes van de leiders van de apartheid, was een product van de economische crisis in Zuid-Afrika, de massabeweging van de zwarte arbeidersklasse en de instorting van de Sovjet-Unie die leidde tot het einde van de Koude Oorlog. Deze veranderende sociale condities verklaren waarom de apartheidsleiders tot hun “uiteindelijke erkenning van democratische rechten” kwamen en waarom ze er toe kwamen om een akkoord te sluiten met de ANC, waardoor de apartheid werd beëindigd (maar tegelijk ook de kapitalistische economische fundamenten behouden en gegarandeerd bleven).

Van subjectief idealisme tot objectieve wetenschap

Het menselijke begrip van de wereld is enorm toegenomen in de laatste eeuwen, en het zorgde voor de uitvinding van opmerkelijke technologieën, medicijnen, industriële technieken … die voor een vorige generatie onmogelijk hadden geleken. Hoe heeft de maatschappij zich bevrijd uit het doodlopende straatje van het idealisme en is zij beginnen begrijpen waar men moest zoeken voor objectieve verklaringen? De doorbraak kwam er het eerst in ons begrip van de natuur. Maar hoe kwam het dat ons begrip van de natuur veranderde? Voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis, bijvoorbeeld, keken mensen ‘s morgens naar de zon, net zoals jij de zon morgen kan zien opkomen. Als wij naar de zon kijken zien we hetzelfde als onze voorouders. Onze voorouders begrepen echter niet waar ze precies naar keken. De zon leek voor hen op een bal vuur die boven hun hoofd rondcirkelde. Ze gaven de zon waarschijnlijk een naam en zeiden dat het een god was.

Vandaag begrijpen we dat de zon een ster is net zoals de miljarden andere sterren in ons heelal. De zon blijft branden door een proces van nucleaire fusie, ze is meer dan 100 maal groter dan de aarde, is meer dan 149 miljoen kilometer van ons verwijderd, en we weten dat het de aarde is die rond de zon draait en niet andersom.

Maar de zonsopgang ziet er nog steeds hetzelfde uit. We kunnen de nieuwe feiten over de zon niet zomaar met onze ogen waarnemen. Het is zelfs niet evident om te begrijpen dat de sterren die we ’s nachts zien hetzelfde zijn als de “vuurbal” die we overdag zien. Hoe was het mogelijk dat we ons denken over de zon zo radicaal konden veranderen?

Dit was mogelijk door de uitvinding van de telescoop en het bestuderen van de nachtelijke sterrenhemel tijdens de wetenschappelijke revolutie in de 17de eeuw. Nauwkeurige observaties van vroege wetenschappers maakten het mogelijk om dingen op te merken die onzichtbaar waren voor het blote oog. Door het observeren van de banen van planeten rond de zon, konden wetenschappers het “opkomen” van de zon verklaren als het resultaat van de rotatie van de aarde. Er werd op basis van observatie een objectieve verklaring ontwikkeld.

Dat deze nieuwe verklaring voor de zonsopgang accurater was, werd bewezen door haar vermogen om voorspellingen te maken. Edmond Halley was bijvoorbeeld in staat om te voorspellen in welk jaar een bepaalde komeet terug zijn volgende verschijning in de sterrenhemel zou maken, en dit op basis van nieuwe theorieën over zwaartekracht en elliptische banen. Halley’s voorspelling was correct en de komeet verschijnt sindsdien om de 75-76 jaren.

Materialisme – het eerste fundament van marxisme

Het nieuwe aan de wetenschap was het erkennen dat de natuur een objectief bestaan kent, een bestaan onafhankelijk van eender welk “standpunt” men inneemt. Volgens de wetenschap kunnen enkel objectieve observaties van de wereld ons voorzien van feiten. Dit was een grote doorbraak voor het menselijk begrip. De moderne wetenschap legde vast hoe we de relatie tussen de wereld, of toch minstens de natuur, en onze ideeën moeten begrijpen. Zoals Karl Marx zei in zijn tweede stelling over Feuerbach: “De vraag of aan het menselijk denken objectieve waarheid mag worden toegekend, is geen theoretische, maar een praktische vraag.” Met andere woorden, de juistheid van onze ideeën over de wereld moet getest worden door het onderzoeken van de dingen die we proberen te begrijpen.

Zoals in de wetenschappen, is het idee dat alles in de wereld een objectieve verklaring heeft, het eerste fundament van het marxisme. In de filosofische taal van de 19de eeuw noemen we dit fundament van het marxisme: materialisme. Wanneer we spreken over “materialisme” in de filosofie, mag men dit niet verwarren met het alledaagse gebruik van het woord. Vandaag is iemand een materialist als die persoon veel belang hecht aan het bezitten van materiele rijkdom en uiterlijk vertoon. In de filosofie is materialisme het idee dat de wereld bestaat onafhankelijk van de “standpunten” erover.

Hieruit volgt dat alle dingen die op het eerste gezicht subjectief lijken, zoals gedachten en emoties, religieuze ideeën, waarden en normen… eigenlijk een objectieve verklaring hebben. Gedachten en emoties zijn bijvoorbeeld het product van onze hersenen. Als er geen hersenen zijn, dan zijn er geen gedachten en emoties. De emoties ervaren door mensen hebben allemaal een evolutionaire oorsprong in de primitieve gemoedstoestanden ervaren door minder complexe wezens. Verschillende overtuigingen en ideeën, zoals religieuze of politieke opvattingen, hebben een objectieve verklaring in de sociale condities van de maatschappij die hen gecreëerd hebben. Zoals Marx zei: “de condities bepalen het bewustzijn”.

Dialectisch denken – het tweede fundament van het marxisme

Er is één bijzondere eigenschap van de wereld die zo fundamenteel is dat ze wel deel moet uitmaken van de manier waarop we over de wereld denken. Deze eigenschap is essentieel om de wereld zo accuraat mogelijk te kunnen beschrijven. Overal zien we dat niets in de wereld statisch, onbeweeglijk of gefixeerd is. Door een groot aantal verschillende processen ondergaan alle dingen een constante verandering. Deze vaststelling bepaald het tweede fundament van het marxisme: de dialectiek, of het dialectisch denken, dat de constante verandering in de wereld beschrijft.

Wanneer de fundamenten van het materialisme en het dialectisch denken gecombineerd worden, spreken we over de marxistische methode of het dialectisch materialisme. Door de processen van verandering te herkennen, beschrijft het dialectisch materialisme heel goed de manier waarop de wereld zich ontwikkelt, en kan ze helpen om de “kenniskloof” te dichten.

Dialectisch materialisme helpt ons om te begrijpen dat alles wat bestaat, van de sterrenstelsels tot onze gedachten, deel uitmaakt van een spectrum van continue ontwikkeling. Zoals Trotski stelde: “het bewustzijn groeide uit het onbewuste, psychologie uit de fysiologie, de organische wereld uit de anorganische, het zonnestelsel uit de nevels.” De moderne wetenschap bevestigd het bestaan van dit proces van continue ontwikkeling in de natuur. Het marxisme op haar beurt bewijst dat dit proces ook geldt voor de ontwikkeling van maatschappijen, daar zelfs niet bij stopt, en zelfs geldt tot aan het niveau van ideeën, zoals we die we in deze tekst bediscussiëren.

 

Deel 3 De werktuigen van het dialectisch denken

Dialectisch materialisme is een methode. Het is geen loper die ons automatisch kennis verleent over de wereld. Dialectisch materialisme leert ons simpelweg waar te kijken voor objectieve verklaringen. Er is geen binnenweg rond het vinden en bestuderen van feiten over alle dingen die we hopen te begrijpen, hoe zaken veranderen incluis. Hoe we die feiten organiseren en verbinden om ze te begrijpen is echter cruciaal.

Modellen, abstracties en veralgemeningen

Modellen gebruiken is één van de methodes om theorieën te ontwikkelen en observaties uit te leggen. Een wetenschappelijk model is een manier om te beschrijven hoe de wereld werkt. Modellen zijn gesimplificeerde weergaven die ons toelaten iets te begrijpen dat we misschien nooit zullen zien – m.a.w. we maken een “perspectief” dat niet begrensd is door onze zintuigen. Bijvoorbeeld, via het zonnestelsel, een modern wetenschappelijk model, zijn we in staat heel wat meer te begrijpen dan ons gezichtsvermogen toelaat.

Sommige modellen “lijken” helemaal niet op de zaken die ze beschrijven. Atomen zijn bijvoorbeeld de bouwstenen van alle materie in het universum, de mens inbegrepen. Het model van het atoom dat hieronder wordt weergegeven is echter met opzet ontworpen om te lijken op het zonnestelsel.

Het model toont drie sub-atomische deeltjes waaruit een atoom bestaat: een proton- en neutronkern in het midden (de grijze en zwarte cirkels) met “graviterende” elektronen (de witte cirkels). Het model stelt deze sub-atomische deeltjes voor als kleine cirkels, maar het is een simplificatie van een atoom om ons te helpen om het te begrijpen. Elektronen zijn negatieve elektrische ladingen, lijkt zo’n lading op een witte cirkel? Vrijwel zeker niet. Protonen en neutronen kunnen verder worden opgedeeld in up quarks en down quarks, lijken deze echt op grijze en zwarte cirkels? Opnieuw, bijna zeker niet.

Maar toch – mathematische vergelijkingen die een meer precieze beschrijving van atomen toelaten ter zijde gelaten – faciliteert dit model een begrijpelijke weergave van een atoom dat ons helpt de chemische elementen en reacties te begrijpen die de basisblokken van het universum creëren. Door dit model te gebruiken kunnen we voorspellingen doen die op hun beurt bewijzen dat het model wel degelijk beschrijft hoe materie op verschillende manieren ontwikkelt.

Het model van de atoom is dus een abstractie. Wat bedoelen we met abstractie? We bedoelen dat we iets uit zijn context halen en het simplificeren om het te begrijpen. Dit vormt een belangrijk onderdeel van denken. Eens het ontwikkeld is, kan een model worden veralgemeend en toegepast op alle gelijkaardige fenomenen. We hoeven bijvoorbeeld niet de triljoenen atomen waaruit het menselijk lichaam bestaat te bestuderen om na te gaan of ze allemaal in een model van de atoom passen. We gebruiken dit model voor elk atoom tot een observatie aantoont dat ons model iets niet uitlegt. Als dat gebeurt, keren we op onze stappen terug, vragen we ons af waarom en ontwikkelen we een preciezer model vanuit meer precieze observaties.

Het marxisme gebruikt deze wetenschappelijke methode ook. Marx’ meesterwerk, het kapitaal, is een gedetailleerde studie van hoe de kapitalistische maatschappij werkt. Het is een toonbeeld van de dialectisch materialistische methode. Marx bestudeert de historische ontwikkeling van het kapitalisme, maar om de verschillende economische processen binnen het kapitalisme te beschrijven simplificeert hij deze door middel van abstracte modellen of wiskundige vergelijkingen, vooraleer hij ze terug in hun historische context plaatst. Zelfs de simpelste ideeën in het marxisme maken gebruik van abstracties en veralgemeningen. Neem bijvoorbeeld het idee van “de werkende klasse”. Op elk moment, in elke gegeven maatschappij bestaat de werkende klasse uit verschillende sociale lagen en miljoenen, nu miljarden individuen. Er zijn metaalarbeiders, mijnwerkers, mensen werkzaam in distributie, bedienden, werklozen enz. Binnen elke sector is er een arbeidsdeling en zijn er verschillende jobs. Er is geen enkel individu dat een perfect voorbeeld is van “de werkende klasse”. De term is echter wel een erg nuttige veralgemening die ons de maatschappij helpt begrijpen.

De limieten van modellen, abstracties en veralgemeningen

Veel van de ideeën en concepten die we in het dagelijkse leven gebruiken zijn abstracties of veralgemenende modellen. Deze cruciale “mentale binnenwegen” zorgen ervoor dat we niet worden overladen met informatie. Deze manier van denken heeft echter ook een keerzijde. De limieten ervan begrijpen is van het grootste belang om zeker te zijn dat onze ideeën de wereld accuraat beschrijven. In de volksmond zegt men dat het “fout is om te veralgemenen”. Ze bedoelen daarmee meestal, en terecht, dat het fout is om een hele groep mensen te veroordelen voor de misdaden van één individu, om ze allemaal “over dezelfde kam te scheren”. In algemene filosofische termen is het enkel soms verkeerd om te veralgemenen, maar het is cruciaal om te weten wanneer het verkeerd is. Dit punt kan worden bewezen met de simpelste abstractie – een naam, of een etiket.

 

Kijk naar de foto hierboven. Wat is dit?
Antwoordde je “appel”?

Wat is dit?
Antwoordde je opnieuw appel?

 

 

We gebruiken hetzelfde etiket om deze twee appels te beschrijven. Onze etiketten behandelen hen als identiek. In feite zijn ze helemaal niet identiek. Ze hebben om te beginnen al verschillende vormen en tinten! Als je al in rekening had gebracht dat er verschillende soorten appels bestaan, had je in plaats van “appel” te antwoorden misschien “granny smith” en “golden delicious” kunnen zeggen. Maar ook daar stopt het niet. Ik had je dan granny smith appels kunnen tonen.

Opnieuw, geen van hen is identiek. Ze hebben verschillende vormen, groottes en tinten. Hoewel het etiket “granny smith” op een kleiner aantal appels slaat, behandelt het nog steeds een reeks heel diverse dingen als identiek.

Meestal kunnen we deze verschillende soorten zonder problemen en gemakshalve “appels” noemen. Het etiket “appel” is echter te onnauwkeurig als we willen weten met welke variëteit we zoete cider zouden kunnen brouwen of een goede appeltaart zouden kunnen bakken. Niet alles dat kan worden beschreven met het etiket “appel” kan immers even goed voor deze dingen gebruikt worden.

Kunnen meer precieze etiketten ons helpen deze limieten te overwinnen? We kunnen deze appel bijvoorbeeld… een volledig uniek etiket geven, “appel 1” bijvoorbeeld. Het etiket appel 1 is van toepassing op deze appel en op geen enkele andere appel in de wereld. Elke vast te stellen eigenschap van deze appel die haar verschillend maakt van eender welke andere appel – haar afmetingen, vorm, kleur, gewicht etc. – wordt beschreven door het etiket appel 1. Kunnen we door ons etiket zo ver te specificeren deze appel accuraat beschrijven?

Het antwoord is: alleen voor een korte periode. Alle eigenschappen die worden beschreven door het etiket appel 1 ondergaan veranderingen van het ene uur op het andere en van de ene seconde op de andere. Deze appel kon perfect worden beschreven door

het etiket appel 1 indien deze appel los zou bestaan van tijd. Alles dat bestaat is echter tijdsgebonden. Elke appel die van de boom werd geplukt is aan het rotten. Binnen een korte of langere periode zal haar kleur donkerder, en uiteindelijk bruin, worden. De stevige ronde vorm zal gerimpeld, vervormd en zacht worden. Alle eigenschappen die appel 1 beschrijven zullen verdwijnen. Zal het dan nog steeds gewoon dezelfde appel 1 zijn?

Ja en nee. Indien we een camera met tijdsintervallen zouden installeren zou je de appel voor je ogen kunnen zien rotten, maar wat rest is niet “appel 1” maar een “rotte appel”. Die eerste zouden we met plezier opeten, de tweede zouden we niet eens willen aanraken. Het etiket appel 1 wordt nutteloos voor het beschrijven van deze appel na amper een paar weken, door het verstrijken van tijd en door veranderingsprocessen.

Als ik wil vasthouden aan het etiket appel 1 zal ik erop moeten staan dat er niets is veranderd. Wanneer ik dit doe, hecht ik meer waarde aan het etiket dan aan het ding dat het moet beschrijven. Het etiket wordt volledig uit haar context gerukt en het wordt geheel abstract. Dit leidt ertoe dat we de wereld als statisch en onveranderlijk gaan beschouwen omdat onze abstracte modellen en etiketten statisch en onveranderlijk zijn. Dit brengt ons rechtstreeks terug bij het idealisme, zoals beschreven in deel 2.

Wat we hier beschrijven zijn de limieten van de formele logica. Dialectisch denken wordt soms dialectische logica genoemd. Formele logica kan ons niet helpen processen van verandering te begrijpen; dialectiek kan dat wel. Het woord “logica” wordt vandaag nog steeds gebruikt, normaal in aanmaningen om “logisch na te denken” over een probleem of om “logica toe te passen” op een situatie. Het woord komt van het Oudgriekse woord logos, wat rede betekent. Het kan nuttig zijn om de verschillende vormen van logica te zien als verschillende vormen van redeneren.

Abstracte ideeën over de maatschappij

Wanneer we de maatschappij proberen begrijpen, hebben abstracte etiketten die processen van verandering niet in acht nemen een verwarrend effect. We weten bijvoorbeeld wat de ideeën “gerechtigheid” en “eerlijkheid” algemeen betekenen, maar als we ze niet in hun context plaatsen zijn ze betekenisloos. De interpretatie van “gerechtigheid” door de kapitalistische klasse is een “eerlijke” winst kunnen maken op hun investeringen; de interpretatie van de werkende klasse is een “eerlijk” loon kunnen krijgen voor hun arbeid. Aangezien een hoog loon winsten doet afnemen en hoge winsten lonen reduceren, worden dezelfde etiketten “gerechtigheid” en “eerlijkheid” hier gebruikt om verschillende dingen te beschrijven. Als je een onderhandelaar van de vakbond en een fabriekseigenaar op het nieuws laat debatteren zullen ze beiden “gerechtigheid” en “eerlijkheid” als abstracte concepten tegen elkaar gebruiken. Beiden zullen vanuit hun perspectief het gevoel hebben dat “gerechtigheid” en “eerlijkheid” aan hun kant staan, maar ze zullen er zo goed als zeker in falen om elkaar te overtuigen. Indien het debat niet verder gaat dan abstracties en men “gerechtigheid” en “eerlijkheid” geen context geeft, schakelen we de televisie beter uit, we zullen toch niets op steken.

Een ander voorbeeld is het etiket “ANC” [African National Congress, Afrikaans Nationaal Congres, nvdr]. Dit etiket wordt gebruikt om een organisatie te beschrijven die al meer dan honderd jaar bestaat. We gebruiken het vandaag als een korte manier om te verwijzen naar één of andere nieuwe politieke lijn van het de regering of een nieuw geval van corruptie waarin het ANC betrokken is. Wanneer we echter kijken naar de rol van het ANC doorheen de laatste honderd jaar is het etiket “ANC” niet precies genoeg om ons de geschiedenis van die organisatie te helpen snappen.

Van haar stichting in 1912 tot in de jaren ‘40 was het ANC een elitaire lobbygroep die probeerde de Britse Koningin te beïnvloeden. Hun oorspronkelijke doel was om zwarten die onroerend goed bezaten, vooral landeigenaars, stemrecht te geven. In de jaren ‘50 en het begin van de jaren ‘60 begon het ANC – onder invloed van de industrialisatie, de verstedelijking en de ontwikkeling van de werkende klasse – zich te richten op massa-actie, zoals boycots en stakingen. Gedurende de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 was het ANC verboden en bestond het vooral in ballingschap. Het ballingschap gaf de organisatie een meer heimelijk en gesloten karakter. In Zuid-Afrika zelf werd het ANC echter steeds meer een symbool voor de vrijheidsstrijd die werd gevochten door andere krachten zoals studenten en vakbonden. Na 1994 werd het ANC de regeringspartij van een neokoloniale, kapitalistische maatschappij. Al deze ontwikkelingsfases van het ANC waren verschillend, dus op welke fase slaat het etiket “ANC” dan wel? Tenzij we duidelijk zijn over de historische context waarin we het etiket “ANC” gebruiken, zullen we fouten maken.

Eén van die fouten die ontstaat door het verkeerdelijk gebruik van het etiket “ANC” is vooral voor jongeren frustrerend. Voor de jeugd betekent “ANC”, “het ANC van na 1994”, d.w.z. een neoliberale, kapitalistische regeringspartij. Voor sommige ouderen daarentegen, zeker in rurale gebieden, betekent het etiket “ANC” , “het ANC van tijdens de jaren ‘80”, d.w.z. een symbool van vrijheidsstrijd. De leiders van het ANC misbruiken deze fout, eigen aan de formele logica, om de oudere generatie om steun te vragen voor hun anti-arbeiders politiek. Vandaag doorzien echter miljoenen mensen deze truc wanneer ze zeggen: “Dit is niet ons ANC”. Deze leuze getuigt eigenlijk van een diepgaand filosofisch inzicht! Het erkent het element verandering en de limieten van het statische etiket “ANC”.

Dialectisch denken

Trotski vatte samen hoe dialectisch denken ons helpt de limieten van statische etiketten te overkomen. Hij legde uit dat:

“Ruw denken werkt met concepten als kapitalisme, moraal, vrijheid, de arbeidersstaat* enz. als vaste abstracties, ervan uitgaande dat kapitalisme gelijk is aan kapitalisme, moraal gelijk is aan moraal enz. Dialectisch denken analyseert alle zaken en fenomenen binnen de voortdurende verandering die ze doormaken en zoekt tegelijkertijd in de materiële condities naar de kritische grens voorbij dewelke “A” ophoudt “A” te zijn, voorbij dewelke een arbeidersstaat[*] ophoudt een arbeidersstaat te zijn.

De fundamentele fout van ruw denken is dat het wenst zich tevreden te stellen met bewegingsloze afdrukken van een realiteit

die bestaat uit voortdurende beweging. Dialectisch denken geeft concepten, door middel van dichtere benaderingen, correcties, concretiseringen enz. een rijkdom van context en flexibiliteit; ik zou zelfs zeggen een tastbaarheid die hen dicht bij levende fenomenen brengt. Niet kapitalisme in het algemeen, maar een gegeven kapitalisme in een gegeven stadium van ontwikkeling. Geen arbeidersstaat in het algemeen, maar een gegeven arbeidersstaat in een achtergesteld land, omcirkeld door imperialistische mogendheden, enz.

Dialectisch denken verhoudt zich tegenover ruw denken op dezelfde manier als een film zich tegenover een foto verhoudt. De film maakt de foto niet overbodig, maar combineert een serie van foto’s volgens de wetten van beweging. Dialectiek ontkent het syllogisme [het etiket van de formele logica] niet, maar leert ons syllogismen te combineren op een dergelijke manier dat ze ons begrip dichter brengen bij een voortdurend veranderende realiteit.”

Een kleinburgerlijke oppositie, 1939

[* Met de “arbeidersstaat” verwees Trotski naar Soviet Rusland (de USSR). In deze polemiek verdedigde hij de Russische revolutie tegen kleinburgerlijke (of middenklasse) “revolutionairen” die, bang voor de Stalinistische degeneratie van Soviet Rusland, dialectisch materialisme overboord hadden gegooid en zich terugtrokken in een vorm van idealisme dat probeerde om de revolutionaire doctrine, het dialectisch materialisme, de fouten aan te wrijven van diegenen die haar verraden hadden.]

Zoals Trotski uitlegt vervangt dialectisch denken simpele modellen, broodnodig voor het dagelijkse leven, niet. Het verbindt ze en plaatst ze in een spectrum van voortdurende ontwikkeling. Dialectisch denken betekent dat we onszelf trainen te onthouden dat alles voortdurend verandert. Dit staat ons toe om van onze gedachten steeds dichtere benaderingen of beschrijvingen van de wereld te maken. Door verandering te erkennen, worden de mazen van het net van het menselijk begrip heel wat dichter.

Het gereedschap van dialectisch denken (hieronder beschreven) zijn modellen. Zoals alle modellen zijn ze gesimplificeerde weergaves van de wereld die ons toelaten processen van verandering te herkennen en begrijpen. Net zoals Rutherfords model van een atoom niet laat zien hoe een atoom er echt uitziet, maar er een gesimplificeerde weergave van is, is dialectisch denken niet identiek aan de verschillende processen van verandering, maar een algemene manier om deze te beschrijven. In die zin is dialectisch denken, zoals alle modellen, een abstractie. Zoals Engels uitlegt in Dialectiek van de Natuur: “De wetten van de dialectiek zijn geabstraheerd uit de geschiedenis van de natuur en de menselijke maatschappij. Ze zijn niet meer dan de meest algemene wetten van deze twee aspecten van historische ontwikkeling en denken zelf.” Engels legde verder uit:

“Het is vanzelfsprekend dat door eender welk evolutionair proces te beschrijven als de negatie van de negatie [één van de gereedschappen van dialectisch denken dat hieronder word uitgelegd] ik niets zeg over het specifieke proces van ontwikkeling van, bijvoorbeeld, het graan van de gerst van het ontspruiten tot de dood van de vruchtdragende plant. De berekening van integralen is namelijk ook een negatie van de negatie. Als ik zoiets zou zeggen zou ik enkel de nonsensicale stelling poneren dat de levensloop van een gerstplant gelijk is aan de berekening van integralen, of socialisme wat dat betreft.”

Anti-Duhring, 1877

De transformatie van water doorheen haar verschillende aggregatietoestanden (vast-vloeistof-gas) en de ontwikkeling van de Europese maatschappij doorheen haar stadia van ontwikkeling (oudheid-feodaliteit-kapitalisme) zijn beiden voorbeelden van verandering. Een verandering in de aggregatietoestand van water wordt

gedreven door het energieniveau van watermoleculen (thermodynamiek). De verandering in de maatschappij wordt echter gedreven door klassentegenstellingen en -strijd. Om te kunnen inzien dat wat totaal verschillende dingen lijken (bijvoorbeeld ijs en damp) eigenlijk verschillende stadia zijn in de ontwikkeling van hetzelfde, moeten we dialectisch denken. Dit laat ons toe om in te zien dat de verschillende stadia (ijs-water-damp) dezelfde watermoleculen zijn die op een andere manier geordend zijn. Op eenzelfde manier zijn de verschillende historische vormen van de Europese klassenmaatschappijen (slavenhouders maatschappijen, feodale maatschappijen en kapitalistische maatschappijen) verschillende manieren waarop mensen in klassen “geordend” werden, gelijklopend met het niveau van de ontwikkeling van de productiekrachten van de maatschappij op dat moment. Het specifieke proces van verandering moet worden gezocht, zoals Trotski zei, “in de materiële condities van die veranderingen”.

Het woord dialectisch is afgeleid van het Oud Grieks en betekent letterlijk “discussie”, meer bepaald een discussie tussen mensen die er dan wel verschillende meningen op na houden, maar willen samenwerken om de waarheid te vinden. Een discussie onderkent de mogelijkheid tot verandering. In een discussie kunnen mensen tot een vergelijk komen, net als dialectiek kan beschrijven hoe “appel 1” een “rotte appel” wordt. Op die manier is een discussie verschillend van een debat. In een debat denken mensen dat enkel zij de waarheid kennen. Een debat is als de vaste etiketten van formele logica. Er is geen manier waarop “appel 1” een “rotte appel” wordt, ze werken niet op elkaar in, maar houden koppig vol dat enkel zij gelijk hebben.

Het gereedschap van dialectisch denken

Marx en Engels formuleerden drie “wetten” van de dialectiek om veranderingen te beschrijven. Ze gebruiken het woord “wet” in de taal van de wetenschap van toen, d.w.z. in de zin van een theorie of een verklaring voor observaties. De alledaagse betekenis van het woord “wet” suggereert echter een wetgever die eerst een wet opstelt waaraan de wereld zich dan moet aanpassen. Dit is natuurlijk tegengesteld aan de manier waarop we de “wetten” van de dialectiek moeten begrijpen. De wetten van de dialectiek zijn een beschrijvingen van ontwikkelingsprocessen en veranderingen in de wereld.

Voor de duidelijkheid spreken we daarom beter over het gereedschap van het dialectisch denken in plaats van de “wetten” van de dialectiek. In de handen van iemand die weet hoe ze te gebruiken, kunnen gereedschappen nuttige producten scheppen uit grondstoffen. Ook dialectisch denken kan, wanneer de persoon die zich ervan bedient er in “geschoold” is, gebruikt worden om uit rauwe en onsamenhangende observaties nuttige beschrijvingen te maken van veranderingsprocessen. Marx en Engels schoven drie zulke stukken gereedschap naar voor, al hebben ze namen die vandaag eerder ouderwets klinken: (1) “de wet van omvorming van kwantiteit in kwaliteit, en vice versa”, (2) de wet van de “negatie van de negatie” en (3) de wat van de “interpenetratie van tegengestelden”. Ze zijn echter gemakkelijker te onthouden door hen bijnamen te geven die zijn gebaseerd op alledaagse zinsneden. Engels maakte immers het punt dat “de mens al dialectisch dacht lang voor hij dialectiek kende”, het is dus geen verrassing dat dialectisch denken een onbewuste uitdrukking vindt in ons alledaags taalgebruik.

Gereedschap 1: “veranderingen van kwantiteit in kwaliteit”, of “de druppel die de emmer doet overlopen”

Tot op een zeker niveau verandert een bepaalde toevoeging of aftrekking niets. Tot welk niveau hangt af van het betreffende proces van verandering. Binnen de filosofie zegt men dat bepaalde veranderingen in kwantiteit geen kwalitatief effect hebben.

We hier een voorbeeld van eerder in dit hoofdstuk wanneer we het over de rotte appel hadden. Dat was een voorbeeld van een verandering in kwantiteit die leidde tot een verandering in kwaliteit. In het geval van de appel is de verandering in kwaliteit een negatieve aangezien de appel wegrot. De appel is nog steeds herkenbaar als een appel, maar er zal een punt komen waarop de appel zodanig is weggerot dat wanneer iemand ze ziet die persoon niet zal kunnen zeggen wat het oorspronkelijk was. De graduele (negatieve) veranderingen in kwantiteit bracht een verandering in kwaliteit voort. Van appel naar detritus (ontbonden organische materie).

Een voorbeeld van hoe het gereedschap van de “verandering van kwantiteit in kwaliteit” kan helpen een verandering in de maatschappij te begrijpen, is de opkomst van het Europese kapitalisme uit een feodale maatschappij. Tijdens het feodalisme was de rol van geld in de economie beperkt. De meeste betalingen gebeurden in natura, zonder dat daar geld bij te pas kwam. Boeren leverden bijvoorbeeld arbeid in ruil voor bescherming van een heer en toegang tot zijn land. Toen de proto-kapitalistische handelaarsklasse haar handelsactiviteiten uitbreidde binnen de feodale maatschappij werden steeds meer delen van de economie gereguleerd door geld in plaats van door betalingen in natura. Tot op een zeker punt veranderde dit het feodale karakter van de maatschappij niet. Vanaf er echter een bepaald punt – een bepaalde kwantiteit – werd bereikt in de accumulatie van rijkdom en macht door de kapitalistische klasse werden ze ertoe gedreven een gevecht aan te gaan met de feodale heersende elite die hen belemmerden. In Engeland en Frankrijk leidde dit tot burgeroorlogen en revoluties die de kapitalistische klasse aan de macht brachten. Dit waren de gebeurtenissen die een kwantiteit in een kwaliteit veranderden; het kapitalisme werd uitgebouwd als een nieuwe kwaliteit uit eerdere veranderingen in kwantiteit. Zoals Marx zei, “de nieuwe maatschappij ontwikkelde zich in de baarmoeder van de oude”.

Plotse Sprongen

Een sleutelidee binnen het gereedschap van “verandering van kwantiteit in kwaliteit” is het idee van een plotse “sprong” of “omslag”, wanneer een verandering in kwaliteit plaatsgrijpt. Hoe snel de sprong gebeurt hangt vanuit een menselijk perspectief af van het specifieke proces van verandering. De kwalitatieve “sprong” van water naar stoom gebeurd, vanuit ons perspectief, wanneer we de eerste bellen zien verschijnen. Sprongen in de evolutie worden echter gemeten in miljoenen jaren, de Cambrische explosie, wanneer een grote diversiteit aan dieren evolueerden, vond bijvoorbeeld plaats

over een periode van 20 tot 25 miljoen jaar. In evolutionaire tijd gemeten is dit een “sprong” maar vanuit menselijk oogpunt is dit een miljoen generaties! Net als dialectiek zelf is het idee van een “kwalitatieve sprong”, een nuttige abstractie maar we moeten die in de juiste context plaatsen en op een specifiek proces van verandering toepassen als we willen weten wat telt als een “sprong”.

Dit idee is cruciaal wanneer het wordt toegepast op de maatschappij. Het helpt ons om ons voor te bereiden op snelle veranderingen in de maatschappij en in het (klassen)bewustzijn. Via dit gereedschap houden we onze ogen open voor verschuivingen in kwantiteit die later omslaan in een abrupte verandering in kwaliteit. Zonder dit te doen ontstaan sociale verandering schijnbaar volledig uit het niets. De Egyptische revolutie van 2011 bijvoorbeeld wierp de dictator Mubarak, die reeds decennia aan de macht was geweest, omver. Ook buurland Tunesië maakte een revolutie door, maar de vonk die de Egyptische massa’s in actie dwong was een stijging in de broodprijs. Dit was de “druppel die de emmer deed overlopen”. Voor velen, de kapitalistische media in het bijzonder, was dit als een donderslag bij heldere hemel. De dag voor de revolutie, zeiden commentatoren ongetwijfeld “de dingen veranderen nooit” en de “werkende klasse is te conservatief”, maar gewapend met het gereedschap van “de veranderingen in kwantiteit en kwaliteit” kunnen revolutionairen zich voorbereiden op dit soort plotse sprongen en niet verrast worden door gebeurtenissen.

Gereedschap 2: De “negatie van de negatie”, of “niets is voor altijd”

In filosofische taal betekent het woord “negatie” eindigen of voorbij gaan. Met de “negatie van de negatie” – het eind van het einde – wordt dus bedoeld dat zelfs iets dat iets anders ten einde brengt zelf ook zal eindigen – niets is voor altijd.

Laten we dus opnieuw de appel als voorbeeld nemen. Als die onverstoord in een open veld wordt gelaten, zullen de zaden binnenin de appel uitgroeien tot een scheut, die de appel als voedsel gebruikt. De negatie van de appel is de scheut. De appelboom die uit de scheut zal groeien zal echter ook niet eeuwig blijven staan. Hij zal ook een negatie kennen en op een gegeven moment sterven.

De “negatie van de negatie” betekent echter niet dat dingen in een eindeloze cyclus worden herhaald. Bij elke negatie vindt ontwikkeling plaats. In het voorbeeld van de appel is dat via een gradueel proces van natuurlijke selectie (een evolutionair proces van verandering in de natuur). Hierdoor zullen alleen die zaden die het meest aangepast zijn aan hun omgeving op dat moment (het kan vochtiger zijn dan anders, of er kan juist een droogte zijn) overleven en het best in staat zijn om te groeien. Zij zullen dat lichte voordeel doorgeven aan de volgende generatie en zo zal de soort als een geheel langzaam veranderen.

Laten we een ander voorbeeld nemen uit de maatschappij. In primitieve maatschappijen werd land in gemeenschappelijk bezit (of zonder bezitsverhoudingen) gehouden. De negatie hiervan was de ontwikkeling van een klassenmaatschappij met private eigendom van land. Marxisten verwachten dat gemeenschappelijk eigendom op zijn beurt de negatie wordt van privaat eigendom. Het zal echter niet gemeenschappelijke eigendom zijn zoals in primitieve maatschappijen, maar socialistische gemeenschappelijke eigendom op basis van een technologisch ver ontwikkelde maatschappij. De negatie van de negatie brengt ons dus niet in de oorspronkelijke situatie terug maar in een nieuwe derde situatie die kwalitatief, al kan dat zowel negatief als positief zijn, fundamenteel anders is.

Gereedschap 3: de interpenetratie van tegengestelden ofte het leven is nooit eenvoudig

De wereld zit vol tegengestelde krachten. In filosofisch taalgebruik zeggen we dat de wereld vol contradicties zit. Deze tegengestelde krachten bestaan echter steeds samen. De positieve pool van een magneet trekt bijvoorbeeld de negatieve pool van een andere magneet aan, maar elke magneet heeft zowel een positieve als negatieve pool. Zelfs als je een magneet in stukken snijdt heeft ze nog steeds een positieve en negatieve pool. Deze tegengestelden bestaan samen – ze ‘interpenetreren’.

Laten we terug gaan naar onze appel. De chemische banden die haar atomen samen houden worden tegengewerkt door chemische processen die de banden breken en de appel doen rotten. De krachten zijn in oppositie met elkaar. Ze werken elkaar tegen, maar bestaan binnen hetzelfde object.

In maatschappijen kan de aanwezigheid van deze contradictie worden waargenomen in de strijd tussen klassen, zoals tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse binnen een kapitalistische maatschappij. Er is een tegenstelling tussen de belangen van de kapitalistische klasse om winst te maken en die van de werkende klasse om hogere lonen te bekomen. Er is dus een tegenstelling tussen het individueel (of privaat) eigendom van de economie door de kapitalistische klasse en het collectieve werk van de arbeidersklasse.

De interconnectie van het gereedschap

Elk stuk gereedschap van dialectisch denken heeft haar eigen “gespecialiseerde” toepassing, maar ze hangen allen samen. Met andere woorden, om een nuttig resultaat te bekomen moet je ze steeds alle drie samen gebruiken. Je kan immers ook geen meubel bouwen met enkel een hamer. Gereedschap 3 verbindt uiteindelijk de andere twee en kan ons naar hen terugleiden. De accumulatie van contradicties kan in één pool bijvoorbeeld zwaarder doorwegen dan de andere pool, deze veranderingen in kwantiteit kunnen dan leiden tot veranderingen in kwaliteit (gereedschap 1) en de negatie vormen van waar we mee begonnen (gereedschap 2).

Deel 4. De historische ontwikkeling van het marxisme

In delen 2 en 3 werd het marxisme vooral uitgelegd als een beredeneerde (of abstracte) argumentatie. Dit deden we door de ideeën van het Marxisme te simplificeren om ze bij de lezer te introduceren. Maar, het Marxisme is net zoals alle ideeën een product van historische ontwikkeling. De doorbraak in het denken, dat haar culminatiepunt vond in de ideeën van het marxisme, werd bereikt onder de impact van veranderende sociale condities.

Religieus idealisme

De vroegste pogingen om de wereld te verklaren kwamen in de vorm van primitieve godsdiensten die geloofden dat geesten de natuur controleerden. Om dromen te verklaren, ontwikkelden primitieve volkeren het idee van een “ziel” die het lichaam verliet. Bij gebrek aan kennis over de hersenen of het onderbewuste verklaarde dit voor hen waarom ze steeds op dezelfde plek wakker werden zelfs als ze hadden gedroomd dat ze de hele wereld rond hadden gereisd. Dromen over dode naasten leidden tot het idee dat iedereen een onsterfelijke “ziel” moest hebben en van daar ontwikkelde het idee dat andere “zielen”, die niet zichtbaar zijn voor ons wanneer we wakker zijn, de reden zijn voor alle onverklaarbare zaken in de wereld. Dit was de origine van het idee van goden en daarna van één god die eeuwig is, was en zou zijn.

De ontwikkeling van het idee van één eeuwige god verbreedde de mogelijkheden van het menselijk begrip al heel wat. Wanneer je naar de wereld kijkt door de bril van “eeuwigheid” is het onnodig om naar objectieve verklaringen te zoeken. Als iets altijd heeft bestaan, is het niet nodig het te verklaren. “Eeuwigheid” is een abstract idee, je kan “eeuwigheid” niet ergens tastbaar aantreffen. Abstracte ideeën zijn echter niets anders dan een product van sociale condities. Ideeën zoals “eeuwigheid” werden echter verheven boven de maatschappij en de sociale condities die de ideeën voortbrachten. Ze werden iets onbetwistbaar, een kwestie van “geloof”. Hierdoor werden deze ideeën voor lange periodes van de menselijke ontwikkeling belemmerende factoren, omdat ze stelden dat het onmogelijk was om objectieve verklaringen te vinden voor de natuur of maatschappij. De zinssnede “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk” is hier een voorbeeld van.

Alle religies zijn een vorm van idealisme. Ze beweren allemaal dat objectieve verklaringen onvolledig zijn omdat er nog iets “buiten” deze wereld is, of het nu een leven na de dood, een ziel of een godheid is. Eerder dan dat de samenleving gezien wordt als een product van zichzelf, wordt de samenleving verklaard als een product van een god, terwijl net die god een menselijk idee is. Marx legde uit dat:

“De mens maakt religie, religie maakt de mens niet. Religie is inderdaad het zelfbewustzijn en zelfbeeld van iemand die zichzelf nog niet gewonnen heeft, of zichzelf alweer verloren heeft. De man is geen abstract wezen dat buiten deze wereld kampeert. De mens is de menselijke wereld – staat, maatschappij. Deze staat en deze maatschappij produceren religie, een omgekeerd bewustzijn van de wereld…

Kritiek op Hegels Filosofie van het Recht, 1843

Maar dit was onvermijdelijk in primitieve maatschappijen die weinig of geen begrip van de wereld hadden. Dat godsdienst nog steeds bestaat in een tijd van wetenschap en marxisme kan enkel worden verklaard als we objectieve verklaring zoeken in de sociale condities van vandaag. Ook vandaag proberen mensen hun leven nog steeds zin te geven. In een kapitalistische maatschappij betekent dit, onder andere, proberen te begrijpen waarom sommigen zo veel hebben en anderen zo weinig. Zonder een wetenschappelijk begrip van de maatschappij, iets dat het ideologische harnas van het kapitalisme goed afschermt, komen mensen uit bij een kwestie van “geluk” of “ongeluk”. De kapitalistische klasse verklaart via religie haar eigen “geluk” als een “zegening van God”. Voor de werkende klasse verklaart religie haar “ongeluk” als een “test van hun geloof” of “onderdeel van Gods plan” maar vooral als iets dat ze moeten doorstaan. Elke kleine verbetering van hun “geluk” wordt ook toegeschreven aan God, eerder dan dat het gezien wordt als een resultaat van hun eigen strijd. Marx legde uit dat:

“Religieus lijden is terzelfdertijd een uitdrukking van echt lijden en een protest tegen echt lijden. Religie is een teken van het onderdrukte wezen, het hart van een harteloze wereld, de ziel van zielloze omstandigheden. Het is de opium van het het volk.

De afschaffing van religie als de illusie van het geluk van mensen is de eis voor echt geluk. Hen oproepen de illusies over hun toestand op te geven betekent hen op roepen een toestand op te geven die illusies vereist. De kritiek op godsdienst is daarom in embryonale vorm, de kritiek van dat tranendal waarvan religie het aureool vormt.”

Kritiek op Hegels Filosofie van het Recht, 1843

Sommige religieuze leiders met parochianen uit de arbeidersklasse uiten soms kritiek op het kapitalisme, wat vaak progressief is, maar uiteindelijk houdt het hele filosofische raamwerk van religie en haar idee van een “eeuwige” God de “illusie over haar condities” van de arbeidersklasse in stand. Het weerhoudt de werkende klasse en de armen ervan om een echt begrip te ontwikkelen over de oorzaken van hun lijden, die enkel gevonden kunnen worden in de objectieve sociale condities van een kapitalistische maatschappij. Het is enkel op basis van een begrip van wat echt nodig is dat de maatschappij kan worden veranderd.

Klassieke filosofie

De meeste basisideeën uit de filosofie die we tot vandaag in verschillende vormen zien terugkeren, werden meer dan 2.500 jaar geleden geformuleerd toen de maatschappijen complexer werden en we de ontwikkeling zagen van stadstaten in Griekenland en de Mediterrane regio. Formele logica kende haar opgang in de Oudheid, en werd ontwikkeld door de filosoof Aristoteles.

De revolutionaire opflakkeringen die toen plaats vonden in Milete (West-Turkije) deden vermoeden dat niet alleen enorme verandering mogelijk was, maar ook dat we de oorzaken ervan konden begrijpen. Dit liet de ontwikkeling toe van voorlopers van het moderne materialisme en de moderne dialectiek. Deze voorlopers waren erg beperkt, omwille van de sociale condities en het beperkte niveau van kennis van de natuur en maatschappij toen. Toch konden deze ideeën de grenzen van de manier van denken in de toenmalige maatschappij verleggen.

Het ineenstorten van de antieke maatschappij leidde ertoe dat deze ideeën eeuwenlang verloren gingen. De nieuwe, christelijke, katholieke godsdienst, die Europa domineerde vanaf de vierde eeuw, belemmerde de pogingen om de wereld te begrijpen tijdens het feodalisme dat toen haar opgang kende.

Scholastiek

In de twaalfde eeuw werden de werken van de Oudgrieks filosoof Aristoteles opnieuw ontdekt. Veel van zijn werken konden nuttig zijn en wonnen aan invloed. Aristoteles was een pionier van de proto-wetenschappelijke methode. Hij verzamelde observaties, ook al waren deze gebrekkig en oppervlakkig, om zijn theorieën vorm te geven. Dit werd gezien als een bedreiging voor het katholicisme omdat gesuggereerd werd dat kennis kon worden vergaard op een andere manier dan door goddelijke openbaring – om nog maar te zwijgen over het feit dat Aristoteles een pantheist was! De Italiaanse feodale heer en katholieke ideoloog Thomas Aquinas “verchristelijkte” Aristoteles’ ideeën in een filosofie die scholastiek werd genoemd. Dit was gebaseerd op een mengeling van religieus idealisme en de statische etiketten van formele logica. Het werd een belangrijk ideologisch wapen voor de legitimatie van de feodale heersende klasse van koningen en grootgrondbezitters.

Door Aristoteles’ “eerste oorzaak” te herinterpreteren als de katholieke God, leerde de scholastiek dat in de christelijke geschriften alles al werd geopenbaard. Er moest niet gezocht worden naar antwoorden in de reëel bestaande wereld maar er moest worden “uitgevist” wat God gezegd had over die wereld. Een comfortabele stoel in een ivoren toren was het enige “gereedschap” dat noodzakelijk was. Als de wereld buiten de ivoren toren de modellen die de scholastici hadden uitgewerkt, doorheen hun studie van het schrift van God, niet strookte met die modellen, dan werd die simpelweg genegeerd – het was de wereld die “verkeerd” was. In dezelfde trant blijven sommigen beweren dat “hebzucht eigen is aan de mens”, ook wanneer je hen honderden voorbeelden toont van generositeit en solidariteit. De relatie tussen de wereld en onze gedachten blijft omgekeerd.

De wetenschappelijke revolutie

De zeventiende-eeuwse wetenschappelijke revolutie in Europa begon deze manier van denken uit te dagen. Net als in Milete duizenden jaren ervoor maakte Europa in de zeventiende eeuw een periode van sociale onrust mee. De proto-kapitalistische handelaarsklasse werd een belangrijke kracht in de samenleving, maar ze kwam in conflict met de heersende feodale klasse van koningen en heren. Tijdens de zeventiende eeuw werden deze klassen doorheen een proces van revolutie en contrarevolutie gesleurd. Hun onderlinge conflicten werden vermomd als de religieuze conflicten, zoals de Engelse burgeroorlog en de Europese dertigjarige oorlog.

De proto-kapitalistische klasse had het christendom reeds opnieuw uitgevonden via het protestantisme, dat de katholieke kerk en haar filosofische verdediging van het feodalisme als “goddelijke wil” afwees. Het protestantisme verdedigde de mogelijkheid van een directe persoonlijke relatie met God, zonder inmenging van de katholieke hiërarchie. Deze breuk in de ideologische verdediging van de feodale maatschappij gaf aan dat alles dat door de katholieke kerk werd verdedigd opnieuw moest worden bekeken. Hoewel de denkers van de wetenschappelijke revolutie het idee van een god, ook al was het een heruitgevonden god, niet over boord smeten, aanvaarden ze het katholieke dogma en de scholastiek niet langer als de enige manier om de wereld te begrijpen.

Het materialisme werd opnieuw deel van deze wetenschappelijke revolutie, maar dit keer via het belangrijke nieuwe idee dat observatie ons veel dingen kon leren over de wereld, dingen die niet konden worden “uitgevist” vanuit een ivoren toren. De uitvinding van de telescoop, de microscoop en andere wetenschappelijke instrumenten lieten gedetailleerde en precieze observaties van de natuur toe. De plaats van de aarde binnen het zonnestelsel werd uitgelegd en microben, de kleine diertjes die ziektes veroorzaken, werden ontdekt.

Veel van de eerste “wetenschappers” die deze belangrijke ontdekkingen deden waren noodzakelijkerwijs ook filosofen. In de zeventiende eeuw, waarbinnen de formele logica van de scholastiek nog steeds dominant was, konden nieuwe observaties niet worden uitgelegd via de oude manieren van denken. Om niet als “fout” bestempeld te worden door de “geleerden” van de scholastiek, moesten deze eerste wetenschappers ook nieuwe ideeën articuleren over de aard van menselijke kennis en begrip. Dit is gelijkaardig aan de situatie waarin het marxisme vandaag verkeert, zoals uitgelegd in deel 1.

Het materialisme van de wetenschappelijke revolutie, hoewel het een doorbraak was, bleef beperkt. Het behield een aantal van de grenzen van de oude manieren van denken. Vroege wetenschappers waren er bijvoorbeeld trots op dat ze theorie verwierpen. Ze dachten niet dat het mogelijk was hun nieuwe waarnemingen te verbinden in een groter theoretisch raamwerk. Ze bestudeerde dingen, maar niet hoe die dingen onderling verbonden waren.

Dit vroege materialisme stelde dat er objectieve verklaringen voor de natuur ontdekt konden worden, maar het kon de veranderingsprocessen in de wereld nog steeds niet duiden. Dat dingen veranderden stond niet ter discussie. Maar verandering werd gezien als iets mechanisch. Een model van het zonnestelsel legde bijvoorbeeld uit dat de zon, planeten en manen werkten als tandwielen van een klok. Het werd nog niet begrepen dat het zonnestelsel werd gevormd op een bepaald punt in de tijd, miljarden jaren terug, uit de condensatie van gassen in een baan rond de zon. Het werd evenmin begrepen dat het zonnestelsel ook zou ophouden te bestaan op een bepaald moment, miljarden jaren in de toekomst, wanneer de zon haar brandstof heeft opgebruikt. Dit mechanisch materialisme begreep veranderingen in ruimte, maar niet in tijd en beschreef daarom enkel de meest oppervlakkige vormen van verandering.

Binnen dit nieuwe mechanisch materialisme was nog steeds een plekje vrij gehouden voor God als de “grote ontwerper”. Eens de “klok” in beweging was gezet, ontwikkelde ze volgens Gods “plan”. De “intelligent design” aanhangers van vandaag, die verkeerdelijk stellen dat God de evolutie gidste om mensen te produceren, zijn een moderne versie van dit mechanische materialisme. Het materialisme van tijdens de wetenschappelijke revolutie, was dus duidelijk gelimiteerd, maar had desalniettemin revolutionaire gevolgen.

In de volgende eeuw, terwijl de macht en kracht van de kapitalistische klasse groeide, werden de nieuwe manieren van denken over de natuur toegepast op de menselijke maatschappij, tijdens de periode van de “verlichting”. Het is natuurlijk geen verrassing dat de “objectief beste manier” om de maatschappij te organiseren volgens de kapitalisten er toevallig ook één was die samenviel met hun klassenbelangen. Het “perspectief” van de kapitalistische klasse van wat vrijheid, gelijkheid en democratie zijn, werden in abstracte ideeën veranderd en boven de maatschappij uit getild als een nieuw filosofisch idealisme.

Kant & Hegel

De wetenschap bleef de grenzen van het mechanisch materialisme steeds verleggen via de nieuwe observaties verzameld bleven worden. De Duitse filosoof Kant bijvoorbeeld brak met het mechanische model van het zonnestelsel door de observatie van nebulae (gaswolken in de ruimte) en ontwikkelde een theorie om te verklaren dat wanneer deze nebulae condenseerden ze zouden leiden tot de ontwikkeling van nieuwe sterren en zonnestelsels.

In 1789 wierp de jonge kapitalistische klasse de oude heersende klasse in Frankrijk omver via de Franse revolutie. Dit leidde tot decennia van revolutie en contrarevolutie in Europa. In deze periode van revolutionaire verandering herintroduceerde de Duitse filosoof Hegel het idee van dialectiek. De wereld veranderde dramatisch en die verandering moest worden uitgelegd.

Spijtig genoeg was Hegel, hoewel hij de dialectiek herontdekte, zelf geen materialist. Hij overwon de statische etiketten van de scholastiek door dialectische wetten te introduceren die verandering konden beschrijven. Hij zocht echter niet naar een objectieve verklaring voor dialectische ideeën in de objectieve processen van verandering in de natuur en de maatschappij. Hegel geloofde dat dialectische ideeën de oorzaak van verandering waren. Met andere woorden, Hegels dialectiek was idealistisch. Hij verving God met een “ idee” dat ergens “buiten” de fysieke wereld bestond.

Marx & Engels

In zijn jeugd was Marx een ‘jong Hegeliaan’ die de ideeën van Hegel volgde. Hij zag echter de limieten van Hegels filosofie in. De belangrijkste doorbraak die Marx en zijn mededenker Frederich Engels maakten was Hegels dialectiek “op haar kop te zetten”. Ze maakten dialectiek materialistisch. Marx en Engels verklaarden dat het de rol van dialectisch denken was verandering in de wereld te beschrijven en ons op die manier te helpen om ze te begrijpen. Met dialectisch materialisme brachten Marx en Engels materialisme en dialectiek samen. De zwakheden van deze twee ideeën, wanneer ze op zichzelf bekeken worden, werden zo recht gezet. Het was op basis van deze nieuwe filosofie, of nieuwe methode van analyseren, dat Marx en Engels een wetenschappelijke analyse van de maatschappij konden maken, zoals uitgelegd in deel 1.

Deze doorbraak is niet volledig toe te schrijven aan het “genie” van Marx en Engels, hoe briljant ze ongetwijfeld ook waren. Het wetenschappelijk begrip van de natuur was steeds verder gevorderd via de wetenschappelijke revolutie en liet toe om steeds meer delen van de wereld objectief te verklaren. Darwins evolutietheorie kon bijvoorbeeld verandering binnen het dierenrijk verklaren en hij ontkrachtte daarbij het centrale idee van scholastiek dat leerde dat het “voorkomen” van dieren eeuwig was. Dat de natuur preciezer kon beschreven worden via de dialectiek werd steeds duidelijker.

Marx en Engels in een historische periode zoals hierboven beschreven, één van revolutie en contrarevolutie. Teleurstelling begon vorm te krijgen in de nasleep van de Franse revolutie omdat de kapitalistische verlichtingsidealen, zoals “vrijheid”, in de praktijk enkel “vrijheid” betekende voor de kapitalisten. De werkende klasse, de armen, vrouwen en zwarte slaven werden nog altijd uitgesloten. Deze tegenstelling leidde tot een generatie van “utopische socialisten” in Frankrijk en Groot-Brittannië. Net als de filosofen van de kapitalistische verlichting geloofden dat de “objectief beste manier” om de maatschappij te organiseren er één was die samen viel met de belangen van de kapitalistische klasse, geloofden de “utopische socialisten” dat “objectief beste manier” om de maatschappij te organiseren in lijn lag met de belangen van de werkende klasse. Ze dachten dat ze dit aan de kapitalistische klasse konden “leren” en hen konden helpen om de “rede” te zien. Ze waren verrast wanneer het “perspectief” van de kapitalistische klasse immuun bleek voor overtuiging! Dit is gelijkaardig aan de hedendaagse reformisten uit de middenklasse die denken dat de kapitalistische klasse kan worden overtuigd om arbeiders beter te behandelen omdat het “juist” is om dit te doen.

Het antwoord op dit “socialistisch idealisme” werd aangeleverd door de opkomst van de werkende klasse als een onafhankelijke politieke kracht in de maatschappij. Ze konden voor zichzelf opkomen! In Groot-Brittannië ontwikkelde zich vanaf de late jaren 1830 de chartristische beweging met de eis voor politieke rechten voor de werkende klasse. Stakingen ontwikkelden in de industriële steden in Frankrijk. Marx en Engels trokken de conclusie dat socialisme enkel kon worden bewerkstelligd door strijd van de werkende klasse tegen de kapitalistische klasse, niet door te appelleren op “rede” of het “morele kompas” van de kapitalisten. Zoals Marx en Engels uitlegden in de eerste lijn van “Het Communistisch Manifest”: “de geschiedenis van alle tot hiertoe bestaande maatschappijen is de geschiedenis van klassenstrijd.” De revoluties van 1848, het jaar in waarin Marx en Engels “Het Communistisch Manifest” publiceerden, bevestigden deze voorspellingen. De werkende klasse zou steeds meer op zichzelf beginnen staan, niet langer verbonden aan de kapitalistische klasse in de strijd tegen de feodale heersende klasse.

Al deze maatschappelijke ontwikkelen maakten de filosofische doorbraak van Marx en Engels voor het eerst in de menselijke geschiedenis mogelijk.

 

Deel 5. Samenvatting

De nood voor de werkende klasse zich te organiseren in een revolutionaire partij, het kapitalisme omver te werpen en een nieuwe socialistische maatschappij te creëren is de belangrijkste conclusie van het marxisme. Als dialectisch materialisme en haar gereedschap van dialectisch denken ons toelaat de vraag te beantwoorden waarom de dingen zijn zoals ze zijn, beantwoordt deze conclusie, getrokken uit de ervaring van de strijd van de werkende klasse, hoe we de maatschappij zullen veranderen. Deze revolutionaire theorie van marxisme geeft ons de stevigste basis voor deze taak. We kunnen voorspellingen maken over toekomstige ontwikkelingen gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek van het verleden en heden. We kunnen in andere woorden politieke perspectieven ontwikkelen om ons politiek programma op te baseren en strategie en tactieken ontwikkelen om klassenstrijd op te baseren.

Door ons te wapenen met een begrip van de basis voor de strijd voor socialisme helpt marxisme ons onszelf te beschermen tegen teleurstelling ten gevolge van de onvermijdelijke ups en downs van de klassenstrijd, bijvoorbeeld ten gevolge van een nederlaag van de werkende klasse. Hoewel klassenbewustzijn een cruciale factor is in de strijd voor socialisme, is de strijd uiteindelijk niet gebaseerd op subjectieve ‘perspectieven’ maar op objectieve tegenstellingen van het kapitalisme. Deze tegenstellingen kunnen niet anders dan haar uiting vinden in het bewustzijn van de werkende klasse. Door op te treden als het historisch geheugen van de arbeidersklasse is het de taak van de revolutionaire partij om het trekken van revolutionaire conclusies te versnellen en op de meest heldere mogelijke manier de taken duidelijk te maken die nodig zijn om de maatschappij te veranderen.

Als mensen “van nature bewust” zijn, zoals Hegel zegt, dan laat marxisme ons toe dat bewustzijn ten volle te ontwikkelen. We refereren vaak naar de revolutionaire partij als de “subjectieve factor” in de geschiedenis. Het is echter niet subjectief in de onbewuste zin die we zagen in deel 1. De revolutionaire partij is ten volle in staat haar rol in een veranderende maatschappij objectief uit te leggen en te begrijpen. Op basis van dat begrip krijgen onze subjectieve ‘perspectieven’ en de acties die eruit voortvloeien een nieuwe kracht en krijgen ze een revolutionair karakter. In ‘Het Communistisch Manifest’ legde Marx uit dat “Alle vorige historische bewegingen waren bewegingen van minderheden, of voor de belangen van minderheden. De proletarische beweging is de zelfbewuste, onafhankelijke beweging van de overweldigende meerderheid, in de belangen van de overweldigende meerderheid.” Marxisme laat deze beweging van de “overweldigende meerderheid” toe om echt “zelfbewust” te zijn.

Print Friendly, PDF & Email