Recensie. “Kinderen van de repressie”

Het boek ‘Kinderen van de repressie’ van Koen Aerts (UGent) is gebaseerd op het onderzoek dat tevens aan de basis lag van de televisiereeks ‘Kinderen van de collaboratie’. Het boek focust op hoe kinderen van collaborateurs met de bestraffing hiervan omgingen en wat de gevolgen ervan voor hun leven waren. Ook is er uitgebreid aandacht voor de wijze waarop vandaag naar de zogenaamde ‘repressie’ en de collaboratie wordt teruggekeken.

Door Geert Cool

Net als bij de televisiereeks kan je je aanvankelijk afvragen of het echt wel nodig was om nogmaals aandacht te besteden aan de collaboratie en eigenlijk vooral aan de al met al zachte bestraffing – de ‘repressie’ – na de oorlog. Doorheen de televisiereeks en het boek wordt het echter duidelijk dat het nuttig is om de kwestie eindelijk vanuit een wetenschappelijk oogpunt te benaderen, in plaats van de populaire geschiedschrijving aan de verdedigers van de collaboratie zelf over te laten.

Het boek legt uit hoe verdedigers van de collaboratie zich na de oorlog steeds zijn blijven organiseren in diverse organisatievormen: van groepen die Oostfrontstrijders bijeenbrengen tot politieke partijen van CVP over de Volksunie tot Vlaams Belang en N-VA. Aerts heeft het over de ‘zwarte zuil’ die zeker tot een eind in de jaren 1990 en ook daarna nog een reële impact had. Vandaag zijn de meeste collaborateurs uiteraard overleden en met hen ook een groot aantal organisaties, zoals het Sint-Maartensfonds. Het maakt dat politici uit de ‘zwarte zuil’, zoals Bart De Wever, publiekelijk kunnen zeggen dat de collaboratie fout was. Voor een aantal ‘kinderen van de collaboratie’ blijft dat echter een brug te ver: zij blijven de collaboratie verdedigen. De ‘zwarte zuil’ is tot op vandaag zichtbaar aanwezig binnen zowel VB als N-VA, maar het politiek gewicht ervan is logischerwijze beperkter. Er zijn tal van uitlopers van de ‘zwarte zuil’ zoals het tot VOKA omgevormde VEV, dat tevens de basis legde voor de krant ‘De Tijd.’

Het kleiner politiek gewicht van de collaboratie-kwestie blijkt uit onder meer uit de discussie over ‘amnestie’. Vandaag wordt daar amper nog over gesproken, terwijl het zeker tot midden 1990 een bijzonder gevoelig thema was, de ‘Grondbeginselen van het Vlaams Belang’ hebben het er in de eerste regels al over. Toen het proces van de collaborateur Irma Laplasse, verantwoordelijk voor het verraad dat zeven verzetsstrijders het leven kostte, in de jaren 1990 werd heropend, stonden twee groepen regelrecht tegenover elkaar aan het Brussels justitiepaleis te protesteren: aan de ene kant het Vlaams Belang, toen nog Vlaams Blok, met studenten van NSV en co, aan de andere kant oudstrijders van het Onafhankelijkheidsfront en jonge antifascisten van onder meer Blokbuster. Het nieuwe proces bevestigde de veroordeling van Laplasse. De acties toonden hoe gevoelig de kwestie toen nog lag. Extreemrechts pleitte toen voor ‘amnestie’: het retroactief vaststellen dat er geen sprake was van een misdrijf. Anders gezegd: officieel bevestigen dat de collaboratie met het naziregime niet fout was. Gelukkig is er nooit een dergelijke maatregel gekomen! De programma’s van zowel N-VA als VB voor de parlementsverkiezingen van 2014 maakten geen melding meer van amnestie. Als je op de N-VA-site op ‘amnestie’ zoekt, zal je vooral berichten over ‘fiscale amnestie’ te zien krijgen.

Het boek van Koen Aerts omschrijft de gevolgen van de bestraffing van collaborateurs op hun kinderen. Uiteraard zal iedereen – niet in het minst mensen uit Vlaams-nationalistische kringen – daarbij opmerken dat kinderen niet mogen gestraft worden voor misstappen van hun ouders. Eenzelfde meelevendheid vinden we nochtans niet terug als het gaat om kinderen van hedendaagse ISIS-collaborateurs: het terughalen van kinderen van deze strijders uit vluchtelingenkampen wordt tegengehouden en vooral N-VA haalt er fors naar uit. De kleinkinderen van nazi-collaborateurs – want zo zijn er heel wat in N-VA-kringen – ontzeggen de kinderen van ISIS-collaborateurs de ‘zachte’ behandeling die hun eigen ouders als kinderen van collaborateurs kenden en die ze tot op vandaag schandalig hard vinden. Een rare historische kronkel!

Het valt op dat de bestraffing van de collaborateurs eigenlijk redelijk beperkt was. Er volgden geen jarenlange gevangenisstraffen, tegen begin jaren 1950 was het overgrote deel van de collaborateurs al terug op vrije voeten. De bestraffing had als uitdrukkelijk doel om maatschappelijk re-integratie mogelijk te maken. Als de bestraffing na de oorlog een beklijvende indruk naliet op de kinderen van collaborateurs, had dit vooral te maken met sociale druk en bijhorende verhoudingen. Daarbij moet overigens opgemerkt worden dat waar het verzet het best georganiseerd was, de spontane volkswoede tegen de collaborateurs het meest gecontroleerd gebeurde zonder al te grote uitwassen.

Het is opmerkelijk hoeveel verschenen is over de zogenaamde repressie. Er is in de naoorlogse periode vaak meer aandacht geweest voor de repressie dan voor de collaboratie met de nazi’s! Die collaboratie wordt bovendien geminimaliseerd, waarbij bijvoorbeeld wordt gezegd dat Oostfrontstrijders als brave katholieke jongens vertrokken omdat pastoors dit gevraagd hadden. Dat het om een kleine minderheid van nazistische pastoors ging, wordt er niet bij gezegd. Dat de vervolging en uitroeiing van de Joden en politieke tegenstanders al algemeen bekend was, evenmin. De collaboratie goedpraten was moeilijk, wellicht daarom dat er vooral aandacht werd geschonken aan de bestraffing van de collaborateurs na de oorlog. Dit werd op gelijke hoogte geplaatst of zelfs erger ingeschat dan de collaboratie zelf! Zelfs in de literatuur is het beeld eenzijdig. Aerts merkt op: “Vlaanderen krijgt geen deftige boekenkast gevuld met proza waarin het hoofdpersonage het tegen de Duitse bezetter opneemt. Wie zich daarentegen wil wentelen in de gevoelswereld van de collaborateur kan kiezen uit tal van titels geschreven door de grote en kleine goden van het Vlaamse literaire leven.”

Bij het wetenschappelijk onderzoek naar de kinderen van de repressie valt het op dat er een brede waaier aan standpunten is: van openlijk en actief verzet tegen de nazistische standpunten van de collaborateurs tot het openlijk en actief goedpraten ervan. Dit bleek ook tijdens de televisiereeks waarin zowel een VB-politica (Ledy Broeckx) als een N-VA-politicus (Jan Tollenaere) het antisemitisme en het nazisme goedpraatten. Tollenaere zei eerder in een interview met De Standaard: “Ik ben niet voor de joden, zoals ik ook niet voor de negers was.” De ophef rond wat hij op televisie zei, maakte een einde aan zijn N-VA-lidmaatschap. Uiteraard, en gelukkig, delen niet alle kinderen van collaborateurs de zienswijzen van hun ouders. Een grondig onderzoek naar de kinderen van collaborateurs toont de diversiteit in de opvattingen en legt de tegenstellingen en hypocrisie in de pro-collaboratieretoriek bloot.

‘Kinderen van de repressie’ is nuttig om een genuanceerd beeld te krijgen op de gevolgen van de bestraffing van nazi-collaborateurs voor hun kinderen. Het weerlegt een aantal hardnekkige mythes uit extreemrechtse hoek en het toont de omvang en brede vertakking van de ‘zwarte zuil.’ De terechte vaststelling in het boek dat er tot op vandaag meer aandacht is voor de collaborateurs dan voor de verzetsstrijders, is wellicht meteen ook de reden waarom dit onderzoek er eerst kwam terwijl de televisiereeks over de ‘kinderen van het verzet’ nog in de aankondigingsfase zit. We hopen dat die reeks en bijhorend boek er komen en even degelijk en grondig zijn als ‘Kinderen van de repressie.’

Print Friendly, PDF & Email