Het landbouwvraagstuk in België

Foto vanop wikimedia

Deze tekst gaat over de huidige situatie van de Belgische landbouwers, en over de standpunten die linkse socialisten het best kunnen innemen wanneer het gaat over deze bevolkingsgroep. Ook al maken ze vandaag slechts 0,88% uit van de werkende bevolking in België, toch zijn de landbouwers nog altijd een onmisbare groep voor onze samenleving. De reden waarom je bijvoorbeeld deze ochtend cornflakes met melk kon eten, of deze middag een smos met kaas en hesp, is omdat landbouwers zich hebben beziggehouden met het kweken en oogsten van deze voedingswaren. Met andere woorden: zij produceren het eten dat de bevolking nodig heeft om te leven.

Dossier door Serge (Brussel)

Voor deze tekst hebben we ons laten baseren op het boek ‘Over het Boerenvraagstuk’ van Friedrich Engels. Desondanks dat dit boek geschreven werd in 1894, blijven veel van de zaken die Engels aanhaalt nog altijd accuraat voor de situatie vandaag.

**

Engels begint zijn boek met een onderscheid tussen “grote boeren” en “kleine boeren”. Met “grote boeren” bedoelt hij de grootgrondbezitters die loonarbeiders gebruiken om het land te bewerken. Deze “grote boeren” zie je vandaag vooral in Latijns- en Noord-Amerika, maar ook in vele delen van Afrika. Het zijn eigenlijk voedsel-productie-fabrieken met een patroon en arbeiders. Over die landbouwers is Engels zeer duidelijk: namelijk ze onteigenen wanneer de kans zich voordoet, en de grond onder democratische controle brengen van de bevolking en de loonarbeiders die op het land werken.

Voor de “kleine boeren” ligt de situatie echter wat ingewikkelder. De “kleine boer”, zoals je die vooral terugvindt in België en de rest van Europa, is een kleine zelfstandige. Hij/zij is dus de baas van een eigen stukje grond, en hij/zij moet die grond bewerken om inkomsten te verkrijgen. Maar een inkomen krijgen is voor de kleine boer allesbehalve gemakkelijk, zoals verder uitgelegd zal worden.

**

Hier in België, maar ook elders in Europa, is de landbouwer momenteel volledig afhankelijk van grotere bedrijven. De middelen die een landbouwer nodig heeft, bijvoorbeeld zaadjes, meststoffen, veevoeder, machines, … moeten aangekocht worden bij grote bedrijven. Het uiteindelijk landbouwproduct, dus de gewassen, het fruit, het vee, … moeten vervolgens verkocht worden aan grote bedrijven in de voedselindustrie. Het zijn die grote bedrijven die bepalen tegen welke prijs de benodigdheden verkocht worden, en tegen welke prijs de landbouwproducten aangekocht worden. De landbouwer is dus volledig afhankelijk van de prijzen die anderen opleggen. Zij moeten dan ook de prijsdruk in heel de voedingsketen verdragen. Deze situatie is allesbehalve ideaal.

De prijsdruk die op de landbouwers terecht komt, kan vaak moordend zijn. Een goed voorbeeld hiervan is de melkprijs. Al twintig jaar lang waggelt de winstgevendheid van melk op de rand van net-wel-winstgevend en net-niet-winstgevend. Occasioneel is er een duik, waarbij melk dan erg enorm verlieslatend product wordt voor de melkveehouders.

In 2009 was er zo’n duik. Als reactie op de constante onzekerheid, reden een 1000-tal landbouwers met ongeveer 500 tractors naar het Schumanplein in Brussel. Ze eisten van de EU dat er een gemeenschappelijk landbouwbeleid werd uitgevoerd dat landbouwers beter zou beschermen tegen de prijsschommelingen voor hun producten. Enkele vaten melk werden over het plein leeggegoten om aan te tonen dat, op dat moment, de melk voor hen geen waarde meer had. Na deze en andere acties van de landbouwers, werd er een zogenaamd “Melk-akkoord” bereikt, dat de melkveehouders beter zou moeten beschermen tegen de prijsschommelingen van de vrije voedselmarkt. Dit melk-akkoord heeft het echter niet lang volgehouden. In 2016 was er opnieuw een enorme duik in de melkprijs. Na nieuwe acties van de landbouwers werd er tenslotte een tweede melk-akkoord bereikt. We zijn benieuwd hoe lang dit akkoord de landbouwers zal beschermen.

De landbouwers worden dus uitgeperst door de grote voedselbedrijven. De consumptieprijzen (wat je in de winkel betaalt voor eten) is al dertig jaar lang sneller aan het stijgen dan de afzetprijzen van de landbouwers. Dit steeds groter wordende verschil in prijzen, verdwijnt allemaal in de zakken van de bedrijfsleiders van de voedselindustrie.

**

Niet alleen de prijsdruk komt volledig op de schouders van de landbouwers terecht, ook alle risico’s die verbonden zijn met voedselproductie, moeten gedragen worden door de landbouwers. Hieronder enkele voorbeelden.

Een belangrijk risico voor de voedselproductie is het klimaat. In het voorjaar van 2017 was er in België een enorme droogte. Deze was zo extreem, dat de regering zelfs overwoog om boetes uit te schrijven aan mensen die water gebruikten om hun auto te wassen of om hun gazon te besproeien. Voor de landbouwers was deze droogte een absolute ramp. Vele oogsten zijn toen mislukt, gewoon omdat er geen water was om de gewassen te besproeien. Dit werd een enorme aderlating voor de Belgische landbouwer, want de grote bedrijven in de voedselindustrie gaan natuurlijk hun prijzen niet aanpassen vanwege dit gebeuren. Ondertussen heeft de regering beslist om een deel van de geleden verliezen te compenseren. Maar deze compensatie zal echter nooit even groot zijn als de winst die de landbouwers hadden kunnen maken, moest het toen niet zo droog zijn geweest.

Het klimaat, dat steeds extremer wordt, vormt niet alleen een gevaar voor de Belgische landbouwers. Landbouwers wereldwijd ondervinden de gevolgen van de klimaatsveranderingen. Zo zal hoogstwaarschijnlijk 2018 voor de Franse wijnboeren alweer een rampjaar worden. Na de aanhoudende nachtvorst van de lente van 2017, kregen de wijnbouwers het in mei 2018 opnieuw te voorduren met zware hagelbuien. Sommige wijnboeren zagen hierdoor al voor het tweede jaar op rij hun gaarden voor 80% beschadigd worden.

Nog een risico voor de landbouwers en de voedingsketen is de lakse manier waarop sommige bedrijven in de voedselproductie omspringen met onze gezondheid. In de zomer van 2017 maakten we allemaal kennis met het product Fipronil. Een malafide Nederlands bedrijf had deze schadelijke insecticide toegevoegd aan haar bladluisbestrijdingsmiddelen. Het gevolg was dat, in België alleen al, een paar miljoen ton aan eieren vernietigd werden, en dat 1,5 miljoen kippen preventief geslacht en weggesmeten werden. Ongeveer 200 landbouwbedrijven werden geblokkeerd, en sommige van die bedrijven blijven zelfs op dit moment (eind mei 2018) nog gesloten. De totale schade, die volledig op de landbouwers terechtkwam, wordt geschat op 70 miljoen euro. Ook hier kwam er een compensatie van de regering, maar die bedraagt slechts 21,8 miljoen euro. Dus: één bedrijf maakt de beslissing om de winst op te drijven op een illegale manier, en diegenen die de tol daarvoor moeten betalen zijn de landbouwers die gewoon hun boerderij draaiende willen houden.

Dit is trouwens niet de eerste keer dat zoiets gebeurt in België. In 1999 was er de dioxinecrisis, waarbij een veevoederbedrijf erin slaagde om transformatorolie in de voeder te draaien. Die olie kwam op die manier ook op de borden van de Belgen terecht. 7 miljoen kippen en 60.000 varkens werden toen geslacht en weggesmeten, terwijl ongeveer 2.000 landbouwbedrijven maandenlang geblokkeerd werden. Net zoals bij de Fipronilcrisis, lag de fout bij één bedrijf, en was de boer de dupe van die fout.

Het overgrote merendeel van de Belgische landbouwproducten is bestemd voor export. Daar is op zich niets mis mee, alleen zorgen de toenemende spanningen op geopolitiek gebied ook hier voor extra risico’s voor de landbouwers. Begin 2014 annexeerde Rusland de Krim van Oekraïne. De Europese Unie moest en zou hierop reageren, en België was één van de eerste landen om sancties op te leggen aan Rusland. Heel dapper besliste de Belgische regering toen om een hele hoop producten, waaronder landbouwproducten, niet meer te exporteren naar Rusland. Diegenen die deze sanctie het hardst hebben gevoeld, waren echter niet de Russen, maar de Belgische fruittelers. Eén van de grootste afzetmarkten voor Belgisch fruit werd daarmee afgesneden, waardoor veel fruittelers hun producten niet meer verkocht kregen. De regering probeerde dat verlies nog te redden door een campagne te lanceren waarmee ze aan de Belgen vroegen om meer binnenlandse landbouwproducten te eten. Het is vanwege die campagne dat je nu op sommige producten in de winkel expliciet kunt lezen dat ze uit België komen. Die campagne was een mooi gebaar van de regering, maar ons lijkt het onmogelijk om België, een land van 11 miljoen inwoners, een afzetmarkt van 144 miljoen inwoners te laten compenseren.

**

De doorsnee Belgische landbouwer leeft momenteel in zeer onzekere tijden, daar hij niet weet hoe lang hij zijn landbouwbedrijf nog draaiende kan houden. Hier volgen enkele cijfers.

In 1950 telde België ongeveer 300.000 landbouwbedrijven, nu zijn dat er nog ongeveer 20.000. In de laatste 35 jaar zijn 68% van de landbouwbedrijven verdwenen, waarbij ook 60% van de jobs in de sector verdwenen. De totale landbouwoppervlakte is in die periode met 10% gekrompen, dit omdat er meer woonoppervlakte en bosgebied bijkwam ten koste van de landbouwgrond. De gemiddelde leeftijd van een Belgische landbouwer is momenteel 55 jaar. Dit komt omdat tegenwoordig de kinderen van landbouwers de boerderij niet meer willen overnemen, iets wat vroeger vanzelfsprekend was. Je kan het die kinderen niet kwalijk nemen, daar dat zij vanop de eerste rij zien hoe onzeker het landbouwersbestaan vandaag is geworden.

Uit de cijfers die we zonet gaven, kunnen we nog iets anders afleiden: 68% van de bedrijven zijn verdwenen, terwijl de beschikbare landbouwgrond met slechts 10% kromp. De nog bestaande landbouwbedrijven hebben de grootte van hun oppervlakte kunnen verdrievoudigen. Dit konden ze doen door de grond van failliete bedrijven voor zeer weinig geld over te kopen. Zo zie je dat ook hier in België de “kleine boer”, zoals Engels beschrijft in zijn boek, steeds meer en meer weggeduwd word door de “grote boer”. De “kleine boeren” die nog overschieten, kunnen zelden concurreren met de “grote boeren”, die vanwege hun groot grondoppervlakte meer produceren, en ook vaak goedkope arbeidskrachten gebruiken uit Oost- en Zuid-Europa. “Grote boeren” zoals je die nu hebt in Amerika, zie je hier nog niet in België, onder meer omdat de grote landbouwbedrijven bij ons nog altijd onderhevig zijn aan de prijzen van andere voedselbedrijven, zoals daarnet uitgelegd. Maar het lijkt ons zonder twijfel duidelijk dat de “kleine boer” in België binnenkort dreigt te verdwijnen.

**

Er bestaat een organisatie die, in Vlaanderen, zou moeten opkomen voor de rechten van de “kleine boer”, de Boerenbond. Deze invloedrijke vereniging kan in zekere mate gezien worden als de vakbond van de Vlaamse landbouwer. Helaas is deze organisatie allesbehalve ideaal.

Om te beginnen is de landbouwer halvelings verplicht om lid te worden van de Boerenbond. Zij beslissen namelijk wie er toegang krijgt tot welke voedselmarkten. Als een landbouwer geen lid is van de Boerenbond, krijgt hij/zij dan ook geen toegang tot die markten. Ook zijn praktisch alle veeartsen in het land verbonden met de Boerenbond. Deze veeartsen komen alleen maar langs bij de veeteler als hij/zij lid is van de bond. Geen lid, dan ook geen veearts die komt kijken of alles in orde is met de dieren.

De Boerenbond is tevens één van de rijkste holdings in het land. Haar waarde wordt geschat op maar liefst 3 miljard euro. Dit geld komt enerzijds van ledenbijdragen, anderzijds vooral uit aandelen die ze heeft in verschillende bedrijven die verbonden zijn met landbouw. Landbouwers die lid zijn van de bond worden verplicht om hun benodigdheden aan te kopen bij de bedrijven waarin de Boerenbond aandelen heeft (deze benodigdheden variëren van zaden, veevoeder, landbouwmachinerie tot zelfs medicijnen voor zieke dieren). Op deze manier kan de Boerenbond haar winst en haar macht op een kunstmatige manier uitbreiden. Dus, terwijl de landbouwer het steeds moeilijker krijgt om het hoofd boven water te houden, wordt de Boerenbond alsmaar rijker. De kloof tussen de landbouwers en de organisatie voor de bescherming van de landbouwers wordt steeds groter.

De Boerenbond is dus duidelijk geen vakbond zoals je die hebt in andere sectoren van de maatschappij. Tijdens sociaal overleg op nationaal vlak bijvoorbeeld, zit de Boerenbond altijd aan de kant van de werkgevers, tegenover de vakbonden van de werknemers. Als je de geschiedenis van de Boerenbond bekijkt, is dit niet verwonderlijk. De Boerenbond werd in 1890 opgericht in Leuven, met als doel de invloed van het socialisme op de landbouwers tegen te gaan. Het is het geesteskind van de Katholieke Kerk en de Katholieke Partij, die hun trouwe volgers van het Vlaamse platteland niet wilden verliezen. Nu nog komen heel wat CD&V-politici uit de Boerenbond.

**

Laten we terugkomen bij Friedrich Engels en zien wat hij zegt over de “kleine boeren”. In de feodaliteit waren landbouwers de lijfeigenen van een pachter, dus van iemand die de landbouwgrond bezat. Na de Franse Revolutie werd de boer zogezegd “bevrijd”, omdat hij de baas werd over zijn eigen stukje landbouwgrond. Engels zegt dat in werkelijk de boer niet bevrijd werd, maar uiteindelijk de slaaf werd van andere voedselbedrijven, en van schuldeisers.

Het overgrote deel van de Belgische landbouwers hebben een lening lopen bij een bank. Landbouwmachinerie en de andere zaken die de boer nodig heeft om zijn werk te doen, zijn verschrikkelijk duur. Ook moet de boer vaak zijn producten verkopen tegen verlies. Dus moet de landbouwer noodgedwongen een lening aangaan, die heel veel van zijn inkomsten opslorpt, en hem vaak met een enorme schuldenberg achterlaat als zijn bedrijf failliet gaat.

De Franse Revolutie heeft de “kleine boer” dus niet bevrijd, maar van hem de speelbal gemaakt van het kapitalistisch productieproces. Maar welke houding moeten marxisten nu aannemen tegenover de “kleine boeren”?

Doorheen de jaren was het standpunt van socialisten vaak om gewoon de schuld van de landbouwers kwijt te schelden, en de middelen die hij nodig heeft goedkoop te maken. Dit is het standpunt waar de landbouwers zelf zich het gemakkelijkste in kunnen vinden. Met dit standpunt los je het probleem echter niet op, maar schuif je het gewoon verder van je af. Anders gezegd, je geeft hiermee het kapitalisme een nieuwe start, maar vroeg of laat gaan de problemen inherent aan het kapitalisme terugkomen, en heb je eigenlijk niets opgelost. Je geeft daarmee de “kleine boeren” ‘uitstel van executie’, zoals Engels het verwoordt.

De landbouw even uit het huidige productieproces halen, is ook geen oplossing. Momenteel wordt dit min of meer gedaan bij bio-landbouw. Het probleem hierbij is echter dat er niet gebroken wordt met het kapitalisme. Hierdoor zijn bio-producten veel duurder dan niet-bio-producten, omdat de bio-landbouwers nog altijd onderhevig zijn aan de regels van de vrije markt. Bio-producten worden hierdoor vooral iets voor meer kapitaalkrachtigere mensen. De gewone werkende kan zich vaak geen bio-producten veroorloven, toch zeker niet voor elke dag.

Boerenmarkten (waar mensen het product direct van de landbouwer zelf kopen) lijken een alternatief op het huidige productieproces, maar dit principe kan alleen maar werken in kleinere dorpen. Voor grote steden is dit niet haalbaar, daar dat de landbouwers in de buurt van de stad onmogelijk kunnen voldoen aan de vraag voor hun producten.

**

Nee, het beste antwoord op het landbouwvraagstuk, is door de kleine landbouwbedrijven te laten samensmelten in één grote coöperatieve. Eén waarin al die verschillende landbouwers, met ieders kennis en ervaring, samen aan landbouw doen, en ook op gelijke voet kunnen beslissen hoe die coöperatieve beheerd wordt. Kortom, alleen door al die kleine bedrijfjes om te vormen tot één groot dat collectief beheerd wordt, kan de “kleine boer” gered worden uit de greep van de grote agro-business.

De geschiedenis heeft al aangetoond dat dit mogelijk is en ook werkt. Tot nog geen 200 jaar geleden waren er in de wereld, en ook hier in West-Europa, plekken waar er collectief aan landbouw werd gedaan. Op sommige plaatsen in Oost-Azië, wordt al 10.000 jaar, en nu nog altijd, aan collectieve landbouw gedaan. En in bijvoorbeeld Griekenland en Zuid-Afrika zijn collectieve landbouwbedrijven terug aan het opkomen, na een tijd lang weg geweest te zijn. Deze samenwerking is geen inbreuk op de individuele vrijheid van de landbouwers, maar net een voorwaarde ertoe. Het biedt bovendien een mogelijkheid om in het kader van een geplande economie de productie zo goed mogelijk op de behoeften en noden af te stemmen. Vandaag zorgt de rol van de agro-business er bijvoorbeeld voor dat tot de helft van het geproduceerde eten in West-Europa en de VS wordt weggegooid: dat is een enorme verspilling en bovendien niet bepaald een erkenning van het werk van de landbouwers.

De staat, zijnde de machthebbers, moeten die “kleine boeren” helpen met dit overgangsproces van individuele landbouw naar collectieve landbouw. Dit proces kan en mag absoluut niet geforceerd worden aan de hand van dwang en/of geweld. Stalin probeerde dit proces met geweld af te dwingen begin jaren 1930 in Rusland. Het resultaat was dat Russische landbouwers toen massaal vee begonnen af te slachten als reactie op de plannen van Stalin. De jaren daarop kende Rusland een enorme hongersnood. Het lijkt ons evident dat we dit niet mogen nastreven.

Nog een belangrijke voorwaarde, is dat er gebroken wordt met het kapitalisme. Een landbouw-coöperatieve kan pas zorgeloos floreren als ze niet meer onderhevig is aan de regels van een puur op winsten gebaseerd systeem. Dit was bijvoorbeeld te zien in de jaren ’30, toen goed draaiende landbouw-coöperatieven ten onder gingen ten gevolge van de beurscrash en de daaropvolgende crisis.

**

Toen Engels ‘Over het Boerenvraagstuk’ schreef, zo’n 120 jaar geleden, waren de verschillen tussen het platteland en de industriële stad nog groot. De leefwereld van de arbeider was totaal verschillend met die van de boer, die vaak ongeletterd was, en niet echt wist wat er zich buiten zijn eigen streek afspeelde. Nu, dankzij de verbeteringen in het onderwijs, de verstedelijking van het platteland, de opkomst van multimedia, … zijn die twee leefwerelden niet meer zo verschillend van elkaar. Er is zonder twijfel al veel meer verwantschap tussen arbeider en landbouwer nu, dan 120 jaar geleden. Meer verwantschap, maar daarom niet meer begrip voor elkaars situatie.

We kunnen ons gerust inbeelden, dat toen de landbouwer naar het nieuws keek eind april 2018 hij niet echt snapte waarom het personeel bij Lidl al zoveel dagen aan het staken was. Net zoals we ons kunnen inbeelden, dat toen de arbeider in de herfst van 2009 naar het nieuws keek, hij niet echt snapte waarom landbouwers op het Schumanplein al die melk over het plein loosden.

Het is de taak van marxisten om duidelijk te maken aan zowel de arbeider als aan de boer, dat ze uitgebuit worden door het kapitalisme. Het enige verschil is dat de arbeider iets directer wordt uitgebuit door zijn baas, waar de boer indirecter uitgebuit wordt door zijn klanten in de voedingsindustrie.

‘Wanneer onrecht een recht wordt, wordt verzet een plicht!’

Print Friendly, PDF & Email