Europa in crisis: spanningen, verdeeldheid en instabiliteit

Het establishment in Europa heeft het moeilijk. Ondanks een periode van beperkt herstel blijft de politieke instabiliteit verder toenemen en dan is er nog eens de mogelijkheid van een nieuwe recessie die de reeds bijzonder wankele evenwichten helemaal onderuit kan halen. Op de zomerschool van het CWI eind juli in Barcelona was er een uitgebreide discussie over perspectieven voor Europa, hieronder enkele elementen daarvan.

Verslag door Geert Cool

Van economische naar politieke crisis

Tien jaar na de recessie van 2007-08 zijn de onderliggende redenen ervoor nog steeds niet opgelost. Dit maakt dat nieuwe schokken in de economie mogelijk zijn. Zelfs in een periode van beperkte groei in de meeste landen, zijn de politieke naschokken van de economische recessie aan kracht aan het winnen. Zelfs het sterkste land van de Europese Unie, Duitsland, kon niet aan een politieke crisis ontsnappen met de moeizame vorming van een nieuwe regering-Merkel. Dit werd al snel gevolgd door de dreiging van een regeringscrisis rond de kwestie van migratie.

De Europese Unie was destijds opgezet voor meer stabiliteit en om de verschillende Europese landen dichter bij elkaar te brengen zodat de concurrentiepositie tegenover het VS-imperialisme beter zou zijn en als blok tegenover het oosten. Vandaag is er van die stabiliteit geen sprake meer en leidt de EU net tot meer verdeeldheid in Europa. In de ontwikkelende handelsoorlog kan de EU niet de toon zetten. Het beslissingsproces stagneert en het establishment slaagt er niet meer in om iets van project naar voren te schuiven. Voorstellen zoals dat van Macron rond een Europese begroting botsen zelfs bij Merkel op verzet, onder meer door de angst voor verdeeldheid in de eigen coalitie en de druk van de populistische AfD in Duitsland. De EU was nog nooit zo zwak als vandaag!

In zowat alle Europese landen is de politieke instabiliteit toegenomen met een record aantal minderheidsregeringen en een nooit geziene fragmentatie. Dit zal in de Europese verkiezingen van mei 2019 tot uiting komen. Naast de fragmentatie en de creatie van nieuwe fracties (zo probeert Macron een pro-Europese fractie uit te bouwen, is Mélenchon voorstander van een links blok zonder het Griekse Syriza dat een besparingsbeleid voert en zijn er ook bij extreemrechts pogingen om nieuwe fracties te vormen), zullen die verkiezingen wellicht ook gekenmerkt worden door een erg lage opkomst in verschillende landen. Het vertrouwen in alle gevestigde instanties, waaronder de EU en de traditionele partijen, staat op een dieptepunt.

Italiaanse schok

De Italiaanse verkiezingen in maart gaven een beeld van de problemen waarmee het establishment te maken krijgt inzake politieke vertegenwoordiging. Voor de tweede keer op 25 jaar werden de traditionele politieke instrumenten van de burgerij van de kaart geveegd. Meer dan de helft van de kiezers steunde de Lega en de Vijfsterrenbeweging, die zich beiden als anti-establishment voordoen. Die steun is het resultaat van een grote afkeer tegen de traditionele partijen na decennia van aanvallen op de levensstandaard van de gewone werkenden en een groeiende frustratie.

Salvini van de Lega speelt in op dat ongenoegen door het te verbinden met de kwestie van migratie. Hij stelt het voor alsof de vele tekorten voor de gewone bevolking te wijten zijn aan de komst van vluchtelingen, in plaats van aan de inhaligheid van de grote graaiers die nooit genoeg winsten kunnen opstrijken via dividenden en daarom op de levensstandaard van de werkenden en hun gezinnen laten besparen. Tegelijk proberen extreemrechts en populisten zoals die van de Vijfsterrenbeweging zich als tegenstanders van het besparingsbeleid op te werpen. Er werden sociale maatregelen beloofd, zoals hogere uitkeringen voor werklozen. De invoering van dat soort maatregelen wordt echter meteen in de koelkast gestopt eens ze aan de macht zijn.

De steun voor krachten als de Lega en de Vijfsterrenbeweging is niet alleen het resultaat van een afkeer tegen de gevestigde partijen, maar ook van de afwezigheid van een ernstig links alternatief. De bocht naar rechts en de verburgerlijking leidt in bijna heel het continent tot ernstige problemen voor de sociaaldemocratie en de krachten links daarvan moeten zich nog bewijzen of zijn nog niet consistent genoeg om als ernstig alternatief gezien te worden. Het maakt dat de Lega en de Vijfsterrenbeweging zich als krachten van verandering kunnen opwerpen.

Dat is overigens ook de wijze waarop enkele gevestigde politici zich hebben kunnen opwerken in peilingen en verkiezingen. Macron in Frankrijk of Kurz in Oostenrijk stelden zich voor als nieuwe gezichten die voor echte verandering zouden zorgen. De snelle ineenstorting van de steun voor Macron – hij concurreert al inzake onpopulariteit met Hollande op hetzelfde ogenblik in diens ambtstermijn – geeft echter aan dat de beloofde verandering er niet komt, of net leidt tot bijzonder onpopulaire neoliberale maatregelen. In Frankrijk waren er de afgelopen maanden massale acties, betogingen en stakingen tegen Macron. Ook in Oostenrijk was er al een eerste grote betoging tegen de regering van conservatieven (ÖVP) en extreemrechts (FPÖ), vooral naar aanleiding van de maatregel om de dagelijkse maximale arbeidsduur op te trekken tot 12 uur.

De enige manier voor populistische en extreemrechtse krachten om niet meteen afgerekend te worden op het uitblijven van een breuk met het besparingsbeleid, bestaat erin om volop de kaart van racisme en migratie te trekken. Er worden zondebokken gezocht en dat heeft een impact, vooral door het gebrek aan voldoende sterk  collectief antwoord hierop vanuit de vakbonden en de linkerzijde. Gecombineerd met het reële effect van de besparingen op de levensstandaard van brede lagen van de bevolking, creëert dit ruimte voor racistische vooroordelen.

De nieuwe Italiaanse regering is erg instabiel en kan de beloften niet waarmaken. Maar het bestaan ervan geeft wel zelfvertrouwen aan extreemrechts en leidt tot een toename van racistisch geweld. Het is de taak van socialisten om de zwakste lagen in de samenleving te verdedigen als onderdeel van een gezamenlijke strijd van de volledige arbeidersklasse tegen zowel het besparingsbeleid als de verdeeldheid die gestimuleerd wordt om ons te verdelen.

Het ziet ernaar uit dat de Italiaanse regering zal proberen om binnen de beperkingen van de EU op te treden, ook al betekent dit dat de verkiezingsbeloften moeten uitgesteld worden. Met de hoogste absolute publieke schuld van de EU en de derde hoogste in de wereld, is de marge erg beperkt. Dat is al zo in een periode van beperkt herstel, wat zal het geven bij een nieuwe recessie? De Italiaanse economie is tien keer zo groot als de Griekse. Een Italiaans vertrek uit de eurozone en de EU is nog veel minder evident dan in het geval van Griekenland. Wellicht zal de EU er dan ook alles aan doen om Italië aan boord te houden en om tot een werkrelatie met de Italiaanse regering te komen. Alleen is het de vraag of dit mogelijk zal zijn, zeker bij een nieuwe economische neergang.

Van crisis naar crisis

De vorige recessie is enkel ‘opgelost’ door massale stimulusmaatregelen en ook de beperkte groei van de afgelopen jaren is daar sterk op gebaseerd. Het leidt tot een scherpe toename van het schuldenniveau, wat voorlopig nog beheersbaar is door een lage rentevoet. Maar het maakt ook dat de buffer om een volgende recessie op te vangen veel beperkter is. Dat zal politieke gevolgen hebben. Een voormalige topman van het IMF verklaarde publiekelijk dat een volgende crisis fataal kan zijn voor de EU.

De groei van de economie vertraagt op dit ogenblik in Europa en er zijn verschillende factoren die deze vertraging kunnen verdiepen. Zo zijn er de gevolgen van de invoertarieven en het protectionisme dat door Trump is opgestart, er is de afname van de Qantitative Easing, de gevolgen van de Brexit, … De Franse minister van Financiën merkte terecht op dat een status quo niet mogelijk is. Hij voegde eraan toe dat er iets moet gebeuren om nieuwe schokken te kunnen opvangen. Maar voorstellen daartoe zijn er niet echt.

Collectieve strijd en politieke vertalingen ervan

De gevolgen van het besparingsbeleid leiden niet alleen tot de ondermijning van gevestigde partijen, maar ook tot strijd. In Frankrijk kregen de twee traditionele partijen een zware slag bij de laatste verkiezingen, in het geval van de PS ging het zelfs om een uppercut. Macron en zijn ‘En Marche’ kwamen in de plaats. Maar nu al is het voor brede lagen van de Franse bevolking duidelijk dat Macron de president van de rijken is. Hij voert een Thatcheriaans beleid en beseft dat het een race tegen de tijd is om zo snel mogelijk zoveel mogelijk maatregelen door te voeren.

Het gaat onder meer om het opvoeren van repressieve mogelijkheden om protest monddood te maken, maar ook om privatiseringen en andere aanvallen op werkenden. Dit leidt tot strijd en protest, zoals de langdurige staking bij het Franse spoor en de verschillende acties tegen de asociale besparingen. Mélenchon wordt gezien als de belangrijkste oppositiefiguur tegen Macron. Zijn France Insoumise kent uiteraard beperkingen, maar neemt initiatieven om de oppositie tegen het beleid van Macron op straat te voeren, te verenigen en te versterken.

Het zwaartepunt van collectieve strijd en protestbewegingen in Europa lag de voorbije maanden wellicht in Spanje. Daar waren er niet alleen de indrukwekkende vrouwenstakingen van 8 maart waaraan zes miljoen vrouwen én mannen deelnamen of de protestacties tegen de wel erg lichte straf voor de groepsverkrachters van ‘de wolfsroedel’, er waren ook grote acties van onder meer gepensioneerden. En uiteraard was er de fenomenale beweging in Catalonië, waarover verder in dit verslag meer. Naar schatting 10 miljoen mensen in de Spaanse staat namen het afgelopen jaar deel aan protestacties, dat is één op de vier volwassenen! Het establishment moest daar rekening mee houden: de PP-regering botste op een motie van wantrouwen die het kon halen door de druk op kleine partners, zoals Baskische nationalisten. Het vestigt het perspectief van een sociaaldemocratische PSOE-regering ondersteund door radicaal-links (Podemos en IU), naar het model van de Portugese regering.

Ook elders waren er belangrijke bewegingen. Zo was er de enorm breed gedragen campagne naar het Ierse abortusreferendum en het opmerkelijke resultaat van twee derden die voor de intrekking van het grondwettelijk verbod op abortus stemden. Jongeren namen daar het voortouw: 90% van de jonge vrouwen ging stemmen, het aantal jonge vrouwen dat zich registreerde om te kunnen stemmen nam met 94% toe. Onder oudere lagen werd dit opgemerkt en velen stemden voor het intrekken van het verbod op abortus omdat de jongeren dit willen en het nu eenmaal over hun toekomst gaat.

In verschillende voorbeelden van protestbewegingen en strijd valt het op dat de vakbondsleiding geen trekkende rol speelt en soms zelfs helemaal niet aanwezig is. Waar de vakbondsleidingen wel verzet organiseren, ontbreekt het vaak aan een strategie van opbouw en al helemaal aan een perspectief van politiek alternatief op de besparingspartijen.

Nieuwe linkse formaties

Er is niet alleen een opmars van rechtse populisten en extreemrechts, maar ook van nieuwe linkse formaties. Dit zijn vaak niet echt partijen, maar eerder losse verbanden die onder meer via het internet georganiseerd zijn (zoals Podemos of France Insoumise tot op zekere hoogte). De vraag is of deze nieuwe linkse krachten iets stabiel kunnen uitbouwen. Ze hebben het niet gemakkelijk om een brede actieve basis te betrekken bij beslissingsvorming en mobilisatie. Bovendien leidt electorale groei tot verwachtingen om ook in de praktijk een breuk met het besparingsbeleid te realiseren. Dat vereist een aangepast programma en perspectief om de confrontatie met het kapitalisme aan te gaan. Links-reformisme volstaat niet, het Griekse voorbeeld van Syriza toonde dit op pijnlijke wijze aan.

In een complexe situatie zijn er bovendien veel obstakels en moeilijke kwesties voor deze linkse krachten, denk maar aan migratie of de nationale kwestie. De hoop op verandering zet druk om via coalitievorming met gevestigde partijen, waaronder de sociaaldemocratie, het besparingsbeleid te stoppen. Het is logisch dat eerst naar een gemakkelijke weg gezocht wordt, maar dat neemt niet weg dat de confrontatie met het kapitalisme moet voorbereid worden. Dat betekent dat vertrouwen gesteld wordt in de mogelijkheid van de werkende klasse om zich te organiseren en te strijden. Verandering wordt door massastrijd afgedwongen, niet door parlementaire manoeuvres. Maar er moet rekening gehouden worden met de druk om snel tot verandering te komen. In die zin was het correct van het Portugese Links Blok en de Communistische Partij om een minderheidsregering van de sociaaldemocratie te gedogen (een model dat nu ook in Spanje gevolgd wordt), maar het moet gepaard gaan met een onafhankelijke positie gericht op mobilisatie en betrokkenheid van bredere lagen. Zoniet dreigt radicaal-links in deze opstelling te verliezen aan de sociaaldemocratie. Bij de lokale verkiezingen in Portugal was dit al het geval en ook in Spanje is dit mogelijk.

Op dit ogenblik wordt veel hoop gevestigd in Corbyn. De lokale verkiezingen van mei vormden echter een waarschuwing: de steun voor Labour was niet zo groot als verwacht, onder meer omdat de partij op lokaal vlak een besparingsbeleid voert. Bovendien lijkt Corbyn snel toe te geven bij elke aanval, ook in de campagne om hem van antisemitisme te beschuldigen door elke kritiek op het reactionaire Israëlische regime met antisemitisme gelijk te stellen. De Tories van Theresa May zijn bijzonder verdeeld rond onder meer de Brexit, waardoor het mogelijk is om de zwakke regering ten val te brengen. Nieuwe parlementsverkiezingen zouden een mogelijkheid bieden om terug te gaan naar bredere mobilisaties voor een offensief programma tegen besparingen. Een beweging zou een Corbyn-regering verder naar links kunnen duwen dan de medestanders van Corbyn van plan zijn. Als er geen offensief komt, is het echter mogelijk dat de regering standhoudt en er een lang uitgerokken warrige Brexit-soap is. Deze vernedering van het Britse kapitalisme is een uitdrukking van de zwakker positie van het Britse imperialisme en de bijhorende zwakkere politieke leiders.

Oost-Europa

Zowel in de Balkan als in Centraal en Oost-Europa zijn er erg tegenstrijdige processen. In Polen bijvoorbeeld voert de heersende PIS-partij een beleid van autoritaire repressie (met onder meer een grotere controle op het gerecht, mogelijkheden om protest te onderdrukken, …) gekoppeld aan sterk nationalisme (in Roemenië is dit ook het geval: daar is anti-Roemeense propaganda strafbaar gemaakt door de sociaaldemocratische regering). Tegelijk worden echter sociale maatregelen genomen: kindergeld vanaf het tweede kind (120 euro per maand), verlaging van de pensioenleeftijd, optrekken van het minimumloon, … Die maatregelen zijn uiteraard erg populair en geven de regering een machtsbasis. (Over de situatie in Polen publiceren we later een interview).  Hetzelfde zien we in andere Oost-Europese landen.

De beperkte economische groei en de pogingen van de lokale kapitalisten om een groter aandeel van de economie in handen te krijgen, leidt tot dit beleid. De regeringen verdedigen niet de belangen van de gewone bevolking, maar die van de lokale kapitalisten. De nationalistische retoriek en de autoritaire elementen zorgen echter voor een groei van extreemrechts, ook van gewelddadige groepen. Dat is een gevaar voor de arbeidersbeweging. Er zijn tegelijk evenwel voorbeelden van strijd, zelfs vrij grote bewegingen, zoals voor het recht op abortus of voor hogere lonen en tegen corruptie in onder meer Roemenië. Hierop kan de linkerzijde bouwen.

Complicaties voor de arbeidersbeweging: migratie

De arbeidersbeweging en de nieuwe linkse formaties botsen op verschillende complicaties. Migratie is ongetwijfeld een van de belangrijkste. Sinds 2015 is er dan wel een forse afname van het aantal vluchtelingen, maar toch wordt migratie gebruikt om een politiek van zondebokken te voeren. Premier Kurz kondigde aan dat dit het centrale thema van het Oostenrijkse EU-voorzitterschap wordt. In Duitsland staat de regering onder druk van de rechtse populisten van de AfD.

Alle gevestigde partijen zijn het eens over Fort Europa, maar ze zijn het niet eens over quota en een verdeling van de vluchtelingen. Bovendien wordt de repressie opgedreven: Italië weigerde de toegang voor vluchtelingenboten, in Hongarije wordt het strafbaar om vluchtelingen te helpen (zelfs voor advocaten), Oostenrijk kondigde aan de grens met Duitsland strenger te bewaken, Macron bekritiseert Salvini maar voert zelf de bewaking aan de Franse grenzen op.

Onder bredere lagen van de bevolking is er een zekere steun voor strengere regels. Dit is niet zozeer vanuit racisme, ook al is dat er, maar vanuit angst rond de draagkracht van het sociaal weefsel. Die angst kan enkel overwonnen worden door een consequente en collectieve strijd van de arbeidersbeweging tegen het besparingsbeleid dat het sociaal weefsel ondermijnt. Een defensieve opstelling die meegaat in de logica van het establishment, biedt geen antwoord op de redenen waarom mensen vluchten en is een obstakel voor een gezamenlijke strijd tegen de oorzaken van sociale tekorten. Op kapitalistische basis is er geen oplossing voor de kwestie van migratie, onder dit systeem kan de situatie zelfs nog erger worden. De kwestie van maatschappijverandering en een socialistische samenleving moet naar voren gebracht worden. Het is de enige manier om te komen tot een wereld waarin iedereen kan leven en reizen waar hij of zij dat wil, zonder gevaar op armoede, vervolging of oorlog.

Complicaties voor de arbeidersbeweging: nationale kwestie

Een systeem in crisis maakt dat alle bestaande tegenstellingen scherper naar voor komen. De nationale kwestie is daar een onderdeel van. Op de zomerschool van het CWI werden heel wat verschillende voorbeelden hiervan aangegeven: de beweging in Catalonië, de situatie in Noord-Ierland, de roep naar een tweede onafhankelijkheidsreferendum in Schotland, de discussie over wie de naam Macedonië mag claimen, de verdeeldheid in Cyprus, … De publieke meeting van het CWI in het centrum van Barcelona stond in het teken van de Catalaanse beweging. Verschillende sprekers benadrukten er dat marxisten voor het recht op zelfbeschikking zijn, maar dit meteen koppelen aan de noodzaak van een socialistisch programma.

We moeten flexibel zijn in onze tactieken, maar vastberaden in ons programma. Verschillende situaties vereisen verschillende benaderingen en constante evaluaties. Uiteraard steunden we het recht van de Catalaanse bevolking op een referendum over onafhankelijkheid tegen de repressie van de regering in Madrid. Maar een referendum in Noord-Ierland over de grens tussen het noorden en het zuiden in het kader van de Brexit zou een compleet ander gegeven zijn: dat zou enkel de sectaire tegenstellingen op gevaarlijke wijze versterken met zelfs de mogelijkheid van een terugkeer naar meer geweld. Rond de naamdiscussie in Macedonië verdedigden we het standpunt dat beter een naam als Noord-Macedonië wordt aangenomen voor het gebied in de voormalige Joegoslavische republiek dat goed is voor 38% van het totale grondgebied van het oude Macedonië (52% bevindt zich in Griekenland en 10% in Bulgarije).

Jammer genoeg is er onder een groot deel van links verwarring rond de nationale kwestie. Soms wordt de nood aan arbeiderseenheid ingeroepen om het recht op zelfbeschikking te ontzeggen, terwijl het erkennen van dit recht op zelfbeschikking net een voorwaarde is om die eenheid in respect voor elkaars eigenheid en op gelijkwaardige basis te bekomen. De fouten van Podemos en IU rond de Catalaanse beweging, waarbij ze het massaverzet in Catalonië op gelijke voet zetten met de Franquistische repressie door de PP-regering, sluit hen af van de beweging. Het feit dat Labour geen steun gaf aan het onafhankelijkheidsreferendum in Schotland heeft ertoe geleid dat de partij, ondanks het beperkte herstel door het Corbyn-effect, in Schotland lager scoort in de peilingen dan de Tories.

Lenin merkte ooit op dat wie de rechten van minderheden en nationale onderdrukking niet erkent, geen marxist en zelfs geen democraat is. De nationale kwestie is een belangrijke test voor het programma en de methode van alle linkse organisaties. Zonder de erkenning van het recht op zelfbeschikking hadden de Bolsjewieken de oktoberrevolutie in 1917 niet kunnen realiseren. De nationale kwestie zal in een periode van kapitalistische crisis enkel aan belang winnen. Het kan een hefboom zijn voor de strijd tegen besparingen, onderdrukking en kapitalisme.

Socialistisch alternatief uitbouwen

In het ‘Overgangsprogramma’ schreef Leon Trotski in 1938 reeds dat de crisis van de mensheid te herleiden is tot een crisis van de leiding van de arbeidersbeweging. De nieuwe linkse krachten staan er nog niet als alternatief, wat ruimte geeft aan tal van krachten om electoraal te scoren. Maar tegelijk moeten we vaststellen dat de burgerij op politiek vlak zwak staat: nergens zijn er nog stabiele regeringen en dat nog vooraleer er sterke uitdaging komt door linkse krachten. De politieke leiders lopen eigenlijk rond als kiekens zonder kop die bovendien de ogen dichtgeknepen houden.

De krachtsverhoudingen voor de werkende klasse zijn potentieel veel beter dan ze op het eerste gezicht lijken. Als er sterke arbeiderspartijen zijn, kan de situatie er heel anders uitzien en zou dit het bewustzijn enorm veranderen. Er is een kloof tussen de rijpheid van de objectieve situatie en de onrijpheid van de arbeidersorganisaties. Dat was in 1938 al een thema in het ‘Overgangsprogramma’, maar vandaag is het nog veel sterker. Wij moeten offensief onze antwoorden naar voren brengen en de nieuwe generaties, die zich beginnen te roeren zoals in het Ierse abortusreferendum, zich de ideeën van het socialisme eigen laten maken.

Print Friendly, PDF & Email