Tien jaar na de crash. Hoe staat de wereldeconomie er vandaag voor?

Het gaat niet goed met het kapitalisme. Economische onrust gaat samen met politieke volatiliteit. In december werden nieuwe hoogterecords op de beurzen bereikt, in februari werd op grote schaal verkocht. De kolossale publieke en private schulden achtervolgen het systeem en beperken de manoeuvreerruimte van de kapitalisten. De wereldeconomie is eigenlijk nooit volledig hersteld van de crash in 2007/08. Een dossier door Judy Beishon uit het magazine ‘Socialism Today’.

2018 begon met applaus van de kapitalistische economen voor de wereldwijde gelijktijdige groei en de records op de beurzen. Ze discussieerden onder elkaar of ze deze fase als herstel, expansie of boom moesten omschrijven. De beurswaarden holden ver voor de reële gezondheid en winsten van de bedrijven uit. Ze kwamen eind 2017 op een nooit geziene ‘waarde’ van 80 biljoen dollar uit. Dat is ongeveer 17 biljoen dollar meer dan de piek voor 2008. De wereldwijde groei in 2017 werd door het IMF en andere instellingen op 3% of meer geschat, er werd tevens verklaard dat de komende twee jaar beter zullen zijn.

Maar toen de economische elite in januari in Davos bijeenkwam voor de jaarlijkse topbijeenkomst, ging de vreugde gepaard met voorzichtigheid en enig ongemak. Er was vooral bezorgdheid over de politieke en ecologische kwesties die de economie kunnen raken, onder meer door handelsprotectionisme, oorlogen, vluchtelingen, ongelijkheid en extreem weer als gevolg van klimaatverandering. Het ongemak kwam tot uiting toen begin februari de obligaties en aandelen op de beurzen plots snel aan waarde verloren. De Financial Times voelde zich verplicht om te waarschuwen tegen paniek.

Er is het besef dat de ‘stierenmarkt’ van de aandelen niet houdbaar is en er komen vragen over de duurzaamheid en sterkte van de groei. De enorme schuldenniveaus vormen een belangrijk probleem: de gezamenlijke wereldwijde schuld van bedrijven, regeringen en gezinnen liep op van 142 biljoen dollar in 2007 tot 233 biljoen dollar in 2017. Dat is een enorme toename in absolute cijfers, maar ook als percentage van de wereldwijde productie is er een groei van de schulden met 40%.

De diepe financiële crisis van tien jaar geleden heeft de kapitalistische elites tot in hun kern geraakt en het werd gevolgd door jaren van slappe economische prestaties. Martin Wolf van de Financial Times schreef in januari over de grootste economie ter wereld, de Amerikaanse: “De economie is 17% kleiner dan wat hij geweest zou zijn indien de trend van 1968-2007 was doorgezet. Sinds het herstel in 2009 was de groei veel trager. Hetzelfde geldt voor de arbeidsproductiviteit die eveneens erg traag toeneemt.” De kapitalistische economen zijn al langer bezorgd over de lage productiviteitsgroei in de economisch ontwikkelde landen en wijzen erop dat er ook in de zogenaamde opkomende economieën een vertraging is met bijhorende vertraging van de economische groeicijfers.

Het gebrek aan vertrouwen in het herstel en de onderliggende zwakte ervan, komen tot uiting in het feit dat heel wat van de massale stimulusmaatregelen die na de crisis van 2007-08 werden ingevoerd vandaag in de één of andere vorm blijven bestaan. De rentevoeten blijven erg laag en de Quantitative Easing (QE: aankoop van financiële producten met digitaal gecreëerd geld) en andere interventies in heel wat grote economieën zijn er nog steeds. De Japanse Centrale Bank – in de derde grootste economie ter wereld – blijft voor ongeveer 700 miljard dollar per jaar inkomen. De Europese Centrale Bank (ECB) koopt voor ongeveer 30 miljard euro per maand met voorlopig geen einddatum in zicht (voorheen werd voor 60 miljard euro per maand ingekocht). ECB-voorzitter Mario Draghi stelde dat er “heel weinig kans is dat de rentevoeten dit jaar zullen stijgen.” De Bank of England is nog niet begonnen met de verkoop van de voor 435 miljard pond aangekochte waarden en de Amerikaanse Fed is slechts erg traag begonnen met het omkeren van het stimulusprogramma dat goed was voor 4,5 biljoen dollar.

Deze erg grote injecties van geld, voor meer dan 10 biljoen dollar in QE alleen, hebben er samen met de erg lage of zelf onbestaande rentevoeten toe geleid dat de economieën uit recessies werden gesleept en dat bankroeten zoals in de jaren 1930 werden vermeden. Het legde deels de basis voor de huidige globale groei, die door de regeringen wordt aangegrepen voor propaganda waarin gesteld wordt dat de diepe recessie na de kredietcrisis definitief tot het verleden behoort.

Tegen de achtergrond van wereldwijde groei hebben een aantal landen van de eurozone die het hardst geraakt werden door de recessie – waarbij de economische schade versterkt werd door het opgelegde besparingsbeleid – de groeicijfers van voor de crisis opnieuw behaald. Een erg welkom gevolg hiervan is dat dit voor de werkende klasse en de middenklasse meer mogelijkheden biedt om verworvenheden te bekomen. De economische groei houdt aan waardoor werkenden sneller overgaan tot de eis van degelijke loonsverhogingen, zoals het gemeentepersoneel in Schotland dat 6,5% opslag eist of de Duitse metaalsector waar 6% geëist werd.

Beperkte investeringen

De stimulusmaatregelen en de reddingsoperaties waren een bonanza voor de rijksten. De waarde van hun belangrijkste financiële bezittingen, zowel obligaties, bedrijfsschulden als aandelen, nam sterk toe. Tegelijk is er echter een crisis van lage productieve investeringen en van productiviteit. Martin Wolf merkte op: “Doorheen de G7,” de zeven grootste ‘ontwikkelde’ economieën, “liggen de netto investeringsgraden lager dan voor de financiële crisis en is de arbeidsproductiviteit lager dan het gemiddelde tussen 1995 en 2007.”

In plaats van investeringen om de samenleving vooruit te brengen, hebben de toplui zichzelf obsceen hoge lonen toegekend naast aandelenopties en dividenden. Deze enorme verloningen werden deels gefinancierd door het aandeel van de totaal geproduceerde rijkdom dat naar de werkenden gaat te verlagen. Dit gebeurt door te knibbelen aan de arbeidsvoorwaarden en door de levensvoorwaarden verder naar beneden te trekken. De productie en callcenters worden gedelokaliseerd naar landen met lagere lonen of er worden laagbetaalde werknemers uit eigen land, of vanuit andere landen, ingezet om de winsten op te voeren. Ook wordt nieuwe technologie gebruikt in bepaalde sectoren. Onder het kapitalisme wordt technologische vooruitgang niet gebruikt voor een verbetering van de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking.

De enorme vooruitgang aan de top van de samenleving is ook het resultaat van ‘financiële spitstechnologie.’ Het gaat onder meer om operaties waarbij bedrijven op grote schaal eigen aandelen inkopen, vaak met geleend geld aan lage rentevoeten. Dit is een belangrijke factor geworden om de aandelen van topmanagers en de dividenden van aandeelhouders te boosten. Bedrijven in de aandelenindex S&P 500 in de VS hebben de afgelopen twee jaar voor maar liefst 1,1 biljoen dollar aan eigen aandelen ingekocht. Dit vermindert het aantal beschikbare aandelen en vergroot de ‘opbrengst per aandeel’ voor de bedrijven en ook de ‘waarde’ van de overblijvende aandelen. Grote Amerikaanse bedrijven gaven in 13 van de voorbije 14 jaar meer uit aan de inkoop van eigen aandelen dan aan dividenden. Er ging ook veel geld naar overnames van aandelen, vaak met als gevolg dat de bezittingen van de overgenomen bedrijven worden afgebouwd.

Financiële instellingen blijven bovendien doorgaan met grootschalige speculatie waarbij voor onvoorstelbare sommen gegokt wordt op de markten. Cryptomunteenheden als Bitcoin werden een nieuw instrument voor speculatie en het verbergen van geld. Deze cryptomunten mogen dan wel meer dan 700 miljard dollar ‘waard’ zijn, ze zijn nog niet voldoende in de gevestigde kanalen ingebed om met hun volatiliteit een impact te hebben op de wereldeconomie. Er zijn bovendien oproepen om deze cryptomunten aan regels te onderwerpen. Er is immers bezorgdheid over de bijkomende instabiliteit die ze kunnen veroorzaken indien het gebruik ervan blijft toenemen.

Short selling van aandelen (het verkopen van effecten die men niet in bezit heeft, om zo te kunnen profiteren van een daling van de beurskoers) is een andere vorm van speculatie. Dit kwam recent in het nieuws in Groot-Brittannië omdat het bedrijf Carillion er meermaals door getroffen wat het leven en de pensioenen van tienduizenden werkenden bedreigde. Er werd uitgegaan van waardeverlies van de aandelen, waardoor er aandelen werden geleend zodat ze konden verkocht en vervolgens terug ingekocht worden aan lagere prijzen, vooraleer ze terug aan de oorspronkelijke eigenaar worden bezorgd.

Toenemende ongelijkheid

Als dergelijke bedrijven failliet gaan, zullen de meeste rijke aandeelhouders en topmanagers waarschijnlijk wel genoeg achter de hand hebben om verder in luxe te leven. Voor de werknemers ligt dat anders. Hun levensstandaard werd al naar beneden getrokken door lage lonen en besparingen. In de media zien we krokodillentranen en waarschuwingen over de toenemende ongelijkheid. Zo verwees IMF-topvrouw Christine Lagarde naar de angst dat de toenemende ongelijkheid in heel wat landen tot ‘breuken’ leidt.

De cijfers zijn bijzonder schokkend. De acht rijksten bezitten evenveel als de 3,6 miljard armste mensen ter wereld, stelde Oxfam een jaar geleden. In het jaar dat daarop volgde trokken de 1% rijksten 82% van alle gecreëerde rijkdom naar zich toe. De armste helft van de planeet ging er niet op vooruit.

De levensstandaard stagneert of gaat achteruit. Dit is niet enkel het geval in de voormalige koloniale landen. In de VS leven 41 miljoen mensen in armoede en is het mediaan weekloon voor voltijds werkenden sinds 1979 amper veranderd in reële (aan de inflatie aangepaste) cijfers. Rapporten geven aan dat de gemiddelde lonen in de VS nu stijgen, maar bedienden op het niveau van manager genieten daar meer van dan werkenden met lagere lonen. In Groot-Brittannië liggen de loonsverhogingen onder de inflatiecijfers en zijn de gezinnen er in reële cijfers slechter aan toe dan in 2007. De lonen worden laag gehouden en een groot aantal voorheen goed betaalde degelijke jobs werd vervangen door laagbetaalde, deeltijdse en onzekere jobs. Nieuwe technologie wordt vaak gebruikt om het totale aandeel dat naar werkenden gaat te verminderen door te besparen op jobs, uren of loon, en door het personeel onder strakker toezicht te plaatsen.

Dit zijn allemaal tekenen van de lang uitgerokken impasse van de kapitalistische economieën en van de pogingen van de heersende klassen om op korte termijn winsten te boeken. Ondertussen worden de openbare diensten en de sociale zekerheid hard aangepakt. Dit gaat zo ver dat zelfs Lagarde over Groot-Brittannië stelde: “Er is heel weinig ruimte voor bijkomende besparingen op de uitgaven.” Ze stelde integendeel voor om belastingen te verhogen en om de privatisering van de gezondheidszorg terug te rollen. Voor de superrijken heeft een kleinere publieke sector twee doelen. Ten eerste zien ze in besparingen op de publieke sector een manier om minder belastingen te betalen. Ten tweede zien ze mogelijkheden om winsten te halen uit het privaat aanbieden van essentiële diensten.

Kapitalistische economen hebben er geen idee van wat de komende periode zal brengen en welk beleid ze daarvoor nodig hebben. Er zijn geen economische modellen die de effecten tonen van langdurige lage investeringen en productiviteit, of van het intrekken van de enorme bedragen van stimulusmaatregelen. De meesten realiseren dat de kapitalistische economieën opgaande en neergaande cycli kennen – zoals Karl Marx dit lang geleden uitlegde – en dat de stimulusmaatregelen moeten ingetrokken worden en de rentevoeten moeten stijgen (zoals enkele centrale banken dit nu beginnen te doen) in een poging om potentieel hoge inflatie te vermijden en om over middelen te beschikken om de volgende recessie te bestrijden. Tegelijk vormen deze stappen een rem op de economische groei. De schuldenberg is zo groot dat het duurder maken van lenen heel wat bedrijven en individuen in moeilijkheden zal brengen of zelfs op de rand van het bankroet. Dit kan zelfs het geval zijn voor volledige landen.

Amerikaanse belastingverlagingen

Alsof de superrijken nog niet genoeg langs de kassa gepasseerd zijn, besliste Donald Trump tot nieuwe belastingverlagingen voor bedrijven en individuen. Dit is een verdere transfer van rijkdom naar de Amerikaanse elite, waaronder Trump zelf. Hij rechtvaardigde de besparingen omdat ze geld vrijmaken voor economische investeringen en jobcreatie, onder meer door biljoenen dollars die nu in het buitenland zitten in de binnenlandse economie te pompen.

Enkele tijdelijke belastingverlagingen (en sommige bonussen van werkgevers) zullen de lage en middelgrote inkomens voordeel opleveren. De enorme hoeveelheid geld waarover het gaat kan een zekere stimulans vormen, maar zelfs rechtse economen doen dit af als bijkomende gevolgen. Martin Wolf schreef: “Een meer aanneembare visie is dat het vooral zal leiden tot hogere beurswaarden, inkomensongelijkheid en een versnelling van de competitieve neerwaartse spiraal inzake belasting op kapitaal. De Britse ervaring is ontnuchterend. Het verlagen van de Britse vennootschapsbelasting tot 19% heeft weinig effect gehad op investeringen of de mediane reële lonen.”

Een vorm van fiscale amnestie voor geld uit het buitenland zorgde in 2004 voor de transfer van meer dan 300 miljard dollar naar de VS, maar het grootste deel hiervan ging naar de aankoop van eigen aandelen en naar dividenden. Het was volgens het onderzoekscentrum van het Amerikaanse parlement “niet efficiënt als instrument tot grotere economische groei.” Veel bedrijven die er gebruik van maakten, gingen eerder over tot het schrappen van jobs dan tot het creëren ervan. Trump slaagde erin om de belastingverlagingen erdoor te krijgen. Dit werd meteen gevolgd door de aankondiging van Wells Fargo, de derde grootste bank van het land, dat het voor 22,6 miljard dollar aan eigen aandelen zou inkopen. Andere bedrijven zullen honderden miljarden dollars gebruiken voor hetzelfde doel. Voor de rijken is het een dubbele bonanza: belastingverlagingen die vervolgens gebruikt worden om nog meer geld te krijgen.

Aangezien deze belastingverlagingen naar schatting 1,5 biljoen dollar zullen toevoegen aan de Amerikaanse overheidsschuld in de komende tien jaar (die schuld bedraagt al meer dan 20 biljoen dollar), waren niet alle Republikeinen voorstander van de maatregel. Het Amerikaanse begrotingstekort kan oplopen tot 5,7% van het BBP in 2019 waarbij jaarlijks meer dan 1,1 biljoen dollar moet geleend worden. Dat is ongezien in een periode die omschreven wordt als één van groei. De realiteit hiervan werd door Lagarde in Davos aangegeven toen ze stelde dat belastingverlagingen “ernstige risico’s” met zich kunnen meebrengen waarbij er een impact is op de “financiële kwetsbaarheid.” Meer leningen door de overheid kunnen leiden tot hogere rentevoeten en een stijgend begrotingstekort beperkt de capaciteit van de Fed om een volgende recessie te bestrijden.

Protectionisme

Een andere bron van grote instabiliteit voor het wereldkapitalisme zijn de toenemende spanningen over handelsbelemmeringen en subsidies. In een wereld waar de economieën meer dan ooit onderling van elkaar afhankelijk zijn, heeft de retoriek van ‘Amerika eerst’ onder Trump geleid tot angst van een mogelijke spiraal van protectionistische maatregelen. Het is niet dat het afbouwen van handelsbarrières voor Trump zo vlot verliep. In het algemeen was er een terugtocht van de globalisering. De Wereldhandelsorganisatie (WHO) tekende geen enkel multilateraal handelsakkoord sinds 1995.

De Amerikaanse minister van handel zorgde voor ophef in Davos toen hij verklaarde dat de VS al in een ‘handelsoorlog’ betrokken is. Trump haastte zich om dit te ontkennen en nam tot hiertoe slechts beperkte protectionistische maatregelen. Recent besliste hij taksen op te leggen voor geïmporteerde wasmachines en zonnepanelen. Maar dit is geen significante breuk met het beleid onder vorige regeringen. Het dreigement om een belasting van 292% op te leggen voor vliegtuigen van Bombardier, werd verworpen door het Amerikaanse beoordelingscommissie. Trump heronderhandelt het Noord-Amerikaans vrijhandelsverdrag NAFTA in plaats van er gewoon uit te stappen. Hij stelde zelfs dat de VS mogelijk opnieuw zal toetreden tot het Trans-Pacific Partnerschap (TPP).

Veel Amerikaanse en andere werkenden zijn terecht bezorgd over kapitalistische handelsakkoorden en regels – NAFTA, de handelsverdragen van de EU, het geplande TPP, de lossere Wereldhandelsorganisatie, … – omdat ze afgestemd zijn op de behoeften van de grote bedrijven. Hele regio’s en sectoren die gebukt gaan onder massaal jobverlies worden door de architecten van de vrijhandelsverdragen slechts gezien als noodzakelijke slachtoffers. Het is op deze vijandigheid dat Trump inspeelde om verkozen te geraken. Maar om het ‘isolement’ van de VS in de praktijk te brengen, botst hij op heel wat factoren. Toen de tarieven op de import van staal en van banden in de VS omhoog gingen onder vorige regeringen, leidde de hogere kost van die goederen tot een netto jobverlies, het resultaat waar Trump naar eigen zeggen net tegen wil optreden. Als andere regeringen wraak nemen door de eigen handelstarieven te verhogen, zal de Amerikaanse export daaronder leiden.

Maar Trump is niet helemaal voorspelbaar en zal niet noodzakelijk handelen in het belang van het Amerikaanse kapitalisme. Hij gebruikt rechts populisme om steun te winnen en kan in sommige gevallen beslissen om zich aan zijn beloften te houden, ook al is er verzet door de grote bedrijven. Maar in laatste instantie zullen noch protectionisme noch het afbouwen van handelsbelemmeringen een oplossing bieden voor de problemen van de VS en andere kapitalistische machten die concurreren voor markten in een wereld met beperkte vraag.

Het is ironisch dat het Amerikaanse handelstekort in het eerste jaar van Trump net groeide en wel met 12%. Er is een record tekort met China. De spanningen tussen de VS en China over handel en andere kwesties nemen toe. Dit kwam onder meer tot uiting in de militaire manoeuvres en de territoriale betwistingen in de Zuid-Chinese Zee. In 2016 was de Amerikaanse export goed voor slechts 12% van de wereldwijde export, de Chinese export nam met 17% het grootste aandeel van de wereldwijde export in. De 900 miljard dollar van de Chinese ‘nieuwe zijderoutes’ hebben als doel om deze positie verder uit te bouwen met doorgangen over land en zee waarmee 60% van de wereldbevolking kan bereikt worden.

De economische ontwikkeling van China is echter sterk afhankelijk van de enorme schuldenbergen en er zijn diepere onderliggende problemen. De officiële groei is in 2017 op jaarbasis licht gestegen tot 6,9%. Dat blijft echter significant onder het gemiddelde van 9% van de voorbije 25 jaar. China heeft enorme middelen om in de economie tussen te komen en het grootste deel van het bankensysteem is staatseigendom. Maar de enorme onevenwichten, met ook een immense sector van schaduwbanken en de tijdbom van de schuldenberg, zorgen voor acute problemen voor het regime dat de groei wil behouden en tegelijk sociale onrust wil vermijden.

Een ander element dat bijdraagt aan de spanningen tussen de wereldmachten is de handelsgerelateerde kwestie van de muntwaarden. Trump haastte zich om een andere Amerikaanse vertegenwoordiger in Davos terug te fluiten. Deze keer ging het om begrotingsminister Steve Mnuchin die een zwakkere dollar verwelkomde als een goede zaak voor de Amerikaanse handel. De dollar verloor meer dan 14% van zijn waarde tegenover de euro sinds het aan de macht komen van Trump. Dit helpt de Amerikaanse export, maar de belangrijkste economieën kwamen in oktober overeen om een verdere neergang van hun munt niet aan te moedigen. Ze vreesden immers een nieuwe ronde van concurrentiële muntdevaluaties bovenop de devaluaties als gevolg van de QE.

Komt er een nieuwe crash?

De cycli van de kapitalistische economieën zijn vandaag even onvermijdelijk als toen ze door Marx geanalyseerd werden in de 19de eeuw. De basis van het systeem is immers niet veranderd. Er komt een nieuwe recessie, de enige vraag is hoe diep deze zal zijn. Veel kapitalistische economen stellen dat 2007-08 niet kan herhaald worden omdat de regeringen maatregelen hebben opgelegd aan de financiële instellingen – onder meer de verplichting om meer kapitaal te houden. “Maar het kapitaal blijft vrij de wereld rondgaan, de onevenwichten in de lopende rekeningen tussen landen blijft bijzonder groot, financiële derivaten blijven gevaarlijk,” stelde Ed Conway van Sky (Times 11 augustus 2017).

De Dodd-Frank voorstellen in de VS in 2010 werden aangeprezen als een manier om een nieuwe crisis te vermijden. Maar dergelijke beperkte maatregelen zullen niet volstaan en werden niet eens volledig doorgevoerd. Het kapitalistische marktsysteem is vanuit zijn eigen aard gericht op de winst en grotendeels ongepland, waardoor geen enkele regulering in staat is om crisissen te voorkomen.

Alle fundamentele oorzaken blijven overeind. Het huidige herstel is gebaseerd op nieuwe zeepbellen en schulden. Niet alleen aandelen maar ook obligaties zijn sterk overgewaardeerd. In The Guardian stelde columnist Larry Elliot: “Diepe structurele problemen – te grote afhankelijkheid van schulden om de consumptie te ondersteunen, een verloren decennium op vlak van productiviteitsgroei, groeiende inkomensongelijkheid – zijn niet verdwenen en werden slechts wat verborgen onder een sterke cyclische groei.” (8 januari 2018)

Naast de blijvende economische zwaktes die van voor 2007 dateren en de vele potentiële bronnen van politieke instabiliteit zijn er nu ook financiële bronnen van instabiliteit. Niet in het minst zijn er de onvoorspelbare gevolgen van het intrekken van de stimulusmaatregelen. De crash van 2007 werd uitgelokt door de Amerikaanse hypotheekmarkt en sindsdien was er een algemene verschuiving van bankkredieten naar aandelen. Dit brengt enkele crisispunten met zich mee indien de rentevoeten stijgen. Er zijn alleszins nog veel slechte schulden bij de banken – zo zijn erbij de banken in de eurozone nog voor 800 miljard euro slechte leningen, waarvan een groot deel in handen van Italiaanse banken zit.

Geen enkele toekomstige economische neergang zal een exacte herhaling van de vorige zijn. Het is onmogelijk de specifieke aanleiding, de timing en de omvang te voorspellen. Maar alle feiten wijzen erop dat een crisis die even diep of dieper is dan in 2007-08 mogelijk is. Dat is een enorme aanklacht van het kapitalisme.

Stagnatie en crisis

Een even grote aanklacht van het kapitalisme is het gebrek aan vooruitzicht op een nieuwe gezonde groei. In de plaats daarvan is er enkel het perspectief van fragiele economische groei of stagnatie afgewisseld met herhaaldelijke crisissen. De kapitalistische machten hebben de middelen waarmee ze de volgende grote crisis kunnen aanpakken ondermijnd. Gezien de zwakte van de economieën is het onwaarschijnlijk dat de rentevoeten terug kunnen stijgen tot de hoge niveaus van vroeger waarna ze significant kunnen dalen als stimulusmaatregel. Er kunnen injecties van liquiditeiten zijn, maar dit maakt de schuldenberg enkel groter wat leidt tot meer onevenwichten en instabiliteit.

De samenwerking tussen de grootmachten die na 2007 massaal liquiditeiten in het financiële systeem pompten, kan een volgende keer minder evident zijn nu de verdeeldheid en spanningen toenemen. Het gebrek aan antwoorden is het resultaat van het feit dat de crisis op lange termijn voortkomt uit een systeem dat niet meer in staat is om het oorspronkelijke historische doel van de ontwikkeling van de productiekrachten te realiseren. Er is geen oplossing voor de werkloosheid, armoede, oorlog en vervuiling. De kapitalistische klassen richten zich op parasitaire wijze op korte termijn winsten in plaats van op doelstellingen op langere termijn.

Hun systeem is gebaseerd op de productie voor winst en niet voor de noden. Het botst op interne tegenstellingen die eigen zijn aan dit systeem: beperking van de koopkracht van de uitgebuite meerderheid, een algemene onderliggende tendens van een dalende winstvoet als gevolg van mechanisering en automatisering, en de tegenstrijdige druk tussen globalisering en natiestaten.

De beperkingen van de koopkracht werden duidelijk aangetoond door het Japanse voorbeeld, waar al drie decennia geprobeerd wordt om de binnenlandse vraag aan te moedigen. Premier Shinzo Abe heft de werkgevers zelfs opgeroepen om dit voorjaar een loonsverhoging van 3% toe te kennen om zo de vraag te stimuleren en deflatie te vermijden. Maar het zal wellicht moeilijk zijn om werkgevers te vinden die bereid zijn om loonsverhogingen toe te kennen omwille van de gezondheid van het kapitalisme. Loonsverhogingen zullen vastberaden vakbondsacties vereisen.

Uiteraard was het decennium sinds de crash veel meer dan enkel een economisch verhaal. In zijn commentaar over de opkomst van rechts populisme schreef Martin Wolf: “De oprukkende ongelijkheid kan de democratie uiteindelijk fataal worden.” (Financial Times, 19 december 2017). De meer algemene tendens is er één naar verwerping van besparingen en ongelijkheid. De afgelopen tien jaar was er een aanzienlijke toename van de steun voor politici die hiervoor pleiten: Bernie Sanders werd de populairste politicus in de VS, Jeremy Corbyn deed Labour vooruitgaan in de Britse verkiezingen, Syriza (voor het verraad) kreeg 36% van de Griekse stemmen, er is de opkomst van Podemos in Spanje, Jean-Luc Mélenchon haalde 7 miljoen stemmen in Frankrijk, … De Brexit-stemming en de verkiezing van Trump waren in essentie uitdrukkingen van een woede tegen de polarisatie inzake rijkdom en het falen van de linkse antibesparingskrachten om een echt alternatief te vormen.

Deze ontwikkelingen en vele anderen waren politieke gevolgen van de crash van 2007-08. Toen was er een zekere afwachtende houding onder de werkenden en de middenklasse. Er werd gehoopt dat het tij zou keren en dat de verloren levensstandaard kon herwonnen worden. Stilaan groeide het besef dat dit voor velen niet zal gebeuren en dat de nieuwe generaties het niet beter zullen hebben dan de vorige. Dit leidt tot een groeiende interesse in socialistische ideeën als enige alternatief. Jongeren in de VS zetten daarbij de toon. Een peiling in november gaf aan dat meer millennials voor socialisme zijn dan er voorstanders van kapitalisme zijn. Naarmate massale socialistische partijen worden uitgebouwd onder de arbeidersklasse en naarmate vakbonden heropgebouwd worden, zullen deze bijzonder aantrekkelijk worden als ze stoutmoedig gaan voor een programma waarmee het door en door rotte kapitalisme kan weggeveegd worden.

Print Friendly, PDF & Email