4 april 1968: de moord op Martin Luther King

Martin Luther King werd op 4 april 1968 vermoord terwijl hij stakend schoonmaakpersoneel in Memphis ondersteunde.

De officiële herdenkingen beperken zich doorgaans tot een ‘veilige’ versie van het leven en de ideeën van King alsook van de geschiedenis van de burgerrechtenbeweging. Zo hoor je nu zelfs rechtse politici die King aanhalen om hun aanvallen op de sociale zekerheid te verpakken en bedrijven zoals Apple gebruiken zijn beeld in marketingcampagnes.

Artikel geschreven in 2008

Zoals met vele andere strijders die opkwamen voor de onderdrukten, vreesde het establishment hem toen hij leefde maar volgde na zijn dood een poging om de erfenis onschadelijk te maken. Tijdens zijn leven was King een inspiratiebron voor miljoenen mensen. Dat kwam door zijn visie dat fundamentele verandering in de VS mogelijk was.

Voor de FBI van Edgar J Hoover, die hard tegen King inging en hem constant volgde, was hij de “gevaarlijkste neger van Amerika.” Het Amerikaanse establishment raakte erg bang door zijn groeiende radicalisering in de laatste jaren van zijn leven. Toen sprak King zich heel scherp uit tegen de oorlog in Vietnam en begon hij het kapitalisme in vraag te stellen. King begon zelfs te spreken over “democratisch socialisme.”

Strategie van massastrijd

De opgang van King begon met de Montgomery Bus Boycott van 1955-56. De strategie van massaal niet-gewelddadig verzet tegen de racistische wetten van Jim Crow werd voor het eerst toegepast in Montgomery. Dit stond in contrast met de traditionele strategie van de meer gematigde leiding van de National Association fort he Advancement of Coloured People (NAACP).

De NAACP legde nadruk op een juridische strategie van rechtszaken. De organisatie was bang dat massale directe actie de politieke bondgenoten bij de Democraten en de Republikeinen zou afstoten.

Met zeker vanaf 1960 een golf van zitacties tegen de segregatie in restaurants in het zuiden van de VS gingen de burgerrechtenactivisten over tot een reeks heldhaftige strijdbewegingen tegen de minderwaardige positie van zwarten en voor stemrecht.

De tactieken van de activisten werden vaak bekritiseerd door liberale leiders die ervoor pleitten om bij de regering te lobbyen om tot verandering te komen. King beantwoordde deze kritiek in zijn bekende Brief uit de gevangenis van Birmingham. Hij schreef: “We weten op basis van pijnlijke ervaringen dat vrijheid nooit zomaar gegeven wordt de onderdrukker, het moet geëist worden door de onderdrukten.”

King speelde een grote rol in het organiseren van de massastrijd in Birmingham, Alabama, in 1963. Duizenden mensen betoogden toen voor het einde van de segregatie. Ze gingen in tegen gerechtelijke beslissingen die het protest verboden. Ze gingen de confrontatie met de politie aan, wat leidde tot heel wat brutaal geweld, bomaanslagen tegen zwarten en doodsbedreigingen. Op een bepaald ogenblik zaten er 2500 mensen in de gevangenis, waaronder schoolkinderen van amper zes jaar. Maar de enorme moed van de betogers leverde hen breed gedragen sympathie op.

De vrees dat het voorbeeld van Birmingham navolging zou krijgen in andere steden en het groeiende ongeduld onder de zwarten in het noorden, maakten dat de Democratische regering van John F Kennedy ervan overtuigd raakte dat er federale wetten rond burgerrechten nodig waren.

Vandaag is er een breed verspreide mythe dat de Democratische Partij aan de basis van de burgerrechten lag. Die partij heeft onder president Kennedy de strijd verre van geleid en heeft steevast oproepen voor federale tussenkomsten om burgerrechtenactivisten te beschermen genegeerd.

King behield hoop in Kennedy en probeerde een werkrelatie met de regering aan te gaan. Maar ook hij raakte steeds meer gefrustreerd door het gebrek aan acties door de regering.

De ervaring van de burgerrechtenbeweging toont dat de sleutel tot verandering niet bij het kapitalistische politieke establishment moet gezocht worden, maar wel bij massabewegingen van onderuit.

Oorlog in Vietnam

King botste ook met het establishment over de oorlog in Vietnam. Tegen 1965 sprak hij zich scherp uit tegen de oorlog. Hij stelde vast dat de positie van zwarten niet los kon gezien worden van het buitenlandse beleid van de VS.

De Democratische partij begon de oorlog en zette deze verder onder Kennedy en Johnson. De partij zette veel druk op King om zich te beperken tot één thema en om zich niet tegen de oorlog uit te spreken. Deze druk maakte dat King lang aarzelde voor hij naar buiten trad.

De Democratische partij was (en is) een cynische partij van big business en niet in staat om ernstige maatregelen tegen racisme te nemen omdat dit zou botsen met de belangen van het VS-kapitalisme. De oorlog in Vietnam ging regelrecht in tegen de belangen van de gewone zwarte mensen. Een disproportioneel aantal zwarte jongeren werd uitgestuurd om het leven te laten in een oorlog om koloniale onderdrukking in stand te houden.

Zwarten kwamen steeds meer in opstand tegen de oorlog. De stilte van King en andere leiders van de burgerrechtenbeweging discrediteerde hen in de zwarte gemeenschap.

De oprechte betrokkenheid van King voor het lot van de arme en werkende zwarten bracht hem uiteindelijk tot een breuk met de logica van zijn vorige positie. Hij sprak zich voortaan scherp en openlijk uit tegen de oorlog. Dat gebeurde in februari 1967. Hij stelde dat de Amerikaanse regering “de grootste aanstichter van geweld in de wereld vandaag.” King werd de meest prominente Amerikaan die een terugtrekking van de troepen uit Vietnam eiste.

Zodra King zich niet meer beperkte tot “zijn thema” en verbanden begon te leggen tussen het buitenlandse beleid van het VS-imperialisme en de behandeling van zwarten in eigen land, maakte de gevestigde media zich op om hem aan te pakken.

De Washington Post waarschuwde dat hij “afbreuk deed aan zijn nut voor zijn zaak, zijn land en zijn volk.” Johnson verwees naar hem als “die verdomde neger-predikant” en hij zei aan King dat zijn verklaringen over de oorlog “hetzelfde effect op hem hadden alsof hij te horen zou krijgen dat King zijn dochter had verkracht.”

Armoede aanpakken

In zijn laatste jaren besteedde King steeds meer aandacht voor de problemen van economische onrechtvaardigheid en ongelijkheid. Hij zag dat de overwinningen die bekomen waren met de Civil Rights Act uit 1964 en de Voting Rights Act uit 1965 weinig verschil maakten wat de ongelijkheid betrof en dat de verworvenheden van de beweging “vooral beperkt waren tot de zwarte middenklasse.”

Hierbij waren zijn ervaringen in noordelijke ghettos belangrijk. Daar zag hij dat de problemen van de werkende klasse en van arme zwarten niet louter veroorzaakt werden door officiële wettelijke discriminatie. Het waren de voorwaarden van ongelijkheid die midden jaren 1960 leidden tot rellen in de grote steden en een meer militante opstelling van een deel van de zwarte gemeenschap.

In zijn zoektocht om echte gelijkheid te bekomen voor de zwarte Amerikanen begon King de conclusie te trekken dat er een ernstige strijd tegen armoede en onderdrukking nodig was. Tegen de separatistische tendens die alle blanken afschreef in, stelde King terecht dat er nood was aan een eengemaakte beweging met arme en werkende blanken.

In 1968 kwam King naar buiten met de Poor People’s Campaign – een campagne van massale burgerlijke ongehoorzaamheid met onder meer wegblokkades en zitacties voor het parlement om Washington DC plat te leggen.

King hoopte dat de staking van 1.300 schoonmakers in Memphis het startpunt kon vormen voor deze campagne. Tragisch genoeg werd hij neergeschoten voor de campagne op gang kwam.

Hoe staat het nu met de droom?

Officiële cijfers stellen vast dat 24,3% van de zwarte Amerikanen in 2006 in armoede leefde, tegenover 8,2% van de blanken.

De strijd van de burgerrechtenbeweging leidde tot belangrijke hervormingen, maar niet tot fundamentele economische verandering. De verderzetting van het kapitalisme betekent dat veel zwarten in een nachtmerrie blijven leven.

Zoals King in een toespraak een jaar voor zijn dood opmerkte: “Onze enige hoop vandaag ligt in onze capaciteit om de revolutionaire spirit vast te grijpen en vooruit te gaan in een soms vijandige wereld door onze eeuwige vijandigheid te verklaren tegen armoede, racisme en militarisme. Met dit krachtige engagement zullen we het status quo doorbreken.”

De beste manier om de erfenis van King te herdenken, is door betrokken te zijn bij de dagelijkse strijd tegen racisme, armoede, oorlog en alle vormen van onderdrukking. Zoals King tegen het einde van zijn leven begon in te zien, betekent dit ook dat gebouwd wordt aan een beweging om een einde te maken aan het kapitalisme.

King begon ook over socialisme te spreken. In een toespraak voor zijn stafmedewerkers in 1966 zei hij: “Je kan niet spreken over het oplossen van de economische problemen van de zwarten zonder te spreken over de miljarden dollars. Je kan niet spreken over het verdwijnen van de sloppenwijken zonder te zeggen dat de winsten uit de huizenmarkt weg moeten. Hiermee kom je op erg gevaarlijk terrein omdat je met bepaalde mensen te maken krijgt. Meer bepaald met de grote bedrijfsleiders. Dit betekent dat we ons in moeilijk water begeven, omdat we eigenlijk zeggen dat er iets verkeerd is met het kapitalisme. Er moet een betere verdeling van de rijkdom komen en misschien moet Amerika in de richting van democratisch socialisme gaan.”

Print Friendly, PDF & Email