“No fly zone” in Libië. Neen aan de buitenlandse interventie

Voor een onafhankelijke beweging van arbeiders, armen en jongeren om de revolutie voort te zetten!

De beslissing van de VN Veiligheidsraad om een “no fly zone” op te leggen in Libië kon op instemming rekenen op de straten van Benghazi en Tobruk. Het doel van de maatregel is echter niet om de Libische revolutie vooruit te helpen. Revolutionairen in Libië zullen misschien denken dat deze beslissing hen zal helpen, maar ze vergissen zich. Het gaat enkel om puur economische en politieke berekeningen die aan de basis liggen van de beslissing van de imperialistische machten.

De buitenlandse interventie is er niet op gericht om de revolutie te redden tegen de opmars van de troepen van Khadaffi. De belangrijkste imperialistische machten beslisten dat ze van de revolutie gebruik willen maken om Khadaffi te vervangen door een meer betrouwbaar regime. De Libische buitenlandse minister kondigde een onmiddellijke wapenstilstand aan, wat de positie van het imperialisme bemoeilijkt.

De snelle opmars van de troepen van Khadaffi naar het oosten van Libië versterkte het idee van een “no fly zone”. Er werd gesteld dat dit het tij zou kunnen keren, maar niet om de revolutie te verdedigen en uit te breiden. Jammer genoeg was de aanvankelijke uitbreiding van de revolutie in het westen, waar twee derden van de bevolking leeft, niet gebaseerd op een beweging van democratische volkscomités die een programma naar voor brachten om de gewone soldaten over te winnen. Dat gaf Khadaffi een kans om zijn troepen te hergroeperen.

De steun voor de “no fly zone” betekent dat wordt teruggekomen op het eerdere gevoel dat aanwezig was in Benghazi en dat tot uitdrukking kwam in Engelstalige posters met de slogan: “Geen buitenlandse interventie – de Libische bevolking kan het zelf wel aan.” Dat standpunt kwam er na de mooie voorbeelden van Tunesië en Egypte waar aangehouden massale acties de totalitaire regimes volledig ondermijnd hadden. Khadaffi was evenwel in staat om zijn greep op Tripoli te behouden. De relatieve stabiliteit van het regime en haar tegenoffensief leidde tot een gewijzigde houding tegenover een buitenlandse interventie. Hierdoor kon de grotendeels pro-Westerse leiding van de “Voorlopige Nationale Overgangsraad” het verzet van de jongeren tegenover een Westerse interventie opzij schuiven.

Ondanks de strijdvaardige taal van het regime van Khadaffi is het absoluut niet zeker dat de relatief beperkte krachten van het regime in staat zouden zijn om een algemene aanval op Benghazi, de tweede grootste stad van het land, in te zetten. Een massale verdediging van de stad zou een groot probleem hebben gevormd voor de relatief beperkte troepenmacht van Khadaffi. Als de wapenstilstand blijft duren, zou dit in de praktijk kunnen leiden tot een terugkeer naar de afzonderlijke entiteiten die bestonden voor de eerste creatie van Libië door Italië in 1912 en de nieuwe creatie van het land door de Britten eind jaren 1940.

Wat ook de onmiddellijke impact van de “no fly zone” zal zijn, er mag geen enkele hoop worden gevestigd in de VN of de imperialistische machten. Dat zal de oprechte doelstellingen en hoop van de revolutie die vorige maand begon enkel maar ondermijnen. De machten die tot een interventie hebben besloten, zijn geen vrienden van de Libische massa’s. Tot voor kort hadden ze er geen enkel probleem mee om zaken te doen met de moorddadige kliek rond Khadaffi om toegang te krijgen tot de olie en het gas. De dag nadat de VN haar beslissing nam, klaagde de Wall Street Journal dat “de nauwe banden tussen de veiligheidsdiensten van de Libische leider kolonel Muammar Khadaffi en de CIA werden verbroken.” Volgens de krant verklaarde een “hooggeplaatste Amerikaanse vertegenwoordiger” dat deze banden voorheen “erg productief” waren.

Nu het imperialisme haar bondgenoten Moebarak en Ben Ali is verloren, wordt geprobeerd om van de volksopstand in Libië gebruik te maken om zowel het “democratische” imago te herstellen als om een “betrouwbaar” regime te vestigen in Libië of toch minstens in een deel van Libië. Net zoals voorheen is het Midden-Oosten en Noord-Afrika met haar olie en strategische locatie van enorm belang voor de imperialistische machten.

Dit toont meteen de enorme hypocrisie van de belangrijkste imperialistische machten die voorheen zonder problemen steun gaven aan repressieve dictatoriale regimes in de regio. Terwijl er tot een “no fly zone” werd beslist voor Libië, werd niets ondernomen tegen de inval vanuit Saoedi-Arabië en andere Golfstaten in Bahrein om daar de brutale onderdrukking van de beweging van de meerderheid van de bevolking mee te ondersteunen. Binnen de 12 uur na de beslissing van de VN schoot de Jemenitische bondgenoot van de belangrijkste imperialistische machten minstens 39 activisten dood in de hoofdstad Sanaa. De VN nam de beslissing over Libië omdat de Arabisch Liga steun gaf aan het idee van een “no fly zone”. Diezelfde Arabische Liga zegt uiteraard niets over de repressie van de eigen bondgenoten in Bahrein, Jemen en andere Arabische landen.

De “bezorgdheid” van Cameron en Sarkozy omtrent Libië is minstens ten dele gemotiveerd door een dalende populariteit in eigen land en de hoop dat een buitenlands succes de eigen positie zal versterken. Cameron hoopt wellicht op een zelfde toename in populariteit als deze die Thatcher genoot na haar overwinning in de Falklands oorlog van 1983. Thatcher behaalde toen een snelle militaire overwinning. De “no fly zone” die vandaag wordt opgelegd, zal niet hetzelfde militaire effect hebben. Sarkozy had na het fiasco van zijn politiek ten aanzien van Tunesië, een fiasco dat tot het ontslag van de minister van buitenlandse zaken leidde, nood aan een “succes” om zijn positie in de peilingen te verbeteren met het oog op de presidentsverkiezingen van volgend jaar.

De imperialistische machten zochten de afgelopen jaren toenadering tot Khadaffi, maar bij bleef een onbetrouwbare bondgenoot. Doorheen zijn 42 jaar aan de macht heeft Khadaffi steeds grote bochten genomen, regelmatig gebeurde dat op gewelddadige wijze. In 1971 steunde hij de Soedanese dictator Nimeiry bij het neerslaan van een linkse staatsgreep als reactie op een eerdere repressieve aanpak van de linkerzijde (waarbij de communistische partij van Soedan, een partij met een miljoen leden, werd verboden). Zes jaar later verkondigde Khadaffi voorstander te zijn van een “volksrevolutie” en werd de officiële naam van het land veranderd van Libische Arabische Republiek tot “Grote Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah”. De naamsverandering en de vorming van zogenaamde “revolutionaire comités” waren geen uitdrukking van een ontwikkeling in de richting van socialisme. De arbeiders en jongeren in Libië hadden niets te zeggen over hun land. Khadaffi bleef aan de macht en benadrukte dit door zijn kinderen een steeds prominentere rol te laten spelen.

Sinds 1969 was er op basis van de enorme olie-inkomsten en de kleine bevolking een sterke verbetering van de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking, in het bijzonder op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg. Dat verklaart minstens gedeeltelijk waarom Khadaffi nog een zekere steun geniet onder de bevolking. Er is een groeiende oppositie tegen de heersende kliek, vooral onder de jonge en geschoolde bevolking, maar er is ook een vrees voor het regime dat na Khadaffi zal komen en een afkeer tegenover een regime dat volledig afhankelijk is van het buitenland. Het feit dat de revolutionairen vaak gebruik maakten van de oude vlag van de monarchie, zorgde voor een breuk met diegenen die niet naar het verleden willen terugkeren. Het versterkte de positie van Khadaffi. Bovendien versterkte dit de tegenstellingen tussen het westen en het oosten van Libië, de vroegere koning kwam uit het oosten en had geen historische banden met de regio rond Tripoli.

Deze factoren zijn geen volledige verklaring van de minstens tijdelijke stabilisering van het regime van Khadaffi. Er was een volksopstand in het oosten van het land, maar Khadaffi kon zijn positie in het westen grotendeels behouden en daar woont twee derden van de bevolking. Er waren wel grote acties in Tripoli en opstanden in Misrata, Zuwarah en enkele andere gebieden, maar niet op een zelfde niveau als in het oosten van het land.

Rol van de arbeidersklasse

In tegenstelling tot Egypte en Tunesië heeft de Libische arbeidersklasse nog geen onafhankelijke rol gespeeld in de revolutie. Veel arbeiders in Libië zijn migranten en hebben het land de afgelopen weken verlaten.

De afwezigheid van en nationale organisatie, zoals de Tunesische vakbondsfederatie UGTT (ondanks de steun van de leiding van deze vakbond aan het regime van Ben Ali), maakt het ook moeilijker. Het enorme revolutionaire enthousiasme van de bevolking kreeg nog geen georganiseerde uitdrukking. De grotendeels zelf aangestelde “Nationale Raad” die naar voor kwam in Benghazi omvat een combinatie van elementen van het oude regime en meer pro-imperialistische krachten. Zo is de buitenlandse woordvoerder van de Raad Mahmoud Jibril, het voormalige hoofd van de Nationale Raad voor Economische Ontwikkeling van Khadaffi. In november 2009 omschreef de Amerikaanse ambassadeur hem als een “ernstige gesprekspartner” die “open staat voor het Amerikaanse standpunt”.

Het is gemakkelijk voor Khadaffi om deze mensen af te doen als figuren die de levensstandaard willen ondermijnen en de belangen van buitenlandse machten dienen. Maar deze propaganda zal natuurlijk slechts een tijdelijk en beperkt effect hebben naarmate de levensstandaard van de bevolking er sowieso op achteruit gaat. Na het einde van de olieboom in de jaren 1980 en het begin van de privatiseringen in 2003 is de werkloosheid opgelopen tot 10% en is de levensstandaard aan het dalen.

Khadaffi gebruikt de dreiging van een imperialistische interventie om het land op te delen en dat kan een zekere steun vinden. Het is echter niet duidelijk hoe lang Khadaffi kan stand houden. Naast een anti-imperialistische retoriek moest Khadaffi ook een aantal toegevingen doen om zijn positie veilig te stellen. Ieder gezin kreeg een som geld ter waarde van 450 dollar. Een aantal arbeiders in de publieke sector kregen een loonsverhoging van 150%. De belastingen op voedsel zijn afgeschaft. Deze maatregelen volstonden niet als antwoord op de roep naar vrijheid en de groeiende frustraties onder de jonge bevolking van het land (met een gemiddelde leeftijd van 24 jaar) tegenover de corruptie en de ijzeren greep van het regime.

Internationaal hebben tientallen miljoenen mensen de revoluties in Noord-Afrika en het Midden-Oosten gevolgd en vonden ze er inspiratie voor hun eigen strijd. Dit heeft al geleid tot protestacties tegen de gevolgen van de kapitalistische crisis in andere landen. Sommigen zullen wellicht op deze basis steun geven aan het idee van een “no fly zone”, maar socialisten waarschuwen dat deze maatregel in eerste instantie de belangen van de imperialistische machten zal dienen. Dat is meteen ook de reden waarom niets wordt ondernomen tegen het repressieve optreden in de Golfstaten.

Wat kunnen we dan wel doen om de Libische revolutie te steunen? Eerst en vooral moeten de vakbonden internationaal overgaan tot een blokkade van de export van Libische olie en gas. Ten tweede moeten de arbeiders uit de banksector alle financiële middelen van het regime van Khadaffi bevriezen.

De “no fly zone” zal niet automatisch leiden tot het omverwerpen van Khadaffi, net zoals Saddam Hoessein destijds kan hij een tijdlang stand houden in het deel van het land dat onder zijn controle staat. De ervaringen van Egypte en Tunesië leren ons dat de beweging van de arbeiders en jongeren cruciaal is in het omverwerpen van dictators.

Een revolutionair programma

Het lot van de revolutie zal in Libië zelf worden beslecht. Voor een overwinning is er nood aan een programma dat boven regionale en stammenverdeeldheid staat en dat de massa’s verenigt in de strijd tegen de kliek rond Khadaffi en in de strijd voor een betere toekomst.

Er is nood aan een revolutionair programma dat de massa’s verbeteringen aanbiedt in de vorm van echte democratische rechten, een einde aan corruptie en privileges, het beschermen en verder ontwikkelen van de sociale vooruitgang sinds de ontdekking van de olie in het land, verzet tegen iedere vorm van herkolonisatie en voor een democratisch gecontroleerde economie in publiek bezit om een economische planning op te maken waarbij de rijkdommen van het land worden aangewend in het belang van de meerderheid van de bevolking.

Het opzetten van een onafhankelijke beweging van arbeiders, armen en jongeren om een dergelijke revolutionaire omvorming van het land door te voeren, is de enige manier waarop de imperialistische plannen kunnen worden doorkruist en tegelijk een einde kan worden gemaakt aan de dictatuur om het leven van de bevolking echt te veranderen.

 

Artikel door Robert Bechert

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie