Braziliaanse verkiezingen. De illusies in Lula en de uitdagingen voor links

De kandidaat van de PT (Arbeiderspartij), Dilma Rousseff, haalde in de eerste ronde van de Braziliaanse presidentsverkiezingen een uitstekende score. Ze behaalde geen absolute meerderheid waardoor een tweede ronde nodig is tegenover de voormalige gouverneur van Sao Paulo, José Serra van de PSDB (Braziliaanse Sociaal-Democratische Partij). Opvallend was de grote steun voor de Groene kandidate Marina Silva die de derde hoogste score haalde met 19%.

Deze verkiezingen kwamen er na een periode van economische stabiliteit en de hoop dat de groei zich zal verder zetten. Dit jaar zal het bbp in het land met meer dan 7% toenemen. Dat gaat gepaard met een toename van de particuliere uitgaven wat ervoor zorgt dat er een illusie heerst dat het leven van miljoenen Brazilianen er op vooruit zal gaan. De internationale economische crisis en de tegenstellingen vormden nog geen element van discussie.

De drie belangrijkste kandidaten – Dilma, Marina en Serra – waren het over alle essentiële discussies eens, in het bijzonder over de economische situatie en het neoliberale beleid dat Lula had geërfd van zijn voorganger Cardoso en dat hij had verder gezet. Gezien de economische achtergrond was de “continuïteit” de grote overwinnaar van de verkiezingen. Lula speelde daar zelf een grote rol in waarbij hij en zijn kandidate een enorme steun kregen. Anderzijds is er wel een ontwikkeling waarbij de PT steeds minder betrokken is bij arbeidersstrijd.

Het parlementaire blok in de Kamer dat Lula en Dilma steunt, is van 380 uitgegroeid tot 402 verkozenen. In de Senaat haalden de aanhangers van Lula een meerderheid, ze gingen van 39 naar 59 zetels. Dilma was voor de verkiezingen amper bekend, ook niet in de PT. Ze was een technocraat die pas in de omgeving van Lula opdook in 2002. Toch haalde ze 47% of 47 miljoen stemmen. Dat is vooral het resultaat van de steun voor Lula. Nog voor de campagne begon, was er een peiling waaruit bleek dat 40% van de kiezers zou stemmen voor gelijk welke kandidaat die door Lula werd gesteund.

Omdat Dilma geen 50% haalde, komt er een tweede rond tegen de kandidaat van de PSDB die 33% haalde. Dat was een tegenvaller voor het Lula-kamp. Ook opvallend was het aantal blanco en ongeldige stemmen (stemmen is verplicht in Brazilië). Het percentage hiervan liep op tot 27,72% van de stemgerechtigden. De afkeer tegenover de traditionele politici bleek ook uit het opvallende resultaat voor TV-komiek Tiririca. Die haalde het grootste aantal stemmen van alle kandidaten bij de parlementsverkiezingen: 1,35 miljoen. Zijn slogan was “Erger kan het niet worden” en in zijn televisieprogramma stelde hij: “Wat doet een parlementair? Ik zou het niet weten. Maar stem op mij en ik zal het je uitleggen.” Tiririca kwam op voor een partij uit de alliantie rond Lula en door zijn hoge score en het electorale stelsel in het land raakten drie andere parlementsleden van de pro-Lula alliantie verkozen (waaronder een van de PT, een van de PCdoB en een van de PRB).

De rol van Marina Silva en de Groenen

Marina Silva haalde 19% van de stemmen. Silva was voorheen lid van de PT en minister van milieu. Ze haalde heel wat stemmen nadat de rechterarm van Dilma, Erenice Guerra, van corruptie werd beschuldigd. Guerra moest ontslag nemen omdat hij ervoor had gezorgd dat overheidscontracten aan zijn zonen werden toegekend. Silva kon ook profiteren van een rechtse campagne tegen Dilma vanwege de conservatieve religieuze rechterzijde (zoals Evangelische kerken maar ook de katholieke kerk). Die stelden Dilma voor als een voorstander van abortus, wat door Dilma werd ontkend. De rechterzijde wilde Serra promoten, maar ook Silva kon ervan profiteren. Zij is immers een Evangelist en verdedigt conservatieve opvattingen over abortus en creationisme.

Silva had geen duidelijke politieke positie bij de aanvang van haar campagne. Ze gaf kritiek op de regering en diens voorganger Cardoso. Bij het begin van de campagne was er druk vanwege de linkerzijde, meer bepaald de kandidaat van de PSOL, waardoor Silva zich scherper moest profileren. Dankzij een offensieve campagne haalde ze steun onder kiezers die de twee traditionele kandidaten verwerpen waardoor ze in de peilingen naar 8% tot 10% kon gaan. Hierna ging dit percentage verder omhoog met een conservatief profiel.

Marina Silva en de Groene Partij (PV) hebben weinig ideologische basis of programma en geen echt functionerende partij. De PV is vooral een instrument om carrière te maken, de partij zit lokaal bijvoorbeeld in een coalitieregering met de rechterzijde in Sao Paulo. Silva kwam samen op met een grote patroon als kandidaat vice-president.

Conservatieve religieuze campagne

De campagne van de conservatieve religieuzen heeft een invloed. Dilma heeft het in de campagne voor de tweede ronde steeds meer over de thema’s die religieus-rechts aanbrengt. Ze begint haar toespraken op televisie met een dankwoord aan god, heeft het over de verdediging van de “Braziliaanse familie” en het “respecteren van het leven”, een eufemisme voor tegenstand tegen abortus. Illegale abortussen vormen een belangrijk probleem in het land. Ze zijn goed voor 25% van de overlijdens tijdens zwangerschap. Abortus is illegaal maar 20% van de vrouwen onder de 40 jaar heeft al een abortus ondergaan. De twee traditionele kandidaten benaderen dit evenwel niet als ene gezondheidsprobleem of vanuit het standpunt van vrouwenrechten.

De positie van Plinio Sampaio, de kandidaat van de linkse PSOL, was totaal anders. Plinio heeft altijd sterke banden gehad met de katholieke linkerzijde, een sociale beweging die een rol speelde in de ontwikkeling van de PT en de vakbondsfederatie CUT. Plionio had het over abortus als onderdeel van een discussie over seksuele opvoeding, preventie van ongewenste zwangerschappen en de verbetering van de openbare gezondheidszorg.

Vooruitgang?

De grote steun voor Lula komt er door de schijnbaar gunstige economische situatie. Er is een beperkte inflatie en een economische groei. Met de huidige vooruitzichten kan Brazilië volgens de Wereldbank de vijfde wereldeconomie worden tegen 2014. Bovendien zijn er olie- en gasreserves gevonden. De illusies worden verder aangewakkerd met de komst van de Wereldbeker Voetbal in 2014 en de Olympische Spelen van 2016. Dit versterkt een “patriottische sfeer” en dat komt de regering goed uit.

Tegelijk leeft een groot deel van de bevolking in armoede, 35% lijdt regelmatig of vaak honger. Er zijn nog elementen die aan slavernij doen denken. Meer dan 50% van de zwarten leeft in armoede (tegenover 25% van de blanken). Onder Lula is het aantal extreme armen afgenomen van 15% naar 10%. Nadat onder Cardoso de helft van de bevolking onder de armoedegrens leefde, is dit onder Lula teruggevallen tot een derde. Een kleine toplaag is erg rijk: 5.000 families bezitten samen een rijkdom die overeenstemt met 40% van het bbp, de 1% rijksten hebben evenveel rijkdom als de armste 50%.

Onder Lula is de binnenlandse vraag gestegen omdat het minimumloon is gestegen, de werkloosheid afname en de prijzen van een aantal producten lager waren door belastingsverlagingen en aanmoedigingen voor krediet. Dat ging gepaard met sociale programma’s om consumptie in de armste wijken aan te moedigen. Dit alles werd gefinancierd door de toevloed van kapitaal (vooral uit China) dat werd aangetrokken door de hoge intrestvoeten en het vertrouwen van de financiële markten in Lula.

Deze achtergrond verklaart de steun voor Lula, velen vinden dat geen enkele andere regering ooit zoveel heeft gedaan voor de armen. Dat wordt versterkt door de arme afkomst van Lula en zijn reputatie als vakbondsmilitant. Nochtans is de PT van Lula steeds meer een pro-kapitalistische partij geworden en wordt een neoliberaal beleid gevoerd met onder meer een hervorming van de pensioenen. Bovendien is er steeds meer sprake van corruptie.

Op dit ogenblik loopt Brazilië achter op de wereldwijde trend van crisis. Door de overheidstussenkomsten is de crisis hier wat tegengehouden. Ook de verkiezingen speelden daar een rol in, die werden aangegrepen om een aanval op de publieke uitgaven nog wat uit te stellen. Het idee was om eerst de verkiezingen te winnen en dan pas aan een besparingsbeleid te beginnen.

De economische basis van Brazilië is onzeker en afhankelijk van de belangrijke economische wereldmachten. Het economische model wordt gedomineerd door het financiekapitaal en de export van grondstoffen. Een nieuwe recessie op wereldvlak zal ook gevolgen hebben in Brazilië. Er is ook een gevaar van een groeiende desindustrialisering omwille van de sterke positie van de munt.

De P-SOL en de linkerzijde

De radicale linkerzijde werd aangevoerd door Plinio de Arruda Sampaio van de P-Sol (Partij voor socialisme en vrijheid). Plinio haalde 887.000 stemmen (0,87%). Dat is natuurlijk een pak minder dan de 6,5 miljoen stemmen van Heloisa Helena van de P-Sol in 2006, maar de campagne van Plinio was politiek wel belangrijk.

Doorheen de campagne was Plinio vaak de enige afwijkende stem in het debat. Hij had het over de eisen van de arbeiders, landhervormingen, de nood aan degelijke huisvesting, openbare gezondheidszorg en onderwijs, de beperking van de arbeidsduur en een minimumloon. Hij had het over de hernationalisatie van geprivatiseerde bedrijven en verdedigde sociale bewegingen. Plinio haalde uit naar de maatregelen die de banken en de speculanten ten goede kwamen, 36% van de begroting gaat naar de afbetaling van de schulden terwijl gezondheidszorg en onderwijs samen slechts goed zijn voor 7%. Er werd 380 miljard Real overgedragen aan de zowat 20.000 speculanten die 80% van de overheidsobligaties in handen hebben.

De campagne van Plinio was radicaler dan die van Helena in 2006, maar feit blijft dat er de afgelopen heel wat kansen zijn gemist waardoor het resultaat van 2006 niet werd geëvenaard. Na haar congres in 2009 kende de partij een diepe interne crisis. Heloisa Helena wilde niet langer opkomen in de presidentsverkiezingen en besloot om enkel voor de Senaat op te komen. Ze pleitte ervoor om een alliantie te vormen met Marina Silva en de Groenen. Een meerderheid van de nationale leiding was daartoe bereid, maar dit leidde tot een revolte van de basis. De groenen maakten overigens duidelijk waarvoor zij staan: in Rio De Janeiro vormden ze een alliantie met de rechterzijde.

Een deel van de basis van de PSOL wou Plinio naar voor schuiven als kandidaat omwille van zijn reputatie en zijn linkse opstelling. Een deel van de partijleiding, waaronder Heloisa Helena, probeerde Cavalcante als kandidaat naar voor te schuiven. Het interne debat was gepolariseerd en hard. De aanhangers van Cavalcante dreigden ermee om de partij te splitsen en namen niet deel aan de conferentie waar de kandidatuur van Plinio werd goedgekeurd. Uiteindelijk sloten de meeste aanhangers van Cavalcante zich terug bij de campagne voor Plinio aan, maar Heloisa Helena deed dit niet. Ze bleef Marina Silva aanprijzen. Helena werd zelf niet verkozen voor de Senaat, wat een verrassing was. Er was een vuile campagne tegen haar die onder meer werd gesteund door Lula. De nederlaag voor Helena is een groot verlies voor de PSOL, maar ook een uitdrukking van politieke fouten. Ze blijft gemeenteraadslid in Maceió, maar haar politieke toekomst is onzeker.

De PSOL haalde uiteindelijk drie Kamerleden: Chico Alencar (Rio de Janeiro) en Ivan Valente werden herverkozen met dubbel zoveel stemmen als in 2006 (240.000 voor Chico en 189.000 voor Ivan). Bovendien is er een nieuw parlementslid in Rio, Jean Willys, die werd verkozen op basis van het uitstekende resultaat van Chico. Het uittredende parlementslid Luciana Genro uit Rio Grande do Sul haalde een uitstekend resultaat (130.000 stemmen) maar werd niet herverkozen. De lokale leiding van de PSOL maakte daar een grote fout door tijdens de campagne een kandidatuur voor de Senaat in te trekken om de PT-kandidaat Paulo Paim te steunen.

Er werden ook twee nieuwe senatoren van de PSOL verkozen: Marinor in Pará die kon profiteren van het feit dat de twee burgerlijke kandidaturen werden afgewezen omdat ze gerechtelijke veroordelingen hebben opgelopen. En in Amapá werd Randolfe Rodrigues verkozen nadat een van de favorieten in de gevangenis belandde wegens corruptie. De toekomst van Randolfe in de PSOL is evenwel onzeker, de lokale PSOL leiding en Randolfe dringen aan op een alliantie met een rechtse populistische kracht.

De komende periode zal er heel wat intern debat zijn in de PSOL. De stap naar links zal daarbij onder vuur komen te liggen. Liberade, Socialismo e Revolução (LSR, de Braziliaanse afdeling van het CWI) probeert de radicale linkerzijde binnen de PSOL te versterken. We werken daartoe met anderen samen in het Blok van Socialistisch Verzet (BRS). Bij deze verkiezingen had LSR vier kandidaten in de staat Sao Paulo (een voor de Kamer en drie voor het regionale parlement). We haalden daarmee 3.064 stemmen. In Rio de Janeiro steunden we de campagne van Freixo die werd herverkozen in het regionale parlement en speelden we een belangrijke rol in de campagne van Paulo Eduardo Gomes van de groep “Socialistisch Antwoord” dat deel uitmaakt van het BRS. In Rio Grande do Norte waren we actief in de campagne van Sônia Godeiro voor het regionale parlement. Sônia is een vakbondsmilitant die lid is van een groep die deel uitmaakt van BRS. Ze haalde 3.036 stemmen.

In 2006 was er een links front van PSOL, PSTU (Verenigde Socialistische Arbeiderspartij) en PCB (Communistische Partij). Nu was dit niet het geval, zowel de PSTU als de PCB stelden zich sectair op en hadden eigen kandidaten. De PSTU haalde 84.000 stemmen (0,08%) en de PCB 39.100 (0,04%).

Tweede rond: voor een blanco stem

De socialistische linkerzijde moet zich nu voorbereiden op de strijd die onvermijdelijk zal volgen als het besparingsbeleid wordt ingezet. De verdeeldheid tijdens de verkiezingscampagne en in de vakbeweging is een stap achteruit, we moeten daar antwoorden op bieden.

De afgelopen periode werd gekenmerkt door een zekere economische groei die een aantal arbeiders aanzette tot strijd voor hogere lonen. Daarbij werden een aantal belangrijke overwinningen geboekt en kwamen ook de zware bataljons (de auto-industrie, oliesector,…) in actie. Het potentieel van strijd blijft bestaan en leden van LSR proberen dit zoveel mogelijk te versterken. Zo spelen we een leidinggevende rol in de studentenstrijd aan de universiteit van Baixada Santista. Zelfs tegen de achtergrond van illusies in de regering blijft de potentiële kracht van de arbeidersklasse intact. De ervaringen met de komende regering zullen het politieke bewustzijn aanscherpen, deze regering zal immers tot aanvallen overgaan.

Om de strijd tegen de volgende regering voor te bereiden, mogen we geen enkele illusie in de twee kandidaten in de tweede ronde versterken. Het idee om voor Dilma te stemmen en zo een terugkeer van de PSDB tegen te houden, zal voor velen aantrekkelijk zijn. De socialistische linkerzijde en de PSOL moeten echter uitleggen dat rechts ook aanwezig is in de kandidatuur van Dilma en deel zal uitmaken van haar volgende regering. Daarom roepen we op tot een blanco stem in de tweede ronde als voorbereiding op de strijd die er aankomt.

De eenheid van arbeiders in strijd, de heropbouw van een verenigde vakbeweging en de opbouw van een links front waarin de PSOL een belangrijke rol speelt op basis van een socialistisch programma, dat zijn de centrale uitdagingen voor de linkerzijde in Brazilië.

 

Artikel door André Ferrari

Print Friendly, PDF & Email