Recensie. “Rooddruk voor een nieuw socialisme”, door Erik De Bruyn

Het boek van de nieuwe SP.a mediafiguur Erik De Bruyn kondigt zich ambitieus aan. “Rooddruk voor een nieuw socialisme”, zo leest de cover, “legt uit wat een socialistische partij zou moeten zijn.” Het boekt leest vlot, springt van het ene thema op het andere en is regelmatig scherp in het populariseren van de kritieken op het neoliberalisme en bij uitbreiding het kapitalisme.

Maar wellicht zullen veel lezers, naarmate het einde van het boek nadert, toch wat op hun honger blijven zitten. Wat heeft De Bruyn aan te bieden aan diegenen die het systeem in vraag stellen? Hoe kunnen we dat alternatief op het kapitalisme, het socialisme, bereiken? Hoe kunnen we opnieuw een echte socialistische partij bekomen? Op deze vragen komt er geen duidelijk antwoord. De verwachtingen die de titel oproept, worden jammer genoeg niet ingelost. We maken doorheen de anekdotische verhalen, uit het leven van De Bruyn gegrepen, kennis met De Bruyn zijn leefwereld, zijn interesses, zijn vakgebied, zijn belevenissen in de SP.a. We horen echter bitter weinig over de strategie die De Bruyn wil hanteren om van de SP.a terug een strijdbare socialistische partij te maken.

Erik De Bruyn is één van de laatste marxisten die hoop blijft koesteren dat een instroom van strijdbare socialisten in de SP.a de partij kan doen veranderen van koers en bij uitbreiding van karakter. Dat de SP.a de laatste 25 jaar is leeggelopen kan ook De Bruyn niet ontkennen. Ondanks zijn succes bij de voorzittersverkiezingen van eind 2007 heeft SP.a Rood weinigen kunnen overtuigen om hun strijd binnen de SP.a te vervoegen. Integendeel. In de epiloog van het boek bekent hij dat de leegloop van socialisten werd verdergezet na de toetreding van Anciaux en de daaraan gekoppelde naamsverandering: “Ik moest op dozijnen SP.a leden inpraten om ervoor te zorgen dat ze niet meteen hun partijkaart naar de ‘Grasmarkt’ terugstuurden.”

SP.a Rood haar poging om de SP.a te verlinksen zal volgens ons geen enkel resultaat hebben op de politieke koers van de partij die tussen 1988 en 2007 onafgebroken heeft deelgenomen aan het neoliberale beleid. In het beste geval zal SP.a Rood wat media-aandacht krijgen en een gelegenheid bieden aan de partijleiding om een links schaamlapje boven te halen wanneer het deze nodig heeft. SP.a Rood zou veel efficiënter kunnen zijn indien het zou proberen buiten de SP.a de tienduizenden bijeen te brengen die de jongste jaren de SP.a verlieten. “Ik ben optimistisch omdat ik aanvoel dat Vlaanderen het vacuüm ter linkerzijde niet zo lang meer zal verdragen. Of het de SP.a zal zijn die het vacuüm zal opvullen is niet meer zeker.” Wat volgens De Bruyn niet meer zeker is, is voor de meeste strijdsyndicalisten, activisten en jongeren duidelijk uitgesloten. Hoe meer tijd we verspillen aan niet-realiseerbare doelstellingen, hoe steviger het linkse vacuüm dat reeds langere tijd aanwezig is door rechtse, rechts-populistische en neofascistische krachten zal worden ingepalmd.

Een reeks arbeiders en jongeren kijken naar SP.a Rood als een potentiële kracht die tot een nieuwe partij zou kunnen leiden. Na het lezen van het boek zal men moeten concluderen dat daar niet al te veel hoop in kan gesteld worden. “Toch blijf ik zeer gehecht aan die socialistische partij die er op de keeper beschouwd geen meer is maar waar ik dit jaar dertig jaar lid van zal zijn. (…) Ik heb de partijbasis recht in de ogen gekeken tijdens de strijd om het voorzitterschap, en ik zag oprechtheid en strijdlust.”

De oprechtheid en strijdlust waarvan sprake lijkt ons sterk overdreven. De stemmen van SP.a basis voor De Bruyn bij de voorzittersverkiezingen waren in eerste instantie een vingerwijzing naar de partijleiding. Uittredend voorzitter Vande Lanotte dacht na de zware verkiezingsnederlaag zijn opvolgster te kunnen aanduiden. Zo werd Caroline Gennez via de media als nieuwe voorzitter aangekondigd aan de partijbasis. Blijkbaar had die basis de verkiezingsnederlaag niet echt goed verteerd, 300 onder hen mochten een andere job gaan zoeken, als gevolg van de daling van de partij-financiering door de slechte uitslag. De arrogante houding van Vande Lanotte en de rest van de partijleiding creëerde een context waarbij de basis hen eens wou laten voelen dat ze nog bestonden. Erik De Bruyn als enige tegenkandidaat werd op die manier het middel van een deel van het gefrustreerde partij-apparaat om de partijleiding de middelvinger te tonen. Weinigen achtten in eerste instantie De Bruyn in staat om voldoende steun te kunnen verwerven voor zijn kandidatuur. De stemming in de afdeling Antwerpen creëerde echter het keerpunt. Daar greep een deel van de oude partijleiding de kans om niet enkel de nationale partijleiding, maar ook de lokale keizer Patrick Janssen een pak voor de broek te geven. De oud-burgemeesters Bob Cools en Leona Detiège en familie, die niet direct van radicaal linkse sympathieën kunnen worden verdacht, stemden voor De Bruyn. Zo haalde hij 106 van de 179 stemmen op die vergadering. Een samenloop van omstandigheden heeft de belangen van Cools, Detiège en co even laten samenlopen met deze van SP.a Rood, maar niet op een principieel politieke basis.

Dat De Bruyn nog vaker rekent op toevallige momenten blijkt uit zijn referentie naar de “arbeiderskandidaten” op de SP.a lijsten in 2007. Het manoeuvre van Johan Vande Lanotte om bij de vorige verkiezingen arbeiders op de SP.a lijsten te krijgen noemt De Bruyn een moment waar de agenda’s van de linkerzijde in de partij en die van de top samenlopen. Hij voegt er eerlijk aan toe dat deze strategie enkel werd toegepast op het moment dat de BV’s als Goede Liekens niet hadden toegehapt op de voorstellen van Vande Lanotte. Daar waar de arbeiders destijds, via hun gewicht aan de partijbasis, de rechtse koers van de partij in de regering wat konden temperen, lijkt het nu net andersom: de SP.a misbruikt de vakbondsvertegenwoordiger in het partijbureau om het regeringsbeleid aan de basis te verkopen.

Twee personen kunnen zich op een gegeven moment op eenzelfde plaats bevinden, zonder dat ze van dezelfde plaats vertrokken, dezelfde weg afleggen of hetzelfde einddoel hebben. Het is absoluut verkeerd om conclusies te koppelen aan feit dat twee mensen zich op eenzelfde plaats bevinden. Hun doelstelling, de reden van hun aanwezigheid op die plaats, wandelrichting, einddoel, … kunnen enorm van elkaar verschillen.

Voor een nieuwe arbeiderspartij: best geen hoop stellen in SP.a Rood?

Eerder in het boek op pagina 54 somt De Bruyn de redenen op waarom volgens hem een nieuwe arbeiderspartij opbouwen geen optie is. “Bovendien is het vanaf de grond opbouwen van een nieuwe partij geen vanzelfsprekende zaak. En het zou de linkerzijde in Vlaanderen verdelen. Hoe dan ook is er een socialistische partij nodig en het is de partijleiding die in de bevoorrechte positie is om te beslissen of deze rol nog verder zal worden vervuld door de SP.a. Ik hoop dat ik als socialist nooit gedwongen zal worden in ballingschap te gaan buiten mijn eigen partij, maar in deze onzekere tijden is alles mogelijk.” Hier stelt De Bruyn wel veel vertrouwen in die SP.a leiding, alsof die met voldoende druk van de basis terug naar links zou opschuiven. Als er al een verandering van politiek zou mogelijk zijn, dan zou deze gepaard moeten gaan met de opbouw van een nieuwe, alternatieve leiding. Maar er zijn weinig tekenen dat die zich aan het vormen is binnen de partij. Zelfs in De Morgen (27/02/2009) vraag Walter Pauli zich af wat “die twee strekkingen (SP.a en SP.a Rood, bvds) nog in dezelfde partij doen.”

Walter Pauli heeft de aard van het Kiwi beestje van de PVDA goed begrepen en vraagt zich af: “waarom geen Kiwi-aanpak voor de linkerzijde: laat de vrije concurrentie spelen om er uiteindelijk allen beter bij te varen?” Hij vergelijkt er de situatie in Vlaanderen met deze in Duitsland waar “links” – SPD, Die Linke, Die Grünen – meer dan 50% halen, in Nederland 48%. Hij wijst heel correct op het feit dat het bestaan van de SP in Nederland en Die Linke in Duitsland er voor zorgt dat een electorale afstraffing van de sociaal-democratie, vanwege haar verantwoordelijkheid voor een neoliberaal beleid, niet automatisch de rechterzijde ten goede komt.

Geen enkele individuele groep PVDA, SP.a Rood of LSP is op haar eentje in staat om een nieuwe partij boven de doopvont te houden. Maar een initiatief van de drie samen zou een enorm enthousiasme genereren. Helaas zijn noch SP.a Rood, noch PVDA hiertoe bereid.

Vrije markt versus geplande economie.

In het dubbelinterview met Peter Mertens (PVDA) in De Standaard (28 februari) liet De Bruyn noteren dat wat hem betreft de markt niet helemaal aan banden moet. “Natuurlijk niet. Het zou waanzin zijn de markt uit te schakelen. Waarom zou de overheid zich bezighouden met de productie van pakweg schoenen, kleren of brood?” En misschien zegt het stilzwijgen van Peter Mertens op deze stelling evenveel als de woorden van De Bruyn zelf. Deze stelling blijkt geen ‘slip of the tongue’ te zijn van een jong publiek figuur of een verkeerde voorstelling van standpunten door de journalist. In het boek bevestigt De Bruyn verschillende malen dat wat hem betreft de vrije markt zijn rol zeker en vast te spelen heeft in de toekomstige socialistische samenleving. “Maar de markt zal niet meer de allesoverheersende plaats hebben van vandaag.” Op een andere plaats heeft hij het over “de productie van consumptiegoederen die mits stevige sociale en ecologische regels aan de markt kunnen worden overgelaten.”

Dat De Bruyn in deze tijden, waar we 25 jaar neoliberale propaganda achter de rug hebben, voorzichtig is om niet als stalinistische bruut te worden geklasseerd, is terecht. Linkse socialisten hebben niet de bakkerij of de groentenwinkel op de hoek in het oog wanneer ze spreken over de nationalisering van de sleutelsectoren en de planning van de economie. Als De Bruyn duidelijk wil maken dat we ook onder het socialisme fruit, vis, kousen en handtassen op de “markt” zullen kunnen kopen, dan ook heeft hij gelijk. Maar er is een verschil tussen het op een gevoelige manier verwoorden van de centrale socialistische eisen en het overlaten van de voedselproductie, en consumptiegoederen in het algemeen, aan de bestaande multinationals. Hoeveel voedselschandalen hebben we nog nodig vooraleer we durven te verdedigen dat in de voedselproductie, kwaliteit, hygiëne, gezondheid centraal moet staan en niet de winsten van de multinationals. Hoeveel ‘Schone Kleren’ campagnes zijn er nog nodig om De Bruyn, als socialist, te overtuigen dat ook de productie van kledij enkel op een sociale, milieu-vriendelijke en kwaliteitsvolle manier kan gebeuren wanneer je het winstprincipe uitschakelt? De Bruyn bevindt zich hier op een gladde helling. Zijn politiek leven binnen een partij die in de verste verte niets wil te maken hebben met de nationalisatie van gelijk welke sector, zal daar wellicht niet vreemd aan zijn. Integendeel, zijn partij is er een die eerder privatiseert en liberaliseert. Hoe langer hij binnen de SP.a blijft, zonder een reële oppositiegroep die al is het weinig, toch zou kunnen wegen op de partij, hoe meer zal hij proberen een aanvaardbare vorm te zoeken van zijn alternatief. Dit zal hem enkel verder doen afdrijven van een reëel socialistisch programma.

Nationalisme, identiteit, multiculturaliteit en buitenlandse leiders, de valkuilen van De Bruyn

Af en toe gaat De Bruyn heel kort door de bocht. Zoals in de verschillende passages over de Latijns-Amerikaans leiders in Venezuela, Bolivia en Ecuador die volgens De Bruyn “in de afgelopen jaren op een democratische manier het pad gekozen hebben van het socialisme. Anderen, zoals Argentinië en Brazilië gaan (voorlopig) iets minder ver, maar ze werpen toch resoluut het neoliberalisme van zich af.”

Of wanneer hij beweert dat in Venezuela vandaag “de democratie momenteel terug wordt uitgevonden” . Dat er in Venezuela veel werk is verzet wat betreft het terugdringen van de armoede is een feit. Volgens ons heeft dit niet in eerste instantie te maken met de politiek van Chavez, ook al heeft hij natuurlijk een aantal keuzes in die richting gemaakt. Het heeft vooral te maken met een stijging van de olieprijs die de inkomsten voor de overheid van Venezuela enorm heeft doen toenemen. Chavez heeft zijn positie te danken aan een populaire campagne onder de arme massa’s in Venezuela. Zijn sociale politiek, met het geld van de olie-export gefinancierd, geeft hem nog een zekere steun onder de bevolking, waarvan andere leiders enkel maar kunnen dromen. Maar de weigering van Chavez om de kern van het kapitalisme, bijvoorbeeld het feit dat vijf families de volledige voedselproductie controleren, aan te pakken, zal uiteindelijk betekenen dat hij niet in staat zal zijn de sociale noden van de bevolking te lenigen in de crisis die er aan komt. Door de reserves die de overheid heeft opgestapeld, kan hij dit proces nog een tijdje rekken, maar Venezuela zal niet immuun blijven voor de vernietigingskracht van de kapitalistische crisis.

Kritiekloze steun formuleren aan leiders als Chavez en Morales wapent noch de massa’s van Latijns-Amerika, noch de linksen in West-Europa met een analyse om de volgende fases in het proces te kunnen begrijpen. Hij gaat zelfs verder en stelt valse hoop in leiders als Lula, president van Brazilië, die op het continent geldt als één van de beste leerlingen van de neoliberale klas geleid door het IMF en de Wereldbank.

De Bruyn gaat verder scheef door de bocht. Zoals op pagina 93 waar hij de Belgische identiteit opwerpt als het alternatief voor een Vlaamse identiteit “waarvan het bindmiddel ervan vooral zal neerkomen op het verdrijven van de andere.” Zijn redenering kadert in een poging om een nationalisme te vinden “in de zin van een plek op de wereld waar we ons thuis voelen.” Volgens De Bruyn is de Belgische nationaliteit er één “van zorgvuldig rekening houden met de andere: andere talen, een ander geloof of vrijzinnigheid, diverse politieke opvattingen enzovoort. De Belgische nationaliteit is dus een open en toegankelijke nationaliteit.”

Je zou je kunnen afvragen waarom hij de nood voelt zo’n redenering op poten te zetten. Verschillende passages in zijn boek maken dit echter duidelijk. De Bruyn heeft het namelijk nogal moeilijk om een socialistische visie te ontwikkelen op de samenlevingsproblematiek die groeit op basis van het samenleven van verschillende culturen binnen de huidige samenleving. Hij komt met zijn redeneringen zelfs angstvallig dicht in de buurt van de sloganeske propaganda van het Vlaams Belang. In een tussentitel “Kiezen voor het land van aankomst” beweert hij dat “deel uitmaken van de club is meer dan een lidkaart of identiteitskaart op zak hebben. Het is ook: een aantal normen, waarden, regels en afspraken delen.” Als hij er niet aan zou toevoegen dat een “kapitalistisch maatschappijmodel mensen en volkeren voortdurend met elkaar in competitie plaatst en daarom altijd moeilijkheden zal blijven ondervinden met integratie” zouden Filip De Winter en co zich perfect kunnen vinden in zijn redenering en zou het heel hard aanleunen bij hun slogan, ‘aanpassen of opkrassen’.

Op deze thema’s hangt De Bruyn eerder ondersteboven in de bocht. Hij probeert een verantwoording op te bouwen voor zijn steun aan het hoofddoekenverbod en bouwt een constructie rond de Belgische identiteit waaraan hij de historische strijd voor democratische rechten en vrijheden en onze sociale rechten koppelt. “Vrouwenrechten, de scheiding van kerk en staat, het recht op vrije godsdienstbeleving maar ook het recht om een godsdienst te bekritiseren en de rechten van seksuele minderheden, maken onvervreemdbaar deel uit van deze historische erfenis. Ze kunnen door bepaalde (wat hij met ‘bepaalde’ bedoelt is mij niet duidelijk, bvds) nieuwkomers niet in vraag worden gesteld, ook niet voor ‘eigen gebruik’ binnen de gemeenschap. De migranten moeten kiezen voor het land van aankomst.”

Over de hoofddoek maakt hij het punt dat “de overheid niet multicultureel moet zijn. Ze moet ideologisch, cultureel, taalkundig en religieus neutraal zijn. Ik weet ook dat de klassieke marxistische opvatting over de staat een fictie is. Maar dat neemt niet weg dat we er zoveel mogelijk een neutrale plaats van zouden moeten maken, en zeker geen strijdtoneel van culturele invloedsferen.” De Bruyn toont zelf al de zwakte aan in zijn redenering, nl. de illusie dat een overheid neutraal zou kunnen zijn. Door die illusie probeert hij een racistisch, islamofobisch optreden van deze overheid te vergoelijken.

Want de staat is geen neutrale staat, het is een staat die als doel heeft de kapitalistische en politieke elite aan de macht te houden. Het is een overheid die discrimineert tussen godsdiensten en die waar mogelijk het recht op vrije meningsuiting wil inperken. Elke actie-groep, NGO, vakbond, … zal honderduit kunnen vertellen over hoe het recht op vrije meningsuiting en het recht op actievoeren alsmaar meer onder druk komt te staan. Het verbod op religieuze symbolen voor ambtenaren die in contact komen met het publiek werd o.a. in Antwerpen gekoppeld aan het verbod op politieke en syndicale symbolen. Men wil een ambtenarenapparaat die gedwee het beleid van de overheid uitvoert en die voor de rest zijn mond houdt.

Marxisten zijn voor de vrije godsdienstbeleving en willen zeker geen beroep doen op de kapitalistische staat om een onderdrukkend element van gelijk welke godsdienst te verbieden. Als we willen dat moslima’s hun hoofddoek afwerpen, zal dit moeten gebeuren door hen te overtuigen en niet op basis van een verplichting die al even onderdrfhoukkend is als de verplichting om hem te dragen. Trouwens welke kansen krijgen moslimvrouwen vandaag om vrij te kunnen kiezen? Stel dat ze een strijd voor onafhankelijkheid zouden willen voeren en het afgooien van de hoofddoek door een symbool in wordt. Welke kansen krijgen deze vrouwen in de huidige samenleving om in isolement van hun gemeenschap een leven op te bouwen, sociale huisvesting te kunnen krijgen, een inkomen te kunnen verwerven, op eigen benen te staan?

De a-sociale politiek van de traditionele partijen laat moslima’s weinig andere keuze dan deze van de eigen gemeenschap, waar een vorm van stabiliteit en zekerheid aanwezig is. Iedereen die vandaag via een ‘verbod’ denkt die vrouwen te helpen bekomt het tegenovergestelde. Door hen hun school, hun werk, hun sociaal contact af te nemen isoleer je hen nog meer en sluit je hen op in hun eigen gemeenschap waar religie een belangrijke houvast is. Het is een schande dat gebruik wordt gemaakt van de vrouwenrechten en scheiding van kerk en staat om een racistische maatregel goed te praten die kadert binnen de wereldwijde hetze tegen de moslims. Terecht is de migrantengemeenschap woedend voor de zoveelste stigmatisering en discriminatie.

De Bruyn verklaart de strijd tegen extreem rechts centraal te stellen in zijn politiek project. “In die zin staat Deurne symbool voor mijn politiek project: het terrein heroveren op extreemrechts en op het rechts populisme, met een socialistische programma.” Jammer genoeg heeft hij zijn socialistisch programma op verschillende vlakken al ingeruild voor ‘makkelijker verkoopbare’ recepten en praat hij zelfs het rechts populisme naar de mond in de discussie over o.a. hoofddoekenverbod.

We zien trouwens dat dit een internationaal fenomeen is binnen verschillende nieuwe linkse formaties, waarbij rond wat men soms ethische thema’s noemt er een reactionaire conservatieve invloed is binnengeslopen. Zo worstelt/de de SP Nederland met eenzelfde probleem als De Bruyn om rond het migratievraagstuk een duidelijk klassenstandpunt te kunnen formuleren. De PSOL in Brazilië heeft een woordvoerster die zich heeft uitgesproken tegen abortus. Dit is het gevolg van een enorme terugval in bewustzijn door de val van het stalinisme en het neoliberale offensief sindsdien.

Socialisme, de light versie

“De grote socialistische familie is doorsneden met historisch gegroeide verdeeldheid: socialisten, communisten, stalinisten, trotskisten … Laat ons daar een eind aan maken. We hebben allemaal fouten gemaakt en we hebben allemaal geleerd. Tijd voor linkse eenheid.”

In naam van het socialisme en het communisme zijn er in de 20e eeuw inderdaad verschrikkelijke fouten gemaakt en is er veel verraad gepleegd. Maar het doek vegen over deze geschiedenis en van een wit blad beginnen is net het allerlaatste dat de linkerzijde vandaag moet doen. Ook al klinkt de zin van De Bruyn mooier, braver en gaat het die verschrikkelijk lastige discussies uit de weg. Het biedt geen enkele uitweg voor de belangrijke programmatorische, strategische en tactische discussies waar de socialistische beweging voor staat. Want het zijn juist die verschrikkelijk lastige discussies uit het verleden die ervoor kunnen zorgen dat we niet dezelfde fouten maken zoals deze die door vorige generaties werden gemaakt. Het is dus zelfs een absolute noodzaak om het verleden van de socialistische beweging te bestuderen en te bediscussiëren. Het boek van De Bruyn is in dit opzicht een gemiste kans. Er wordt geen enkele referentie gemaakt naar de essentiële discussie tussen reformisme of revolutie en naar de verschillende mislukte revoluties uit de 20e eeuw. Het neoliberalisme heeft geprobeerd de mantra te verdedigen dat er geen alternatief bestond op hun superieur systeem. Dit heeft o.a. een versmachtend effect gehad op het ideologische debat in alle geledingen van de samenleving.

Vandaag is het moment aangebroken dat de linkerzijde een offensieve houding moet aannemen betreffende haar eigen ideeën en het ideologische debat. De ravage die de val van het stalinisme ter linkerzijde heeft aangericht zal, in een periode waar links terug op het toneel kan verschijnen, meer dan ooit duidelijk worden. De Kommunistische Partij is in Vlaanderen van de kaart geveegd, de PVDA heeft haar oude ideeën overboord gegooid en beroept zich op marketingstrategieën om politiek succes te boeken, Erik De Bruyn zit met zijn groepje Vonk vastgeroest in wat ooit een burgerlijke arbeiderspartij was, de SP.a, de ‘trotskisten’ van de SAP die ooit de concurrentie met de PVDA aangingen zijn maar een schim meer van de partij ze tot begin de jaren ’90 waren. LSP heeft in die periode geduldig, maar resoluut gebouwd aan een stevig fundament van een revolutionaire partij. Aan eenieder die ons heeft leren kennen om ons te beoordelen op onze ideeën, ons programma, onze ideologische strijd, werkmethodes en onze groei. Wij gaan het ideologische debat niet uit de weg omdat we geloven in de superioriteit van de marxistische methode en het revolutionair socialisme.

Walter Pauli van De Morgen, die ons zeker niet zal volgen in onze politiek, beschrijft wat we op ideologisch vlak mogen verwachten van het boek van Peter Mertens (voorzitter van de PVDA), die er volgende week aankomt. En in welke mate deze overeenstemt met het boek van De Bruyn, volgens ons een light versie van het socialisme. “De boodschap van beiden loopt wonderwel parallel, zowel in de analyses van wat fout loopt als in het aanreiken van oplossingen. De toon is ook gelijk: volstrekt niet-ideologisch.”

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie