Problemen bij de opbouw van nieuwe arbeiderspartijen

Eén van de belangrijkste problemen waarmee de arbeiders wereldwijd worden geconfronteerd is deze van de politieke vertegenwoordiging. De traditionele arbeidersorganisaties zijn naar rechts opgeschoven en hebben de opvattingen van het socialisme verlaten. Dit heeft geleid tot een aantal nieuwe initiatieven. In dit artikel trekt Peter Taaffe een aantal lessen uit onder meer de recente ervaringen in Italië en Duitsland, met ook een sterke nadruk op wat er in Brazilië gebeurt.

Een belangrijke kwestie voor de arbeidersbeweging op wereldvlak – mogelijk zelfs de meest cruciale kwestie van dit ogenblik – is de afwezigheid in de meeste landen van een onafhankelijke politieke stem in de vorm van massapartijen van de arbeiders. De val van de Berlijnse muur en de Stalinistische regimes leidde ook tot het vernietigen van de geplande economieën. Dat was een belangrijk historisch keerpunt met enorme gevolgen voor de arbeidersklasse en zeker ook voor haar bewustzijn. Samen met de langdurige periode van economische groei in de jaren 1990 en de meedogenloze druk van het neoliberale kapitalisme, heeft dit de fundamenten van de sociaal-democratie en de “communistische” partijen aangetast. De sociaal-democratische partijen werden door Lenin en Trotski in het verleden omschreven als “burgerlijke arbeiderspartijen”. Zij zagen hun ‘arbeiders’-basis volledig verloren gaan en werden veelal puur burgerlijke formaties. Hierdoor is er voor het eerst in generaties – soms meer dan 100 jaar – geen massaal politiek platform voor de arbeidersklasse.

Dit is niet de eerste keer in de geschiedenis dat marxisten met een dergelijke situatie worden geconfronteerd. Noch Marx noch Engels dachten dat de arbeidersbeweging tot een zelfstandig klassenbewustzijn of een socialistisch bewustzijn zouden komen op basis van enkel maar agitatie, propaganda of zelfs hun machtige theoretische opvattingen. Ervaring zou de belangrijkste leermeester van de arbeidersklasse zijn, stelde Marx. En die ervaring moest samengaan met de ideeën van het wetenschappelijk socialisme. Dat was de reden waarom Marx, zonder afstand te doen van zijn opvattingen, probeerde om de verspreidde krachten van de arbeidersklasse te verenigen in actie. Dat idee lag aan de basis van de vestiging van de Eerste Internationale.

De marxisten werkten daarbij samen met de Engelse vakbondsmilitanten en zelfs de anarchisten. Marx vertrok van het bestaande niveau van organisatie en bewustzijn van de arbeidersklasse en probeerde dit met zijn eigen interventies op een hoger niveau te tillen. De Eerste Internationale vervulde deze kolossale taak, maar na de nederlaag van de Parijse Commune en de pogingen tot sabotage door de anarchisten onder leiding van Bakoenin, was het duidelijk dat de Eerste Internationale haar historische taak had volbracht en werd ze bijgevolg opgeheven. Deze ervaring bereidde de weg van de Tweede Internationale voor, een internationale met massapartijen die zich op het socialisme baseerden.

Engels en de Labour Party

De benadering van Marx werd ook gebruikt door Engels in het laatste deel van de negentiende eeuw in Groot-Brittannië, toen de arbeidersklasse haar “lange winterslaap” hield. Hij kwam geduldig op voor het idee van een “onafhankelijke partij van de werkmens” en ging daarmee in tegen verschillende socialistische en zelfs zogenaamd “marxistische” krachten van dat ogenblik. Engels baseerde zich niet op de Social Democratic Federation dat formeel een wetenschappelijk socialisme aanhing en op een bepaald ogenblik tot 10.000 leden had, maar wel een politiek van ultimatums en sectarisme hanteerde tegenover andere krachten en vooral tegenover het idee van een onafhankelijke arbeiderspartij. Op dat ogenblik was Engels één van de belangrijkste theoretici in de arbeidersbeweging. Engels stelde echter dat, gelet op het bestaande niveau van bewustzijn en politieke organisatie van de Britse arbeidersklasse, één “echte stap vooruit” meer waard zou zijn dan tien programma’s. Dat was een erkenning van het feit dat een “pure” marxistische organisatie met een massabasis niet zou ontwikkelen indien de arbeidersmassa’s niet eerst door de ervaring zouden gaan van hun “eigen” onafhankelijke partij.

Lenin nam een zelfde houding aan tegenover de Labour Party toen deze werd opgericht, zelfs toen die partij formeel nog niet verwees naar het socialisme. Lenin stelde dat de Labour Party “de klassenstrijd niet zou erkennen, de klassenstrijd zal de Labour Party erkennen.” Dat bleek een correcte inschatting te zijn toen er een scherpe draai naar links was in Groot-Brittannië met zelfs uitgesproken revolutionaire tendensen na de Russische Revolutie. In de Labour Party zorgde die draai naar links zelfs voor het aanvaarden van de beruchte “clausule vier” (waarin werd bepaald dat de partij opkwam voor de socialistische omvorming van de samenleving, deze regel werd pas in 1995 uit de statuten van Labour gehaald door Blair).

Sinds midden jaren 1990 is het proces van politieke degeneratie van New Labour onomkeerbaar en fundamenteel. Dat gebeurt ondanks de wanhoop van figuren als Tony Benn die een geïsoleerde links-reformistische uithoek vormen in de zee van neoliberalisme die de partij domineert. Deze degeneratie was niet beperkt tot iets ideologisch, maar heeft ook materiële gevolgen voor de strijd van de arbeidersklasse. De burgerij is bijzonder succesvol gebleken om van de val van het stalinisme gebruik te maken om wereldwijd een ideologische contrarevolutie te voeren. Dat had nog het meeste effect op de leiding van de sociaal-democratie, maar ook op de vakbondsleidingen. De wijze waarop zij enthousiast de markt omarmden heeft de mogelijkheden voor de burgerij vergroot om haar neoliberaal beleid te verkopen onder het motto van “er is geen alternatief”. In tegenstelling tot de jaren 1980, toen dat idee van een gebrek aan een alternatief werd verworpen, wordt dit nu zelfs versterkt door de leiders van de voormalige sociaal-democratische partijen en door de rechterzijde in de vakbonden.

De enige optie

Toen er reformistische “burgerlijke arbeiderspartijen” bestonden, moest de heersende klasse minstens voorzichtig zijn. Deze partijen zorgden er (minstens gedeeltelijk) voor dat de burgerij niet “te ver” kon gaan. Als we naar Duitsland vandaag kijken, zien we een bevestiging van dat punt. De opkomst van Die Linke onder leiding van Oskar Lafontaine, zelfs met alle beperkingen die Lafontaine en zijn partij hebben, heeft een effect op de SPD. Die partij zit in een burgerlijke coalitie met de christen-democraten van Merkel en verloor heel wat steun, zowel op het vlak van ledenaantallen als electoraal. Die Linke hebben steun overgewonnen van de SPD en staan momenteel op 12% in de peilingen. Dat zorgt ervoor dat de sociaal-democraten bepaalde “hervormingen” van de regering tegengaan, onder meer de brutale aanval op de werklozen die ze voorheen zelf hebben aanvaard en uitgevoerd onder de regering-Schröder.

In Groot-Brittannië wordt het motto van Thatcher (“Er is geen alternatief”) vandaag gehuldigd door Brown. Hij vroeg de vakbondsleiding: “Welk alternatief is er op New Labour?”. De vakbondsleiding volgde Brown met hangende pootjes, maar tegelijk voert Brown een beleid dat ingaat tegen de arbeidersklasse en tegen de vakbonden zelf. De verkiezingen worden steeds meer een farce met drie grote partijen die quasi inwisselbaar zijn.

Dit gaat samen met een dominantie van een passieve rechtse bureaucratische kaste aan de leiding van de meeste vakbonden. Deze leiders treden vaak op als een rem op bewegingen en acties. Maar het enorme ongenoegen van de basis zorgt ervoor dat deze situatie niet kan blijven duren en dat er een reactie zal komen, ofwel op syndicaal ofwel op politiek vlak. Zonder een ernstige uitdaging van links, met inbegrip van de syndicale linkerzijde, zal Brown verder minachtend kunnen ingaan tegen de vakbonden en de arbeiders. Hij zal dat doet omdat hij weet dat New Labour de enige optie is.

De Franse arbeidersklasse wordt met een gelijkaardig dilemma geconfronteerd in haar confrontatie met de regering van Sarkozy die alle verworvenheden en rechten van de arbeiders wil breken. De afgelopen 15 jaar heeft de Franse burgerij telkens opnieuw geprobeerd om de confrontatie aan te gaan met de arbeidersklasse. Dit leidde steeds tot een gedeeltelijke nederlaag voor de burgerij of een gelijkspel. Maar het idee dat de Franse burgerij achterop raakt tegenover haar kapitalistische concurrenten in Europa en op internationaal vlak, zorgt ervoor dat er nu geprobeerd wordt om verdergaande toegevingen af te dwingen van de arbeidersklasse. De afwezigheid van een grote aantrekkingskracht in de vorm van een massale arbeiderspartij vormt ongetwijfeld een aspect dat de strijd in Frankrijk verzwakt.

Sarkozy kon de verkiezingen winnen met een campagne die inging tegen zijn eigen regering. Die regeerde volgens Sarko over een “geblokkeerde samenleving”. Hij kon enkel dit soort campagne voeren omdat er weinig dreiging uitging van Ségolène Royal en haar burgerlijke ‘Socialistische’ Partij. Royal probeerde lippendienst te bewijzen aan de 35-urenweek, maar kwam daar na de verkiezingen al snel op terug. Zelfs in 1995, toen de Franse arbeiders de burgerij en haar “plan Juppé” versloegen, was de afwezigheid van een massaal politiek alternatief reeds zichtbaar. De kapitalisten moesten inbinden, maar door het gebrek aa een alternatieve regering en massapartij, werden de conclusies niet getrokken.

Lessen uit Brazilië

Deze situatie bestaat niet in Brazilië omwille van de oprichting van de Partij voor Socialisme en Vrijheid (P-Sol) in 2004. Deze partij was het resultaat van een revolte tegen de draai naar rechts van de regering-Lula na zijn verkiezingsoverwinning in 2002. De vorming van deze partij en de verdere ontwikkeling ervan is belangrijk voor Brazilië zelf, maar er kunnen ook internationaal heel wat lessen uit getrokken worden. De oprichting van de P-Sol was een gevolg van het enorme ongenoegen van de arbeiders in de openbare diensten tegenover het snelle verraad van Lula en zijn regering van de Arbeiderspartij (PT) die de belangen van het Braziliaanse kapitalisme verdedigden.

Voorheen hadden delen van de Braziliaanse linkerzijde, zelfs in groepen met een Trotskistisch verleden, de hoop dat Lula een “linkse” regering zou vormen eens hij aan de macht zou komen. Nochtans had Lula zelf al aangegeven dat hij zou toegeven aan de “consensus van Washington” over het neoliberalisme, privatiseringen, flexibel werk,… De rechtse evolutie van Lula bleek ook uit de lof die hij toegedicht kreeg van de hogepriesters van het “sociaal-democratische” neoliberalisme. Voorheen keerden Blair en Mandelson zich tegen de PT, maar nu vonden ze in Lula een bondgenoot. De PT kende oppositie in eigen rangen van een aantal parlementsleden zoals Heloisa Helena, Baba en Luciano Genro. Die werden uiteindelijk uitgesloten omdat ze ingingen tegen het programma van “pensioenhervormingen” van Lula.

Het gevoel van verraad was erg groot. Lula kwam immers zelf uit de Braziliaanse arbeidersklasse. De P-Sol slaagde er in om een belangrijk deel van de strijdbare militante linkerzijde in het land te verenigen. Op haar oprichtingsconferentie in 2004 werd de partij gekenmerkt door socialisten en linkse activisten, vooral van een Trotskistische achtergrond. Het Trotskisme kent een lange traditie in Latijns-Amerika, vooral in Brazilië en Argentinië (en voorheen ook in Bolivia). Dit kwam voornamelijk tot uiting in twee belangrijke tendensen in Brazilië en Argentinië: het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale (USFI) van Ernest Mandel en de “Morenistische” groepen in de traditie van Nahuel Moreno. Die laatste groepen, aanvankelijk in de Liga internacional de los Trabajadores (LIT), vormden een reactie op de Mandelisten omdat deze ultralinkse tactieken (waaronder de rampzalige steun aan stedelijke guerrilla-bewegingen) combineerde met opportunisme. Dat laatste werd ook duidelijk in Brazilië waar de USFI een splitsing kende met een aantal voormalige aanhangers die minister werden in de regering van Lula.

In de Morenistische traditie zijn er heel wat bewonderenswaardige arbeiders die heel wat opofferingen maken, sommigen betaalden dit met hun leven. Dat was zeker het geval in Argentinië en Brazilië. Maar Moreno’s verzet tegen het opportunisme van Mandel werd erg ruw uitgedrukt. Moreno maakte zelf heel wat ultralinkse fouten, onder meer met zijn overschatting van de MAS in Argentinië in de jaren 1980. De MAS was daar een belangrijke factor geworden, maar Moreno dacht dat het al in staat was om de “macht te grijpen”. Na zijn dood volgden heel veel fouten onder zijn opvolgers, de belangrijkste foute inschatting was wellicht deze over de val van het stalinisme. De Morenisten proberen dit op een eenzijdige wijze als iets progressief voor te stellen. De burgerij maakte een correctere inschatting van de val van het stalinisme, de houding van de burgerij werd samengevat door de Wall Street Journal dat in haar edito verklaarde dat het kapitalisme had “gewonnen”.

Het resultaat van de fouten was een opsplitsing van het Morenisme in verschillende organisaties en internationale groeperingen die met elkaar concurreren in de pogingen om de kleiner wordende basis van voormalige Morenistische militanten voor zich te winnen. In plaats van discussies aan te gaan en effectief te debatteren, gaan deze groepen eerder over tot willekeurige uitsluitingen of “uitnodigingen om eruit te stappen”.

Eerste successen

 

Ondanks deze elementen waren de meeste initiatiefnemers van de P-SOL voormalige activisten uit de PT met een trotskistische achtergrond. Bij de presidentsverkiezingen van 2006 was de P-Sol kandidate Heloisa Helena die een Mandelistische achtergrond heeft. Zij kreeg bijna zeven miljoen stemmen als links alternatief op de zogenaamd “traditioneel linkse” regering van Lula. Dit enorme succes voor een erg jonge partij (het succes was groter dan bij de PT toen die in 1982 voor het eerst aan de verkiezingen deelnam) bevestigde het standpunt van diegenen die, zoals Socialismo Revolucionario (SR), consistent waren opgekomen voor een nieuwe massapartij. SR was één van de pioniers in de P-Sol, in een beginperiode leende het zelfs haar middelen en secretariaat aan de nieuwe partij. SR had ook een vertegenwoordiger in de nationale leiding van de partij. Er waren verschillende platformen en tendens, waardoor de P-Sol een erg democratische partij was.

De partij was echter niet gevormd op basis van een periode van intense klassenstrijd, zoals wel het geval was met bijvoorbeeld de PT in de jaren 1980 of de Zuid-Afrikaanse vakbondsfederatie Cosatu dat zich in haar eerste fase van bestaan socialistisch en “revolutionair” noemde. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor de P-Sol: het was en blijft een kleine massapartij van de werkende klasse. De nieuwe massapartijen die werden gevormd in de nasleep van de Russische Revolutie kwamen tot stand op basis van splitsingen in de oude arbeidersorganisaties, de sociaal-democratie, waarbij de meerderheid van de actieve arbeiders de overstap maakte. Maar zelfs dan nog kreeg de sociaal-democratie heel wat steun van inactieve arbeiders. Soms bleef zelfs een meerderheid van de arbeiders bij deze oude formaties door een historische inertie en gebrek aan bewustzijn over de nood aan een nieuwe revolutionaire partij. Hierdoor werd het volgens Lenin en Trotski nodig dat de nieuwe communistische partijen een “eenheidsfront”-tactiek gebruikten om in actie die arbeiders te bereiken die nog loyaal waren aan de sociaal-democratie.

De nieuwe formaties die toen werden gevormd, in een periode van revolutie, waren erg breed met een actieve basis en aanhang in de arbeidersklasse. Dat is niet het geval met bijvoorbeeld Die Linke in Duitsland, dat grotendeels een electoraal fenomeen is op dit ogenblik. Slechts een beperkt aantal arbeiders en jongeren zijn tot de partij toegetreden, dat was immers niet evident – zeker niet in Berlijn of Oost-Duitsland. In deze regio’s wordt de partij wantrouwend bekeken omwille van de banden die de partij vroeger had met het stalinisme en omwille van haar actuele deelname aan coalitieregeringen in onder meer Berlijn waar het aanvallen op de levensstandaard van de arbeidersklasse uitvoert. P-Sol was aanvankelijk van een ander kaliber: er waren heel wat trotskistische groepen, maar ook een aantal arbeiders, ‘onafhankelijken’,…

Tegelijk raakte Lula steeds meer vervreemd van zijn basis naargelang hij naar rechts opschoof. De door de PT gesteunde voorzitter van de Braziliaanse Senaat, Renan Calheiros, moest ontslag nemen na een corruptieschandaal. Er wordt onder meer beweerd dat hij betalingen liet uitvoeren aan een vrouwelijke voormalige journaliste met wie hij een affaire had en met wie hij een drie jaar oude dochter heeft. Brazilië is corruptie gewoon, het komt immers erg vaak voor in de burgerlijke partijen. De historie van Renan was echter een druppel die de emmer deed overlopen. Er kwam heel wat druk op Lula om Renan tot ontslag te dwingen.

Sindsdien bleven de beschuldigingen van corruptie echter een constante. Aanvankelijk zorgde dit voor heel wat schade, maar intussen is het zo aanwezig in het Braziliaanse politieke leven dat de bevolking het “gewoon” is geworden en niets anders verwacht van haar politici. Zowat 30% van de parlementsleden hebben gerechtelijke onderzoeken tegen hen lopen. Heel wat parlementsleden proberen verkozen te raken om onschendbaar te worden. De kost van corruptie wordt door een studie op 0,5% van het bbp geschat. Toch was er een tijd dat de PT als “anders” werd gezien omwille van haar socialistische visie op een nieuwe samenleving. Vandaag heeft de partij, zoals haar tegenhangers van de sociaal-democratische en ex-communistische partijen in Europa en elders, het kapitalisme aanvaard en ook alles dat daarmee gepaard gaat.

De Braziliaanse burgerij heeft zich verzoend met de regering van Lula omdat deze “haar werk doet” in het verdedigen van de belangen van het kapitalisme. De Financial Times stelde dat het krediet en de binnenlandse vraag sterk toeneemt naarmate miljoenen arme Brazilianen voor het eerst “consumenten” worden. Wat er zal gebeuren als de Amerikaanse economie het moeilijk krijgt en dit gevolgen heeft op de Chinese economie, een belangrijke markt voor de grondstoffen uit Brazilië, is een andere kwestie. Zelfs een vertraging van de groei van de Braziliaanse economie zou catastrofaal zijn voor de miljoenen voornamelijk armen die naar de regering van Lula uitkeken als uitweg voor de nachtmerrie van hun dagelijkse leven. De landbouw, diensteneconomie en zelfs de industrie hebben een groei gekend op basis van de groei van de wereldeconomie. De uitgaven van de consumenten zijn toegenomen, onder meer door een toename van het minimumloon en de uitkeringen voor de armsten, maar ook door een injectie van krediet in de economie die verdubbeld is qua omvang sinds 2003. Een vertraging of zelfs recessie van de wereldeconomie zou een vernietigend effect hebben voor de miljoenen die verwachtingen hadden op basis van de recente groei van de economie en de toename van het aantal jobs (ook al waren het vooral laag betaalde jobs).

De regering beweert dat er in de 12 maanden voor juli 2007 1,2 miljoen jobs werden gecreëerd. Dit betekent dat zelfs delen van de armste lagen van de bevolking erop vooruit zijn gegaan. Dit heeft er mee voor gezorgd dat de electorale steun voor de regering nog niet volledig is verdwenen. De burgerij tolereert Lula als de “beste optie” en de meerderheid van de arbeiders en armen hebben hun steun aan de regering nog niet opgezegd. De middenklasse anderzijds wordt het sterkst geconfronteerd met de infrastructuurcrisis, vooral in de luchtvaart. De meerderheid van de middenklasse verzet zich tegen de regering. De economische, sociale en politieke situatie is bijzonder volatiel.

Om haar belangrijke, maar nog steeds beperkte, basis van 6% van de kiezers uit te breiden, moet de P-Sol zich aantrekkelijk maken voor de “zware bataljons” van de arbeidersklasse die nog steeds achter Lula en de PT staan op dit ogenblik. Dat kan niet blijven duren, zeker niet op het ogenblik dat Brazilië geraakt wordt door de stormachtige economische en sociale golven die er zitten aan te komen. Er is geen enkele garantie dat de massa’s naar de P-Sol zullen gaan als de partij haar programma, strategie en tactieken niet aanpast om hen aan te trekken.

Het gevaar van de coalitie

De ontwikkeling van de Rifondazione Comunista (Prc) in Italië biedt heel wat lessen en waarschuwingen voor de P-Sol in Brazilië. De oprichting van de Prc was een belangrijke stap vooruit voor de Italiaanse arbeidersklasse. Aanvankelijk omvatte de partij enkel de meest militante lagen. Onder leiding van Bertinotti slaagde de partij er niet in om de basis van de Linkse Democraten (DS – het grootste deel van de voormalige Communistische Partij) te ondermijnen, zelfs niet toen de DS scherp naar rechts opschoof. Dat kwam onder meer door de weinig consistente houding van de Prc, meer bepaald haar nadruk op electoralisme ten koste van een dynamische tussenkomst in de klassenstrijd. Door een politiek te voeren van onderwerping aan het kapitalisme, aanvaardde de leiding van de partij het vormen van coalities met andere formaties. Zelfs voor er een nationaal blok werd gevormd, nam de Prc op lokaal vlak deel aan coalities met burgerlijke partijen. Dat leidde steeds tot aanvallen op de arbeiders en de vakbonden op lokaal vlak. De Prc droeg daarbij een belangrijke verantwoordelijkheid in de ogen van de arbeiders.

Van daar was het geen grote stap om op nationaal vlak een formele coalitie te sluiten met de burgerlijke partijen rond Prodi. Aanvankelijk was dit met steun van ‘buitenaf’ aan de Olijfboomcoalitie in 1996. Zelfs zonder de “voordelen” van ministerportefeuilles, werd de Prc geassocieerd met de aanvallen van de regering op de arbeiders en de vakbonden. Dat bereidde de weg voor een terugkeer van Berlusconi voor. Nu is er nog een stap verder gegaan in Italië met een formele toetreding tot de coalitie van Prodi. Die regering voert net zoals de regering van Lula in Brazilië aanvallen door op de pensioenen, het onderwijs en de verworvenheden uit het verleden. Met Bertinotti als ‘voorzitter’ van de Italiaanse Kamer van Volksvertegenwoordigers, verliest de Prc haar positie van onafhankelijke arbeiderspartij om deel te worden van een “rood ding”, een alliantie die een nieuwe liberale kapitalistische partij kan worden.

Het proces is nog niet vervolledigd in de Prc, maar vormt toch al een belangrijke waarschuwing voor de P-Sol en alle nieuwe arbeidersorganisaties. Dit is wat kan gebeuren indien het aangaan van coalities voorop wordt gesteld zonder duidelijke voorwaarden inzake het te voeren beleid. In plaats van een aantrekkingspool te worden voor bredere lagen, leidt dit ertoe dat deze formaties dood zijn van bij hun geboorte. P-Sol bevindt zich nog niet in dit stadium, maar de enorme druk van de burgerlijke samenleving om zich “aan te passen” is erg groot. Ook is er druk om het electorale profiel te versterken ten koste van tussenkomsten in de klassenstrijd en sociale bewegingen in het algemeen. Dat heeft een effect op de leiding van de P-Sol.

Draai naar rechts

De druk bleek in de verkiezingen bij het afzwakken van het programma, wat zeker ook gebeurde door presidentskandidate Heloisa Helena. Dit werd gedaan om zoveel mogelijk stemmen te behalen. Het feit dat Heloisa Helena zich ook uitsprak tegen abortus zorgde er bovendien voor dat ze in conflict kwam met de meeste P-Sol leden. Het standpunt van Heloisa werd afgekeurd door de meerderheid van de afgevaardigden op het recente congres van P-Sol. Een groep rond Heloisa, met de steun van onder meer parlementslid Luciona Genro uit Rio Grande Del Sul, probeert de P-Sol meer in de richting van een “praktisch” programma te sturen, dit betekent een meer rechtse positionering. Dit werd versterkt door nieuwe overlopers vanuit de PT die zich bij de P-Sol hebben aangesloten.

Samen zijn ze er in geslaagd om de leiding van P-Sol naar rechts te laten opschuiven, wat op zijn beurt heeft geleid tot het ontwikkelen van een linkse oppositie waarbinnen Socialismo Revolucionario actief is. Deze oppositie kreeg net iets minder dan een kwart van de stemmen op het P-Sol congres. SR wil verder gaan in het opzetten van een eenheidsfront met de meest consistente linkse organisaties door de vorming van een “blok van vier” in de P-Sol. Dit gebeurt samen met andere groepen die allemaal een trotskistische achtergrond hebben.

Er zijn een aantal historische parallellen die kunnen gemaakt worden. Na de overwinning van Hitler in 1933 ondernam de Communistische Partij aanvankelijk weinig verzet en was er een diepgaande vertrouwenscrisis in de bestaande “Internationales”. Trotski bracht de noodzaak naar voor van een nieuwe, “Vierde” Internationale. Dat kwam na de vorming van een “Blok van Vier” partijen, een blok dat door Trotski als bijzonder belangrijk werd omschreven. Het ging om de Trotskistische Internationale Linkse Oppositie, de Duitse Socialistische Arbeiderspartij (SAP) en twee Nederlandse linkse partijen: de Revolutionaire Socialistische Partij (RSP) en de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Zij tekenden een verklaring voor een ‘nieuwe internationale’ op de principiële basis die werd gelegd door Marx en Lenin.

Dit vroegere “blok van vier” had grootschaliger doelstellingen dan het huidige blok van vier binnen de P-Sol, maar de kern van de zaak is dezelfde: hoe kunnen we het potentieel voor de linkerzijde binnen de arbeidersbeweging maximaliseren? Het “Blok van Vier” waarover Trotski schreef, vormde nooit een permanente organisatie omwille van meningsverschillen met de leiders van de niet-Trotskistische partijen. De organisaties die nu in Brazilië een “Blok van Vier” vormen, staan politiek dichter bij elkaar en kunnen, indien politieke duidelijkheid wordt bekomen, een coherente politieke kracht binnen de P-Sol vormen.

P-Sol toont, net zoals het eerdere ‘experiment’ met de Prc in Italië, dat een aanhoudend succes met een groei van invloed en ledenaantal, niet automatisch gegarandeerd is indien de nieuwe partij naar rechts opschuift. Maar in de P-Sol is de linkerzijde sterker dan in de Prc. Dit komt onder meer omdat de Trotskistische groepen in Italië van bij de oprichting van de Prc een fundamenteel oncorrecte houding aannamen. De USFI van wijlen Livio Maitan kon nauwelijks onderscheiden worden van Bertinotti, ze vormden lange tijd een gezamenlijke “fractie” en het resultaat was dat deze groep niet fundamenteel werd versterkt. Andere groepen namen ultralinkse posities in of beperkten zich tot een puur propagandistische rol van commentatoren.

Het Braziliaanse blok van vier

De georganiseerde linkse oppositie in de P-Sol staat politiek sterker. Het front van organisaties, het blok van vier, binnen de P-Sol omvat kameraden van Alternativa Revolucionária Socialista (ARS, Revolutionair Socialistisch Alternatief) dat vooral in Belem in het noorden van het land actief is. Het omvat ook de CLS (Collectief voor socialistische vrijheid) uit São Paulo en Minas Gerais, waar deze groep een belangrijke basis heeft in sociale bewegingen zoals de beweging van landloze boeren. Het blok van vier zal een reeks bijeenkomsten en publieke activiteiten opzetten die mogelijk ook andere dissidente groepen in de P-Sol kunnen aantrekken.

Tegelijk is er een proces van hergroepering van de marxistisch-trotskistische linkerzijde. Op haar recente congres heeft de SR, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van groepen die in het “blok van vier” actief zijn, zich tot taak gesteld om te bouwen aan een grotere en invloedrijkere marxistische formatie. Aangezien de P-Sol op dit ogenblik relatief weinig nieuwe lagen van arbeiders aantrekt, zal dit niet louter gebeuren door de werking binnen de partij. De syndicale strijd zal evenzeer van cruciaal belang zijn, misschien zelfs nog belangrijker. Dit betekent echter niet dat P-Sol geen potentieel meer heeft. Het failliet van het Lula-isme en de PT zal ertoe leiden dat velen hun hoop stellen in de P-Sol. Die partij kan brede lagen van de arbeidersklasse en de linkerzijde bijeenbrengen.

Nieuwe partijen zijn een plaats van discussie en debat om een politiek alternatief naar voor te brengen dat moet leiden tot successen voor de arbeidersklasse. Het bestaan van een sterke marxistische factor binnen zo’n partij is van cruciaal belang. Zoniet dreigt het gevaar van stagnatie en zelfs het verdwijnen van deze partijen, zelfs na een initieel succes. Vandaag lijkt dit onwaarschijnlijk in Brazilië omwille van de invloed van het marxisme in de partij.

De ontwikkelingen van de marxisten in Brazilië zal wereldwijd worden gevolgd. Het is hun taak om tussen te komen in de processen die plaatsvinden in de P-Sol en zich daar duidelijk af te zetten tegen het reformisme en de schaduw van het centrisme (revolutionaire woorden gekoppeld aan reformistische daden) door de beste krachten van de linkerzijde in de P-Sol te verenigen. De eerste stap naar dit doel is de creatie van een sterke trotskistische kracht met duidelijke perspectieven, tactieken, strategie en organisatie. Het kapitalisme stevent af op crisis, maar dat leidt niet automatisch tot vooruitgang voor de linkerzijde. We zullen daartoe nieuwe massale arbeiderspartijen nodig hebben. De lessen die kunnen getrokken worden uit de P-Sol zijn daarbij van groot belang.

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie