Venezuela: zullen de vakbonden hun onafhankelijkheid opgeven?

De Venezolaanse president Chavez heeft een ultimatum gesteld om aan te sluiten bij de Verenigde Socialistische Partij van Venezuela (PSUV). De president stelt dat er nood is aan een verenigde socialistische partij die het land op weg kan zetten naar het socialisme. Dat is natuurlijk erg positief. Maar we moeten ook achter de retoriek kijken.

Op 24 maart hield Chavez een toespraak voor 2.400 aanhangers van de toekomstige Verenigde Socialistische Partij van Venezuela. De president waarschuwde de leiders van de politieke partijen en de vakbonden voor een massale leegloop als ze geen lid zullen worden van de nieuwe partij. “Ik weet wat er zal gebeuren en ik zal hen mijn kleine rode auto [Chavez kreeg een rode VW-kever van de defensieminister] uitlenen zodat ze een ritje kunnen maken. Ze zullen er allemaal inpassen.”

Het debat over het al dan niet aansluiten bij de nieuwe partij wordt gevoerd sinds de aankondiging van Chavez over de vorming van een verenigde socialistische partij. De president drukt erop dat de partij van onderuit wordt gebouwd en in die zin een belangrijke factor zal zijn in de strijd tegen bureaucratie. Hij stelt tevens dat het een belangrijke stap in de richting van het socialisme in het land zou kunnen vormen.

Politieke partijen ontbinden zich of desintegreren

Met de opvallende uitzondering van de PCV, de Venezolaanse Communistische Partij, zijn de meeste pro-Chavez partijen reeds ontbonden of desintegreren ze langzaam. De rechterzijde in de regeringscoalitie, vertegenwoordigd door partijen zoals Podemos en Patria Para Todos (PPT), probeerden hun ontbinding tegen te houden en gingen in tegen de radicale socialistische retoriek van de president. Beide partijen verdedigden hun standpunt in naam van het pluralisme om zo te pleiten tegen een eenheidspartij. Ze merkten ook op dat hun versie van socialisme gebaseerd is op een verdediging van de private eigendom. Na wekenlange verbale discussies met verwijten van Chavez tegenover de leiders van deze formaties, hebben een aantal van de meest rechtse elementen in Podemos en PPT een bocht gemaakt en zijn ze bij de PSUV aangesloten om zo hun carrière te redden.

De PCV, de oudste nog bestaande partij in het land, besloot dat het geen lid zou worden van de PSUV. De algemeen-secretaris van de partij, Oscar Figuera, stelde dat: “als wordt gesteld dat de verenigde partij geen marxistisch-leninistische partij zal zijn, wat duidelijk wel zijn, dan zijn de voorwaarden om onszelf te ontbinden niet aanwezig.” President Chavez antwoordde op die stellingname met de melding dat hij het marxisme had bestudeerd toen hij jong was en dat hij ‘Staat en Revolutie’ van Lenin had gelezen toen hij in het leger zat. Maar hij voegde er aan toe dat het “socialisme van de 21ste eeuw” niets te maken heeft met het marxisme-leninisme. (zie ook het Engelstalige artikel Venezuela: Political crisis hits the Chávez government).

Niet alles is wat het lijkt te zijn…

Er zijn tot nu toe weinig aanwijzingen dat de nieuwe partij effectief van onderuit zal worden opgebouwd of dat de beloftes van een democratisch karakter zal nakomen, laat staan dat het een instrument van socialistische maatschappijverandering zal zijn. Maar anderzijds mogen we de enorme verwachtingen van een hele laag activisten niet onderschatten. Zij hopen dat de uitbouw van de PSUV een belangrijke stap vooruit kan vormen. Ze zien het als een potentiële overwinning op de reformistische en bureaucratische partijmachines van de bestaande partijen in de regering-Chavez. Hun haat tegenover de corrupte vertegenwoordigers van die partijen, komt tot uiting in populaire mopjes over de namen van de pro-Chavez partijen. De partij van Chavez, de Beweging voor de Vijfde Republiek (MVR), wordt wel eens Me Volví Rico (ik kwam rijk terug) genoemd. Patria Para Todos wordt Plata Para Todos (“Geld voor iedereen” in plaats van “vaderland voor iedereen”) en Podemos wordt omgevormd tot Pedimos (“Wij vragen” in plaats van “we kunnen”).

Rol van de arbeiders

Er wordt steeds meer gesproken over socialisme in de 21ste eeuw, maar veel arbeiders merken er in hun dagelijkse leven niet veel van. Het debat over socialisme, grotendeels opgestart door Chavez, is een enorm positieve ontwikkeling. Maar er is een gevaar dat de arbeiders andere conclusies zullen trekken indien de retoriek niet overeenstemt met de realiteit. Dat kan ertoe leiden dat de steun voor het socialisme in de 21ste eeuw afneemt. Het is daarop dat de rechterzijde en het VS-imperialisme wachten om komaf te maken met het revolutionaire proces in Venezuela.

De arbeiders in de openbare diensten moesten bijvoorbeeld 27 maanden wachten vooraleer er collectieve onderhandelingen werden opgestart. Hetzelfde gebeurt momenteel met de arbeiders in de oliesector.

De regering verklaarde recent dat het de sleutelsectoren van de economie onder overheidscontrole wil plaatsen, maar daarbij zou er geen ruimte zijn voor arbeidersdeelname aan het bestuur van deze bedrijven. Chavez verklaarde ook dat hij Sidor, één van de grootste staalbedrijven die werd geprivatiseerd door de regering voor Chavez, niet wil nationaliseren omdat het een voorbeeld is van “goed kapitalisme”. Vakbondsleider Orlando Chirini reageerde als volgt: “We begrijpen dat president Chavez dit zegt omdat het een bedrijf is dat wordt gecontroleerd door een multinational [Techint] uit Argentinië, een land dat een bondgenoot is van Venezuela en wiens president, Kirchner, een bondgenoot is van de president. Maar we moeten ons de vraag stellen: sinds wanneer is er een onderscheid te maken tussen goede en slechte vormen van kapitalisme?”.

Onafhankelijke vakbonden

“Vakbonden die stellen dat ze niets willen te maken hebben met de partij of de regering en die onafhankelijk willen blijven, doen aan een vorm van chantage… ze blijven geurloos en smaakloos”. Met een verwijzing naar Rosa Luxemburgs brochure “Massastaking, partij en vakbonden” uit 1906, stelde Chavez dat de vakbonden niet los kunnen staan van de PSUV.

De polemiek van Luxemburg in 1906 was echter gericht tegen de oprukkende vakbondsbureaucratie in de vakbonden die onder de controle van de sociaal-democratische partij in Duitsland stonden. Die partij baseerde zich formeel nog op het marxisme en stelde zich officieel tot doel om het kapitalisme omver te werpen. De relatieve stabiliteit van het Duitse kapitalisme, samen met de groei van de Duitse arbeidersbeweging, legde de basis voor de opkomst van een vakbondsbureaucratie die politieke onafhankelijkheid van de partij wou. Die eis was gericht op het doorbreken van de band met het revolutionaire programma van de partij en voor een versterking van het reformisme. Rosa Luxemburg voorzag die ontwikkeling en verdedigde het marxisme.

Het debat in de Venezolaanse vakbondsfederatie UNT over het al dan niet aansluiten bij de PSUV heeft een andere oorsprong. Terwijl de rechterzijde van de UNT, de vakbondsfederatie die het dichtst bij de regering en het staatsapparaat staat, beslist heeft om bij de PSUV aan te sluiten zodra het wordt gevormd, komt de linkerzijde op voor haar onafhankelijkheid van de staat en van de PSUV. Het debat over onafhankelijkheid is een lege discussie als het niet verwijst naar de klassenonafhankelijkheid van de arbeiders en de armen.

Dat is een concrete stellingname in een Venezolaanse staat die los staat van diegenen die vandaag de Venezolaanse economie controleren, maar die nog niet kan omschreven worden als een arbeidersstaat. En zelfs dan, zoals Lenin in 1921 stelde, moeten massa-organisaties van de arbeidersklasse (zoals vakbonden) het recht hebben om zich te verdedigen tegen hun eigen staatsapparaat, zelfs indien die staat gebroken heeft met het kapitalisme. In het proces van overgang van kapitalisme naar socialisme, hebben de arbeiders nood aan onafhankelijke vakbonden om hun rechten en eisen te verdedigen.

De actuele debatten in de Venezolaanse arbeidersbeweging zijn erg belangrijk. Het CWI (de internationale organisatie waartoe LSP behoort) verdedigt alle hervormingen van de regering-Chavez die een positieve impact hebben op de arbeiders en armen in Venezuela. Daarbij benadrukken we dat het de taak van de arbeidersklasse is om het kapitalisme omver te werpen en de opbouw van een socialistische samenleving aan te vatten. Om dat mogelijk te maken, hebben de arbeiders nood aan hun eigen organisaties, vakbonden en politieke partijen die hun belangen en eisen verdedigen.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie